Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.2.2
IV.8.2.2 Rechtsbescherming
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456771:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R. Foqué & A.C. ’t Hart, Instrumentaliteit en rechtshandhaving, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 15.
C.H. Brants, P.A.M. Mevis & E. Prakken, ‘Legitieme strafvordering: Rechten van de mens als inspiratie in de 21ste eeuw’, in: C.H. Brants, P.A.M. Mevis & E. Prakken (red.), Legitieme strafvordering: Rechten van de mens als inspiratie in de 21ste eeuw, Antwerpen: Intersentia 2001, p. 2. Zie ook G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandsestrafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 11-12.
A.A.G. Peters, Het rechtskarakter van het strafrecht, Deventer: Kluwer 1972, p. 7.
A.A.G. Peters, Het rechtskarakter van het strafrecht, Deventer: Kluwer 1972, p. 7.
Zoals opgemerkt dient verder ook altijd te worden beoordeeld of het middel vanuit een rechtsbeschermend perspectief toelaatbaar is.1 Brants, Mevis en Prakken merken op dat de staat een balancing act moet uitvoeren om het algemene belang – het bestrijden van criminaliteit – te dienen, terwijl ook de individuele vrijheid van de (verdachte) burger moet worden beschermd.2 Peters noemt in zijn oratie instrumentaliteit en rechtsbescherming respectievelijk de primaire en secundaire controle functie van het recht. Volgens hem is de normhandhavende functie van het strafrecht ‘relatief onproblematisch’.3 Een staat zonder strafrecht, en zonder opsporingsbevoegdheden, is ondenkbaar omdat dat leidt tot anarchie. Het strafrecht kan echter niet alleen volstaan met een handhavingsfunctie. De staat zou daardoor te veel macht ten opzichte van de burgers krijgen en dit levert een gevaar voor machtsmisbruik op. Het meest doelmatig-rationele strafrecht is niet altijd het meest behoorlijke strafrecht.4
De twee hierboven behandelde instrumentele maatstaven (effectiviteit en efficiëntie van opsporingsmethoden) laten bij nadere beschouwing zien dat het te eenvoudig is om het strafprocesrecht in te delen in de (veronderstelde) tegenpolen instrumentaliteit en rechtsbescherming. Effectiviteitsbeoordelingen van opsporingsmethoden zijn namelijk niet alleen instrumenteel, want een valide en betrouwbare bijdrage aan de waarheidsvinding is ook rechtsbeschermend. Het maakt het mogelijk dat het materiële strafrecht en opsporingsmethoden niet onnodig of onjuist worden toegepast. Het belang van efficiëntieberekeningen zijn ook niet volledig vanuit een instrumenteel perspectief te verklaren. Als rationele afwegingen worden gemaakt om efficiënte effectieve middelen in te zetten (in plaats van een ‘greep’ uit het arsenaal te doen op basis van enkel ervaringsregels), worden er mogelijkerwijs minder (grove) inbreuken op de rechten van de verdachte gemaakt. Het rechtsbeschermende karakter van (in de kern) instrumentele waarden van opsporingsmethoden moet overigens niet worden overschat. Het rechtsbeschermende aspect van de efficiëntie en effectiviteit van opsporingsmethoden versterken de positie van de verdachte, als object van onderzoek, ten opzichte van de autoriteiten namelijk niet. Zij stellen geen eisen aan de wijze waarop de autoriteiten opsporingsmiddelen inzetten. DNA-onderzoek is normaliter een valide methode en levert betrouwbare resultaten op. Daarbij is nog niets gezegd over de wijze waarop het lichaamsmateriaal wordt verkregen. Met andere woorden, er zijn vanuit een rechtsbeschermend perspectief voorwaarden nodig die de inzet van opsporingsmethoden reguleren, in aanvulling op voorwaarden (of neveneffecten) die ontstaan door efficiëntie en effectiviteit. Het betreft dan in het bijzonder de wijze waarop de verdachte door de autoriteiten wordt behandeld.
Hieronder worden vanuit een rechtsbeschermend perspectief voorwaarden opgesteld waaraan de inzet van opsporingsmethoden ten minste moet voldoen. Daarbij zijn de volgende mensenrechten nader uitgewerkt in de voorgaande drie hoofdstukken: (1) het recht op respect voor de menselijke waardigheid; (2) het recht op respect voor het privéleven en; (3) het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht. Hieronder leg ik de focus op de verschillen en overeenkomsten tussen deze mensenrechten zodat zij samen tot één kader worden gedistilleerd waarin twee rechtsbeschermende maatstaven naar voren komen: (1) een verbod op ongeoorloofde dwang mede; (2) ter bevordering en bescherming van autonome keuzes.
IV.8.2.2.1 De vergelijking van de bescherming door verschillende mensenrechtenIV.8.2.2.2 Rechtsbeschermende maatstaf: verbod op ongeoorloofde dwangIV.8.2.2.3 Rechtsbeschermende maatstaf: Autonomie