Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.5
2.5 Het begrip ‘getuige’
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover uitvoeriger Dubelaar 2014, p. 220-224.
De beperking tot verklaringen die ter zitting zijn afgelegd is alleen relevant voor de beantwoording van de vraag onder welk bewijsmiddel een verklaring moet worden geschaard. Is een verklaring in een proces-verbaal opgenomen, wat vrijwel altijd het geval is, dan zal deze niet aan het bewijs mogen meewerken als ‘verklaring van een getuige’, maar wel als ‘schriftelijk bescheid’ in de zin van artikel 344 Sv. Desondanks moeten op schrift gestelde getuigenverklaringen aan dezelfde inhoudelijke eisen voldoen als mondeling ter zitting afgelegde getuigenverklaringen. De eisen van artikel 342 lid 1 Sv moeten aan iedere getuigenverklaring worden gesteld, omdat zij voorkomen dat de rechter een bewezenverklaring baseert op materiaal dat niet geschikt is om de waarheid te achterhalen, zoals niet-gefundeerde vermoedens of conclusies. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan dan ook worden opgemaakt dat ook een schriftelijke getuigenverklaring feiten en omstandigheden moet bevatten die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Zie bijvoorbeeld HR 26 juni 2012, NJ 2012, 415, r.o. 3.1-3.5.
HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427, r.o. 6.3.2.
De regels van het arrest Grenzen getuigenbewijs werden in HR 6 juni 2006, NJ 2006, 332 toegepast op een getuigende medeverdachte.
Het Wetboek van Strafvordering heeft getuigen en deskundigen afzonderlijk geregeld. Zie bijvoorbeeld de artikelen 342 en 343 Sv.
Zie § 5.3.2 van hoofdstuk 1.
Op grond van artikel 299 Sv zijn de regels met betrekking tot de oproeping van getuigen ook van toepassing op deskundigen. Ten overvloede worden deskundigen ook in artikelen 263 en 264 Sv genoemd. Voor zover mij bekend heeft de Hoge Raad zich tot nu toe niet uitgelaten over de voorwaarden waaronder een verslag van een niet door de verdediging ondervraagde deskundige voor het bewijs mag worden gebruikt.
Kamerstukken II 2001/02, 27 632, nr. 8, p. 5. Uit een evaluatie van het spreekrecht bleek onder meer dat rechters dikwijls toestaan dat slachtoffers zich uitlaten over andere aspecten dan waar het spreekrecht volgens de wettelijke regeling op ziet. Zie Lens, Pemberton & Groenhuijsen 2010. Hun rapport is ook gepubliceerd onder Kamerstukken II 2010/11, 32 500 VI, nr. 9.
Kamerstukken II 2001/02, 27 632, nr. 5, p. 9 en Kamerstukken II 2001/02, 27 632, nr. 8, p. 14. Volgens een eerdere versie van het wetsvoorstel had de spreekgerechtigde wel de status van getuige en had de verdediging ook een ondervragingsrecht. Het ondervragingsrecht is naar aanleiding van advies van onder andere de Raad van State geschrapt. Het werd niet noodzakelijk werd geacht. Zie daarover Kamerstukken II 2001/02, 27 632, nr. 8, p. 8 en 14. Het slachtoffer zal dikwijls ook een belastende verklaring hebben afgelegd tijdens het voorbereidend onderzoek. Wanneer het alleen aanwezig wil zijn tijdens de zitting om zijn spreekrecht uit te oefenen, kan het bedrogen uitkomen als de verdediging verzoekt om zijn ondervraging als getuige. Dat verzoek zal niet altijd mogen worden afgewezen door de rechter. Het slachtoffer is immers dikwijls een belangrijke getuige en is bovendien ter zitting aanwezig. Vgl. Machielse 2005, p. 447-448.
Kamerstukken I 2002/03, nr. 104b, p. 7.
Kamerstukken II 2006/07, 30 143, nr. 13.
Zie daarover ook Fernhout & Spronken 2005, p. 155.
Kamerstukken II 2001/02, 27 632, nr. 8, p. 8: ‘Het ondervragingsrecht ziet toe op die informatie die voor het vergaren van het bewijs in het kader van de waarheidsvinding van belang is.’ Uit een passage op p. 10 blijkt dat de opstellers van het wetsvoorstel zich bewust zijn geweest van de mogelijkheid dat de rechter een hogere straf oplegt als gevolg van het uitoefenen van het spreekrecht.
Zie § 5.3.1 van hoofdstuk 1.
Hierna zal ik uiteenzetten dat de verklaring van een spreekgerechtigde weliswaar geen bewijsmiddel mag opleveren, maar wel mag worden gebruikt in de strafmotivering.
Machielse 2005, p. 447. In de notitie ‘Het spreekrecht van het slachtoffer en het ondervragingsrecht’ stelt het Nederlands Juristencomité voor de Mensenrechten ‘dat het ondervragingsrecht geldt onafhankelijk van de vraag of het slachtoffer nu wel of niet de positie van getuige heeft’, maar zonder die stelling te motiveren (NJCM 2002). Van Strien 2001, p. 264 meent dat het ondervragingsrecht van toepassing is zodra de verklaring van een spreekgerechtigde wordt betwist, maar motiveert dat evenmin.
Kool stelt dat artikel 6 lid 3 sub d EVRM niet van toepassing is, omdat de verklaring van de spreekgerechtigde niet bijdraagt aan de materiële waarheidsvinding. In het geval de verklaring zou bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 verklaen 350 Sv meent zij echter dat het ondervragingsrecht wel moet kunnen worden uitgeoefend, hoewel zij even later (voorlopig) concludeert dat artikel 6 lid 3 EVRM niet van toepassing is. Zie aant. 13.1 van haar commentaar op artikel 51e Sv in Melai/Groenhuijsen e.a. (suppl. 187, oktober 2011). Vellinga 2006, p. 31 stelt dat het ondervragingsrecht niet in het geding lijkt te zijn, omdat dit in de EHRM-jurisprudentie met name betrekking had op het bewijs.
Aanwijzing slachtofferzorg, Stct. 2010, 20476 (2010A029).
Handelingen I 2004 (26), p. 1362. Zie daarover ook onderdeel 39 van de conclusie van AG Jörg bij HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 558.
Kamerstukken II 2006/07, 30 143, nr. 13.
HR 24 december 2002, NJ 2003, 156.
HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 558. Vermoedelijk mag ook het proces-verbaal van de zitting waarin de verklaring van de spreekgerechtigde is opgenomen, niet aan het bewijs meewerken.
Aanwijzing slachtofferzorg, Stct. 2010, 20476 (2010A029).
Artikel 308 lid 1: ‘Hij aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat (...)’. Het voorbeeld is ontleend aan Spanninga & Van Strien 2001, p. 428. Zie over spreekrecht bij gevolgsdelicten ook aant. 13.1 van het commentaar van Kool op artikel 51e Sv in Melai/Groenhuijsen e.a. (suppl. 187, oktober 2011).
Kamerstukken II 2002/03, 27 632, nr. 12.
Vanwege de geringe bijdrage aan de bewijsbeslissing zal het EHRMvermoedelijk al snel aannemen dat een goede reden heeft bestaan om een getuigenverzoek af te wijzen.
Onderdeel 39 van de conclusie van AG Jörg bij HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 558.
Onderdeel 39 van de conclusie van AG Jörg bij HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 558. Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 27 632, nr. 12.
HR 6 maart 2012, NJ 2012, 367. Zie ook HR 2 oktober 2012, NJ 2012, 574.
In Kamerstukken II 2011/12, 33 176, nr. 6, p. 10 meende de VVD-fractie dat geen ondervragingsrecht zou moeten bestaan wanneer de spreekgerechtigde zich uitlaat over de op te leggen sanctie. De Staatssecretaris van Justitie meende echter dat de verdediging in dat geval wel een ondervragingsrecht toekomt. Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 176, nr. 9, p. 31.
Spanninga & Van Strien 2001, p. 428 menen dat het ondervragingsrecht onder meer van toepassing is wanneer de rechter de verklaring van de spreekgerechtigde in de strafmotivering betrekt.
In een conceptversie van wetsvoorstel 34 082 had de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voorgesteld om aan slachtoffer het recht te geven de rechter te adviseren over het nemen van de beslissingen op de vragen van artikel 350 Sv. Wanneer het slachtoffer van dat recht gebruik zou maken, zou het als getuige worden beëdigd. Daaraan zou het gevolg worden verbonden dat de verdediging het recht zou hebben om het slachtoffer te ondervragen. De Raad van State heeft negatief geadviseerd over dit deel van het conceptwetsvoorstel. Uiteindelijk is het gesneuveld.
Aanwijzing slachtofferzorg (Stct. 2010, 20476), p. 10.
HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 558.
HR 6 november 2012, NJ 2013, 86, r.o. 3.4.
Zie daarover ook onderdeel 4 van de noot van Borgers onder dit arrest.
Onderdelen 40-42 van zijn conclusie bij HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 558.
Onderdeel 5 van de noot van Borgers onder HR 6 november 2012, NJ 2013, 86. Zie onderdeel 3 van de noot van Cleiren onder HR 6 maart 2012, NJ 2012, 367 over de verschillen tussen de wettelijke regelingen met betrekking tot de schriftelijke slachtofferverklaring en de verklaring van de spreekgerechtigde.
Algemeen
Het begrip ‘getuige’ heeft in het Nederlandse strafrecht verschillende betekenissen.1 Wanneer iemand als getuige wordt opgeroepen of gehoord, is hij op formele gronden getuige: hij is getuige omdat hij in die hoedanigheid wordt opgeroepen of gehoord, ongeacht wat hij vervolgens zal verklaren. In de bewijsregeling (art. 342 lid 1 Sv) wordt het begrip materieel ingevuld. Een getuige is een persoon die bepaalde feiten of omstandigheden heeft waargenomen of ondervonden. Om een mededeling van een getuige als bewijsmiddel in de zin van artikel 342 lid 1 Sv te mogen gebruiken, is overigens tevens vereist dat de getuige een verklaring heeft afgelegd en wel tijdens het onderzoek ter terechtzitting.2
Het begrip ‘getuige’ in het ondervragingsrecht
In NJ 1994, 427 overwoog de Hoge Raad onder meer: ‘Een door enig persoon in het opsporingsonderzoek afgelegde en de verdachte belastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term "witnesses/ témoins" in art. 6, lid 3, aanhef en onder d, evrm, in het perspectief van het evrm aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld.’3 Vervolgens gaf de Hoge Raad aan in welke situaties waarin een tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde getuigenverklaring voor het bewijs wordt gebruikt, geen sprake is van onverenigbaarheid met artikel 6 lid 3 sub d evrm. Ik begrijp de overwegingen van de Hoge Raad zo dat voor wat betreft de betekenis van het woord ‘getuige’ wordt aangesloten bij de autonome betekenis van die term waar het ehrm vanuit gaat.
Aangezien het kennelijk de bedoeling van het arrest was om de Straatsburgse jurisprudentie te incorporeren in het Nederlandse strafrecht, ligt het ook voor de hand om die invulling van het begrip over te nemen. In theorie had dit een botsing kunnen opleveren met de invulling van de term ‘getuige’ als bedoeld in artikel 342 lid 2 Sv. Deze komt echter voor een belangrijk deel overeen met de Straatsburgse invulling. Zo wordt de verklaring van een medeverdachte in de zaak tegen de verdachte beschouwd als getuigenverklaring.4 Ook maakt het voor de vraag of een persoon als getuige wordt aangemerkt geen verschil of hij ter zitting of elders dan ter zitting heeft verklaard. Een verschil zou wel kunnen zijn dat deskundigen naar Nederlands recht niet als getuigen worden aangemerkt.5 Het ehrm lijkt daar een andere opvatting over te hebben.6 Problematisch hoeft dit niet te zijn, aangezien de Nederlandse regels over het ondervragingsrecht eenvoudigweg kunnen worden toegepast op deskundigen.7
Spreekgerechtigden
Sinds enige tijd hebben slachtoffers en nabestaanden in bepaalde gevallen het recht om ter zitting een verklaring af te leggen over de gevolgen die een strafbaar feit bij hen teweeg hebben gebracht (art. 51e leden 2 en 3 Sv). Deze personen worden in de parlementaire stukken uitdrukkelijk niet als getuigen aangemerkt. Verschaffen zij informatie die voor het bewijs kan worden gebruikt, dan kan hun verklaring op dat punt alleen worden gebruikt wanneer zij als getuigen worden beëdigd.8 De memorie van toelichting bij de wet die het spreekrecht invoerde, is heel duidelijk over de betekenis van het ondervragingsrecht: het ondervragingsrecht is niet van toepassing, omdat dat nadelige consequenties voor het slachtoffer zou kunnen hebben vanwege de mogelijkheid van secundaire victimisatie.9 In de memorie van antwoord wordt opgemerkt dat het ontbreken van het ondervragingsrecht in overeenstemming is met artikel 6 evrm, omdat de verdediging in haar pleidooi kan ingaan op hetgeen het slachtoffer heeft gezegd.10 Dat lijkt mij geen correcte redenering. Het kunnen ingaan op de verklaring van het slachtoffer is relevant vanwege het recht op een adversaire procedure, maar rechtvaardigt op zichzelf niet dat de verdediging het slachtoffer niet mag ondervragen.
In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat de verdediging wel via de rechter vragen kan laten stellen aan het slachtoffer. Bij een latere wijziging van de regeling is deze mogelijkheid tot ondervraging in de wet opgenomen. Volgens artikel 302 lid 1 Sv kan de verdediging door tussenkomst van de zittingsrechter vragen stellen aan de spreekgerechtigde, nadat deze zijn verklaring heeft afgelegd. De nota van wijziging waarbij deze bepaling is ingevoerd, legt uit dat hier sprake is van een verschil met getuigenverhoren. ‘In dit bijzondere geval dient de voorzitter te beoordelen of de nadere vragen die de officier van justitie en de verdediging aan het slachtoffer willen stellen, uitsluitend betrekking hebben op diens verklaring omtrent de gevolgen die het strafbaar feit voor hem heeft gehad en niet op andere vragen die mogelijk samenhangen met de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv.’11 Deze vorm van ondervraging mag mijns inziens niet gelijkgesteld worden met de ondervraging van een getuige.
De spreekgerechtigde wordt immers niet beëdigd als getuige, kan zonder verschoningsrecht weigeren te verklaren en kan niet worden gegijzeld. Hier is mijns inziens dan ook geen sprake van de toekenning van een ondervragingsrecht, maar slechts van een mogelijkheid om vragen te doen stellen.12
Van het uitgangspunt van de opstellers van het initiatiefwetsvoorstel dat het ondervragingsrecht niet van toepassing is, zal het ehrm zich weinig aantrekken. Dat zal – in het geval geklaagd wordt over het uitblijven van een effectieve ondervragingsgelegenheid ten aanzien van een spreekgerechtigde – zelf bepalen of de spreekgerechtigde als getuige moet worden aangemerkt in de autonome betekenis die het ehrm eraan geeft. In hoofdstuk 1 heb ik uiteengezet dat het bij belastende getuigen gaat om verklaringen die van belang zijn voor de beslissing van de rechter om de verdachte te veroordelen. Daarbij ging het tot nu toe in de ehrm-jurisprudentie alleen om het gebruik van de verklaring voor het bewijs. Het uitgangspunt van de opstellers van het initiatiefwetsvoorstel is, wellicht om deze reden, dat het ondervragingsrecht niet in het geding is wanneer een verklaring niet voor het bewijs wordt gebruikt.13 De formulering ‘where a deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction’ lijkt echter de essentie te vormen van de benadering van het ehrm.14 Omdat de verklaring van de spreekgerechtigde de beslissing van de rechter kan beïnvloeden,15 lijdt het volgens Machielse geen twijfel dat de spreekgerechtigde een getuige is in de autonome betekenis van het evrm.16 Ik onderschrijf deze opvatting.
Het antwoord op de vraag of het ondervragingsrecht is gerespecteerd ten aanzien van een spreekgerechtigde, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of en, zo ja, in welke mate de verklaring van de spreekgerechtigde door de rechter is gebruikt om een beslissing te onderbouwen.17 In veel gevallen zal de rechter de verklaring van de spreekgerechtigde buiten beschouwing laten bij het nemen van zijn beslissing. In dat geval is volgens de autonome invulling van het begrip ‘getuige’ door het ehrm geen sprake van een getuige, omdat de verklaring materieel gezien niet heeft bijgedragen aan de veroordeling. Het niet hebben kunnen ondervragen van de spreekgerechtigde levert dan geen schending van artikel 6 evrm op.
Het gebruik van de verklaring van de spreekgerechtigde door de rechter is in het algemeen niet verboden. Volgens de Aanwijzing slachtofferzorg kan de rechter ‘uit de eerste hand vernemen welke de gevolgen van het misdrijf zijn en bij zijn beslissing rekening houden met deze informatie.’18 Daarbij maakt het wel verschil voor welke soorten beslissingen de rechter de verklaring wenst te gebruiken. Dittrich, een van de opstellers van het wetsvoorstel, merkte tijdens de behandeling in de Eerste Kamer op dat de verklaring van de spreekgerechtigde niet mag worden gebruikt voor de beantwoording van de vragen van artikel 350 Sv.19 Uit de hiervoor aangehaalde nota van wijziging die betrekking had op artikel 302 lid 1 Sv, blijkt hetzelfde.20 De Hoge Raad had al eerder bepaald dat personen die ter zitting verklaringen afleggen die relevant kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, moeten worden beëdigd.21 Omdat verklaringen van spreekgerechtigden niet bijdragen aan de beantwoording van deze vragen, hoeven zij niet te worden beëdigd.
De Hoge Raad heeft, met een beroep op de parlementaire geschiedenis, bepaald dat de verklaring van de spreekgerechtigde niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt.22 Ook in de Aanwijzing slachtofferzorg wordt expliciet vermeld dat de verklaring niet aan het bewijs mag meewerken.23 In veel gevallen zal de verklaring van een spreekgerechtigde niet relevant zijn voor het bewijs, omdat de spreekgerechtigde uitsluitend mag aangeven wat de gevolgen van het strafbare feit voor hem zijn geweest. Afhankelijk van het type delict dat ten laste is gelegd, is het echter mogelijk dat zo’n verklaring bewijswaarde heeft. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het slachtoffer dat verklaart als gevolg van het door de verdachte toegebrachte letsel drie maanden niet te hebben kunnen werken. Wanneer artikel 308 Sr ten laste is gelegd, is dat een voor het bewijs relevante factor.24 De rechter die deze verklaring voor het bewijs wil bezigen, zal de spreekgerechtigde daarover onder ede moeten horen.
Mag de mondelinge slachtofferverklaring de rechterlijke overtuiging beïnvloeden? Volgens de tekst van artikel 338 Sv moet de rechter zijn overtuiging baseren op de wettelijke bewijsmiddelen. Rechters zullen zich praktisch gezien echter ook laten leiden door andere informatie. Zo kan ontlastend materiaal tot de overtuiging leiden dat de verdachte het feit niet heeft begaan. Ook de verklaring van een spreekgerechtigde kan de overtuiging beïnvloeden. Omdat de vraag naar de rechterlijke overtuiging een onderdeel is van de bewijsvraag, moet worden aangenomen dat het niet de bedoeling van de opstellers van het wetsvoorstel is geweest om de verklaring van de spreekgerechtigde invloed te laten hebben op de rechterlijke overtuiging. Er kan echter niet worden uitgesloten dat bepaalde uitlatingen van de spreekgerechtigde de overtuiging van de rechter mede bepalen. Daarop wees de Minister van Justitie in een brief aan de Tweede Kamer. Hoewel de spreekgerechtigde uitsluitend mag verklaren over de gevolgen van het strafbare feit, kan immers moeilijk worden voorkomen dat het slachtoffer ook iets zegt over de toedracht van het feit.25 In dit kader merk ik op dat doorgaans niet kan worden gecontroleerd waarop de rechter zijn overtuiging precies heeft gebaseerd, omdat hij deze niet hoeft te motiveren. Vanuit Straatsburgs perspectief zal het enkele gebruik van door de spreekgerechtigde verstrekte informatie in het kader van de overtuiging vermoedelijk niet problematisch zijn. Het is immers moeilijk voorstelbaar dat de bewezenverklaring in aanzienlijke mate is gebaseerd op een verklaring die niet als bewijsmiddel is gebruikt, maar uitsluitend de overtuiging mede heeft gevormd.26
Zoals gezegd, geldt als uitgangspunt dat de verklaring van de spreekgerechtigde niet magworden gebruikt voor de beantwoording van de vragen van artikel 350 Sv.27 Hoewel de straftoemetingsvraag de laatste vraag van artikel 350 Sv is, staat dit uitgangspunt niet in de weg aan het gebruik van de verklaring van de spreekgerechtigde in het kader van de straftoemeting.28 De Hoge Raad heeft het gebruik van de verklaring van een spreekgerechtigde voor de straftoemeting geaccepteerd:
‘De inhoud van die verklaring kan wel enige betekenis hebben bij de straftoemeting. Het is immers aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om bij de waardering van de feiten en omstandigheden welke hij voor de bepaling van de op te leggen straf van belang acht, te beoordelen in hoeverre hij het verantwoord en juist acht mede gewicht toe te kennen – en in welke mate – aan de bij het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden omstandigheden. Daarbij verdient opmerking dat de rechter het gewicht van de inhoud van de verklaring van het slachtoffer of diens nabestaande als bedoeld in art. 302 (oud) Sv en van de inhoud van de verklaring zal behoren te beperken tot een accentuering van het beeld dat reeds uit het (overigens) verhandelde ter terechtzitting is verkregen.’29
Wanneer een verklaring van een spreekgerechtigde inderdaad wordt gebruikt in een strafmotivering, dan valt de spreekgerechtigde vermoedelijk ook binnen het autonome begrip ‘getuige’ dat het ehrm hanteert.30 Het betreft dan immers een verklaring die heeft bijgedragen aan de beslissing van de rechter.31 In hoofdstuk 1 heb ik betoogd dat het gebruik van de getuigenverklaring voor de onderbouwing van de straf ook onder de werking van het ondervragingsrecht moet vallen. Tot nu toe heeft het ehrm zich daarover niet uitgelaten. Het gebruik van verklaringen van spreekgerechtigden zal overigens niet snel een schending van het ondervragingsrecht opleveren, vanwege de beperkte invloed op de straftoemeting die de Hoge Raad toestaat. De verklaring van de spreekgerechtigde mag immers slechts dienen ter accentuering van een beeld dat al op grond van ander bewijsmateriaal moet zijn ontstaan.32
Slachtoffers die een schriftelijke slachtofferverklaring hebben afgelegd
Slachtoffers kunnen niet alleen als spreekgerechtigde optreden ter zitting. Zij kunnen ook een schriftelijke slachtofferverklaring afleggen.33 In NJ 2011, 558 heeft de Hoge Raad bepaald dat zo’n verklaring wél voor het bewijs mag worden gebruikt.34 Het is dan duidelijk dat het ondervragingsrecht van toepassing is. In NJ 2013, 86 oordeelde de Hoge Raad dat een schriftelijke slachtofferverklaring ook in de strafmotivering mag worden gebruikt.35 Daarbij heeft hij niet aangegeven of – evenals ten aanzien van de ter zitting afgelegde verklaring van een spreekgerechtigde – geldt dat de invloed daarvan beperkt moet blijven.36
ag Jörg meent dat schriftelijke slachtofferverklaringen niet voor het bewijs zouden mogen worden gebezigd. De inhoud van de schriftelijke slachtofferverklaring hoort wat hem betreft niet af te wijken van de inhoud van een ter zitting als slachtoffer afgelegde verklaring. Het is dan merkwaardig dat ten aanzien van de schriftelijke variant andere regels gelden dan ten aanzien van de mondelinge variant. Daarbij komt dat het argument van bescherming van het slachtoffer ook met betrekking tot de schriftelijke variant geldig is.37 Borgers wijst er echter op dat niet duidelijk is afgebakend wat een schriftelijke slachtofferverklaring is. Het is goed mogelijk en formeel niet uitgesloten dat daarin over meer wordt verklaard dan slechts over de gevolgen die het ten laste gelegde feit bij het slachtoffer heeft gehad. Is dat het geval, dan zou de verklaring bewijswaarde kunnen hebben. Mogelijk heeft de Hoge Raad het gebruik van de schriftelijke slachtofferverklaring voor het bewijs of de straftoemeting niet aan banden gelegd omdat de wettelijke regeling daartoe geen aanleiding geeft.38