Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.3.1
3.3.1 De bedoeling van de wetgever
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296733:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Nog los van de ‘bijzondere’ personen, waaronder de producent, die later in dit hoofdstuk aan de orde komen.
Zo ook Rb. Amsterdam 16 mei 2007, JA 2007, 107, m.nt. Kolder (Valraam ziekenhuis).
Ook art. 6:175 inzake gevaarlijke stoffen behoorde destijds tot deze groep artikelen. Bij de zogenoemde ‘Stofkam-operatie’ in 1983 werd het ontwerp-art. 6:175 (art. 6.3.2.6 G.O.) evenwel geschrapt om later alsnog te worden ingevoerd als onderdeel van de Aanvullingswet 1995.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-746.
Parl. gesch. Boek 6, p. 747. Ik vraag mij overigens af of de term ‘versplintering’ in dit verband wel zo gelukkig is gekozen, aangezien daarmee gesuggereerd lijkt te worden dat de aansprakelijkheid bij gebreke van een regel als art. 6:181 uiteenvalt in kleine(re) fragmenten die ieder voor zich geen zelfstandige betekenis hebben. De bedoeling van de wetgever is niettemin duidelijk: de verschillende aansprakelijkheden zoveel mogelijk concentreren op een centraal adres.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 8-9.
In dezelfde zin Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 24.
‘Voor wat betreft de aansprakelijke persoon’, omdat art. 6:181 (enkel) ziet op het bepalen van degene op wie in het voorkomende geval de kwalitatieve aansprakelijkheid rust. Óf diens kwalitatieve aansprakelijkheid intreedt, hangt nog altijd af van de daartoe door art. 6:173, 174 en 179 gestelde materiële vereisten (o.a. gebrekkigheid, eigen energie). Met andere woorden, ook ingeval art. 6:181 toepasselijk is behouden bedoelde vereisten van art. 6:173, 174 en 179 hun gelding. Zie ook par. 4.6.1.
Zodra een in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaak door een ander dan de bezitter bedrijfsmatig wordt gebruikt in de zin van art. 6:181 en daarbij schade aanricht, dienen zowel de bezitter als bedrijfsmatige gebruiker van deze zaak zich als kwalitatief aansprakelijke aan.1 Het uitgangspunt in geval van samenloop is als gezegd een cumulatie van rechtsregels, hetgeen in dit verband zou betekenen dat bij toepasselijkheid van art. 6:181 steeds náást de bezitter óók de bedrijfsmatige gebruiker is belast met de aansprakelijkheid uit art. 6:173, 174 en 179. Uit de tekst van de betrokken wetsartikelen blijkt niet dat de wet zelf een voorschrift bevat dat een uitzondering op het uitgangspunt van cumulatie ‘voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt’.2 Ter beantwoording van samenloopvragen komt als gezegd ook betekenis toe aan de bedoeling van de wetgever, de systematiek van de betrokken wettelijke regelingen en overwegingen met betrekking tot maatschappelijke consequenties. Aandacht daarvoor is te herkennen in de parlementaire geschiedenis van art. 6:173, 174, 179 en 181. Omtrent de aansprakelijke persoon in geval van schade veroorzaakt door de door deze artikelen bestreken zaken, geeft de toelichting aan (MvA):3
‘In het gewijzigd ontwerp is voorts opnieuw aandacht besteed aan de vraag op wie de aansprakelijkheid op grond van de hier besproken artikelen behoort te rusten. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen enerzijds het geval dat de zaak, de stof, de opstal of het dier wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf en anderzijds het geval dat van een zodanig gebruik geen sprake is. Op het eerste geval heeft art. [6:181] betrekking (…). Voor het tweede geval wordt thans als hoofdregel in de artikelen [6:173, 174, 175 en 179] voorop gesteld, dat de aansprakelijkheid rust op de bezitter.’4
Ter illustratie van de wenselijkheid van de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker, geeft de MvA het voorbeeld van een explosie binnen een bedrijf waarvan de oorzaak niet in details opgehelderd kan worden:
‘Het is zeer wel denkbaar dat een ondernemer zijn bedrijf uitoefent op grond in een gebouw waarvan hij eigenaar noch erfpachter is, met machines die hij gehuurd heeft (leasing) en daarbij gevaarlijke stoffen verwerkt of bewerkt die al evenmin zijn eigendom zijn. Vindt in een dergelijk geval bijv. een explosie plaats, waarvan de oorzaak niet in details opgehelderd kan worden, dan moet zich ter vaststelling van de aansprakelijkheid niet een discussie hoeven te ontketenen of de schade nu is ontstaan door een gebrek van een zaak (of een bestanddeel) die door de grond is nagetrokken en waarvan dus de grondeigenaar bezitter was [art. 6:174], dan wel door een gebrek van een zaak die aan de ondernemer was verhuurd en waarvan dus de verhuurder bezitter was [art. 6:173], dan wel door een gevaarlijke stof die door een derde ter verwerking was gegeven [art. 6:175], dan wel door een zaak of een stof waarvan de ondernemer zelf bezitter was of door een fout van een persoon waarvoor hij krachtens de artikelen [6:170] of [art. 6:171] aansprakelijk is. Enerzijds zou dit de benadeelde – hoezeer men met de voormelde aansprakelijkheden stuk voor stuk aan zijn belangen tegemoet beoogt te komen – in de onbevredigende positie plaatsen dat hij tussen vele potentiële aansprakelijken zal moeten kiezen, terwijl de gevolgen voor hem zijn als hij verkeerd kiest. Anderzijds zou dit het risico aan de zijde van het bedrijf buitengewoon onoverzichtelijk maken. Door de aansprakelijkheid te concentreren bereikt men dat het als één risico kan worden berekend en verzekerd en dat de premie zijn bedrijfseconomische rol kan spelen waar zij dit behoort te doen, nl. als verliespost in het bedrijf dat het betreffende bedrijfsrisico loopt.’5
Art. 6:181 strekt ertoe in geval van bedrijfsmatig gebruik van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken, de kwalitatieve aansprakelijkheid te ‘concentreren’ bij het betreffende bedrijf. Wie door ‘het bedrijfsleven’ schade lijdt, kan zich volgens de toelichting namelijk geconfronteerd zien met een veelheid aan potentiële aansprakelijken. Art. 6:181 strekt ertoe benadeelden een lastige keuze tussen deze verschillende personen te besparen, door telkens een duidelijk aanwijsbare persoon met de aansprakelijkheid te belasten. Om discussie te voorkomen over de vraag door welke binnen het bedrijf aanwezige (gebrekkige) zaak of ‘foutief’ handelende persoon de schade precies is ontstaan en wie daarvoor kan worden aangesproken op basis van de afzonderlijke artikelen 6:173, 174, 179 (zaken) en/of art. 6:162 (personen), fungeert voor de benadeelde ingevolge art. 6:181 en art. 6:170/171 ‘het bedrijf’ steeds als centraal adres voor aansprakelijkheid. Tegelijkertijd is met art. 6:181 beoogd aan de belangen van (potentieel) aansprakelijken tegemoet te komen, door aansprakelijkheidsrisico’s te concentreren en overzichtelijk te maken met het oog op het (door)berekenen en desgewenst verzekeren daarvan. De toelichting spreekt in dit verband ook wel ervan dat art. 6:181 ertoe strekt in het belang van zowel benadeelden als (potentieel) aansprakelijken een ‘versplintering van aansprakelijkheid’ te voorkomen.6 Deze gedachte is bevestigd in de latere toelichting op de Aanvullingswet 1995 (MvT):7
‘In een reeks van bepalingen zijn de risicoaansprakelijkheden van afdeling 6.3.2, die van dit ontwerp daaronder begrepen, gekanaliseerd, in dier voege dat in beginsel ter zake van één gebeurtenis niet op meer personen tegelijk een risicoaansprakelijkheid rust. Dit is wenselijk zowel ter voorkoming van samenloopproblemen, die de aansprakelijkheid voor de slachtoffers onoverzichtelijk en derhalve als bescherming minder effektief maken, als ter voorkoming van de noodzaak één zelfde risico meermalen te verzekeren, hetgeen onnodige zware lasten op het bedrijfsleven legt. Deze gedachte wordt, voor wat Boek 6 betreft, tot uiting gebracht in de Parlementaire Geschiedenis, p. 744-747, punten 3 en 4. Zoals daar wordt gezegd, wordt het beoogde resultaat in belangrijke mate bereikt door (…) artikel [6:181].’ (curs. AK)
Anders dan in de toelichting op het Gewijzigd Ontwerp waarin art. 6:181 werd geïntroduceerd, spreekt de toelichting betreffende de problematiek van het aanwijzen van de kwalitatief aansprakelijke nu expliciet van ‘samenloop’. Ook wordt expliciet(er) aangegeven dat in het bijzonder met art. 6:181 wordt beoogd ter zake van hetzelfde schadefeit in beginsel steeds maar één persoon kwalitatief aansprakelijk te doen zijn. Waar in de toelichting op het Gewijzigd Ontwerp nog van ‘concentratie’ van aansprakelijkheid werd gesproken, wordt in de toelichting op de Aanvullingswet in relatie tot art. 6:181 gesproken van ‘kanalisering’ van aansprakelijkheid.8 Gelet op de bedoeling van de wetgever, de systematiek van het stelsel van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 alsook de volgens de totstandkomingsgeschiedenis relevante overwegingen met betrekking tot maatschappelijke consequenties (opspoorbaarheid aansprakelijke persoon, voorkomen dubbele verzekeringslasten), moge de strekking van art. 6:181 duidelijk zijn: in geval van toepasselijkheid van art. 6:181 rust ter zake van hetzelfde schadefeit niet tevens een aansprakelijkheid op de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde bezitter. Binnen het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 is cumulatieve aansprakelijkheid van bezitter én bedrijfsmatige gebruiker dus niet beoogd. Van alternativiteit, in de zin dat de benadeelde naar eigen inzicht een keuze mag maken welke rechtsgevolgen (hier: aansprakelijkheid van óf de bezitter óf de bedrijfsmatige gebruiker) hij wenst in te roepen, is evenmin sprake. Art. 6:181 heeft – voor wat betreft de aansprakelijke persoon – exclusieve werking ten opzichte van art. 6:173, 174 en 179,9 en maakt daarmee een uitzondering op het uitgangspunt dat in geval van ‘samenloop’ alle in aanmerking komende rechtsregels tegelijk toepassing vinden.