Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.1.2
1.1.2 De nog niet gewonnen delfstoffen en beplantingen
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485501:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
TM, PG boek 3, p. 66.
Zie voor een onderzoek naar de dieptegrens van grondeigendom: H.D. Ploeger & C.J.J.M. Stolker, ‘De ondertunneling van de HSL Boortunnels en de rechten van grondeigenaren’, WPNR 1997/6285, waarin hij stelt dat er in feite flexibele ondergrens is. De eigendomsgrens koppelen zij in dit artikel aan het gebruiksrecht van de grondeigenaar (neergelegd in art. 5:21 BW) dat onderworpen is aan praktische – technische en financiële – grenzen, maar ook aan juridische beperkingen van zijn exploitatievrijheid zoals het gebruik neergelegd in het bestemmingsplan.
Zie ook H.W. Heyman, ‘Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’?’ Een kritische noot bij het Portacabinarrest’, in: S.E. Bartels & J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 97.
Voor het tijdstip waarop de winning voltooid is, zie HR 13 januari 1933, NJ 1933, p. 530.
Art. 562 sub 3 Oud BW.
Art. 3 lid 1 Mijnbouwwet bepaalt dat delfstoffen eigendom zijn van de staat.
Zie TM, PG Boek 3, p. 67 en HR 10 december 1937, NJ 1938/335.
Grond is het uiterste vlak van de aardkorst en de zich onder dat vlak bevindende vaste lagen.1, 2 Het juridische uitgangspunt dat de grond de hoofdzaak vormt bij onroerende zaken, strookt niet (altijd) met de maatschappelijke opvatting dat men een huis koopt met daarbij de grond en niet de grond met daarop een huis. De reden voor dit uitgangspunt is administratief van aard: ons kadastrale stelsel is gebaseerd op percelen grond en niet op de opstallen die zich hierop bevinden.3 Dit is niet onlogisch nu de rechtstoestand van grond niet of nauwelijks aan veranderingen onderhevig is, terwijl dit niet gezegd kan worden van al hetgeen de mens aanbrengt op, in en boven deze grond.
De nog niet gewonnen delfstoffen maken onderdeel uit van de grond en zijn daarmee al onroerend.4 Toch was Meijers van mening dat, net als in het Oud BW,5 delfstoffen expliciet genoemd diende te worden. De reden hiervoor kan gezocht worden in de grote economische betekenis die aan delfstoffen toe kunnen komen. Aan wie de delfstoffen toebehoren wordt niet door art. 5:20 BW geregeld, maar door het mijnrecht.6
Ook de met de grond verenigde beplantingen zijn onroerend. Zaden en bollen die aangebracht zijn in de grond worden, blijkens de Parlementaire Geschiedenis, pas onroerend als door het uitlopen van wortels een organisch verband is gelegd.7 Beplantingen die bestemd zijn om slechts tijdelijk met de grond verbonden te zijn, zijn (zolang zij zich in de grond bevinden) wel onroerend.8 Voor beplantingen geldt op grond van art. 3:3 lid 1 BW geen vereiste van een duurzame verbinding met de grond.