Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/4.7.2.4
4.7.2.4 Loon volgens Regeling dienstverlening aan huis: gerechtvaardigd personeelsbeleid?
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943602:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hofstede, De Correspondent 9 november 2018; Advies Commissie Kalsbeek 2014, p. 3; De markt voor dienstverlening aan huis 2014, p. 8.
SER-advies 20/06, p. 75.
De Regeling legde werkgevers een passieve opgaveplicht op (art. 7:655 lid 4 (oud) BW). De werkgever was dan pas verplicht tot gegevensverstrekking over o.a. het loon als de werknemer daartoe verzocht. Met implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1152 is deze uitzondering op de opgaveplicht vervallen. De richtlijn faciliteert geen afwijking van de opgaveplicht. Zie hierover Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. 3, p. 18 (MvT bij Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden).
Zie ook: SER-advies 20/06, p. 83; Platformisering en de kwaliteit van werk 2021, p. 100.
De regering heeft zich in 2021 uitgelaten over een aantal denkrichtingen voor de verbetering van de rechtspositie van huishoudelijk werkers. Daarbij overwoog zij dat platformen die louter bemiddelen niet in aanmerking komen, omdat de regering voor daadwerkelijke verbetering van belang acht dat de arbeidskracht op basis van een arbeidsovereenkomst bij een intermediair werkzaam is. Zie Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1047, p. 3.
Omdat aan het platform geen werk wordt uitbesteed, geldt het platform niet als intermediair in de context van het toetsingskader van een gerechtvaardigd personeelsbeleid. Als de Regeling van toepassing is, ontbreekt in principe een intermediair. De uiteindelijk begunstigde en arbeidskracht gaan direct een dienstverband aan. Het platform is in die arbeidsrelatie niet betrokken, wat dan ook een eerste reden is waarom van het platform niet verwacht kan worden gelijke behandeling te waarborgen. Het platform past het beleid waaruit de ongelijke behandeling voortkomt niet toe. De partij die het beleid wel toepast, is particulier. Gezien zijn aard en context als particulier kan deze werkgever niet geacht worden cao’s toe te passen en deel te nemen aan een (bedrijfstak)pensioenfonds. Voor particulieren is het vanzelfsprekend een grote (administratieve) last om gelijke behandeling met arbeidskrachten in de sector te waarborgen. De particulier is geen onderneming en wordt niet ondersteund door experts of adviseurs. Een dergelijke werkgever is qua kennis, ervaring en organisatie niet vergelijkbaar met commerciële, professionele werkgevers in de sector. Zoals de regering eerder overwoog, bestaat bij werkzaamheden die onder de Regeling vallen de keuze om het werk uit te besteden of dit als particulier zelf te doen. Met de Regeling beoogde de regering particulieren te stimuleren huishoudelijk werk uit te besteden. Relevant is dat de particulier werkgelegenheid creëert, maar geen professionele werkgever is.
In de context van de toetsing kan de particuliere werkgever gelijk gesteld worden met de partij die het beleid toepast, in de vorm van een intermediair, of met degene die de opdrachtgever is van de intermediair (de uiteindelijk begunstigde). De particulier vervult eigenlijk beide rollen. In ieder geval staat voorop dat wat betreft het loon toepassing van de Regeling noodzakelijk is, om gezien de aard en context van de particulier als intermediair en/of de gerechtvaardigde verwachtingen van de particulier als uiteindelijk begunstigde, legitieme doelstellingen te bereiken. Voor werknemers heeft de Regeling tot gevolg dat zij in ieder geval het wettelijk minimumloon moeten ontvangen, terwijl zonder de Regeling het werk vaak ‘zwart’ werd verricht en onder het minimumloon werd beloond. Arbeidskrachten hebben dus ook belang bij de Regeling, mits de Regeling ook daadwerkelijk wordt nageleefd en gehandhaafd. Dat aan de arbeidskracht ten minste het minimumloon betaald moet worden in plaats van ten minste het loon dat werknemers van ondernemingen voor vergelijkbaar werk krijgen is dus een gerechtvaardigd personeelsbeleid.
Het door de Regeling voorgeschreven minimumloon wordt lang niet altijd nageleefd.1 Dat hangt mogelijk samen met het feit dat de bekendheid van de Regeling beperkt is.2 Sinds augustus 2022 zijn ook werkgevers onder de Regeling verplicht aan de huishoudelijk werker een opgave te verstrekken conform art. 7:655 BW.3
De ongelijke behandeling gaat in de praktijk dus verder dan het verschil tussen een eventueel cao-loon en het wettelijk minimumloon. Het minimumloon is van dwingend recht en ook van particulieren mag, of eigenlijk moet, worden verwacht dat zij dat naleven. De handhaving op naleving van de regeling moet aangescherpt worden. De platformeconomie kan daar een behulpzaam middel in zijn.4 De platformen maken het werk zichtbaar en kunnen de overheid zo meer zicht bieden op de transacties daaromheen.5