Het pre-insolventieakkoord
Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/10.12.3:10.12.3 Klassenindeling
Het pre-insolventieakkoord 2016/10.12.3
10.12.3 Klassenindeling
Documentgegevens:
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 369 van het Voorontwerp bepaalt dat “schuldeisers met vorderingen en aandeelhouders met rechten die redelijkerwijs als gelijkaardig moeten worden aangemerkt” in dezelfde klassen worden ondergebracht.
Dit criterium is onjuist. Voor een deugdelijke klassenindeling is niet nodig dat gelijk geplaatste stemgerechtigden in dezelfde klasse worden geplaatst. Gelijk geplaatste stemgerechtigden kunnen zonder principieel bezwaar ook in aparte klassen worden geplaatst. Voor een deugdelijke klassenindeling is slechts vereist dat alle stemgerechtigden binnen een klasse in dezelfde positie verkeren. Zie voor een verdere toelichting paragraaf 4.3.1.
Verder is het voorgestelde criterium voor de vergelijkbaarheid van de posities van de stemgerechtigden onvolledig. Letterlijk gelezen laat het voorgestelde criterium immers toe dat crediteuren in dezelfde klassen worden ondergebracht die weliswaar “gelijkaardige” rechten hebben maar die onder het akkoord verschillend worden behandeld. Een klasse mag uitsluitend bestaan uit crediteuren die vergelijkbare rechten hebben én die het akkoord op vergelijkbare wijze behandelt. Crediteuren die gelijke rechten hebben, maar verschillend onder het akkoord worden behandeld, moeten in verschillende klassen worden ondergebracht. Zie hiervoor paragraaf 4.3.1.
Het zou aanbeveling verdienen om in de Toelichting op te nemen dat bij het vergelijken van de “gelijkaardigheid” van de rechten van schuldeisers, niet alleen acht kan worden geslagen op de rechten die de schuldeisers rechtstreeks tegen de schuldenaar kunnen uitoefenen, maar ook op de rechten die zij in hun onderlinge verhouding hebben. Daarbij valt met name te denken aan zogenaamde intercreditor afspraken tussen financiers in het kader van gesyndiceerde financieringen die beogen tussen de financiers een zekere rangorde aan te brengen en achterstellingsovereenkomsten waarbij de schuldenaar zelf geen partij is. Het zou mogelijk moeten zijn de onderscheiden crediteuren in verschillende (senior, mezzanine, junior, etc.) klassen te laten stemmen, ook al zijn de rechten die zij tegenover de vennootschap uitoefenen gelijkaardig.
Net zoals in het Engelse en Amerikaanse recht zou de rechter in het kader van de beoordeling van een verzoek tot algemeen verbindend verklaring de mogelijkheid moeten hebben om de stemmen van partijen wier stemgedrag primair is ingegeven door andere belangen dan de belangen die verband houden met de rechten die in de betreffende klasse zijn ondergebracht, buiten beschouwing te laten.1 Zie hiervoor paragrafen 4.3.3, 6.7, 7.8 en 7.11.3. Ook over de diskwalificatie van stemmen zou de rechter zich in een vroegtijdig stadium, vóór de stemming, bindend moeten kunnen uitlaten (zie ook hiervoor paragraaf 8.2.9).
Het huidige recht kent geen regels voor de splitsing van gesecureerde vorderingen in een gedekt en een ongedekt deel, zoals deze bestaan onder het Amerikaanse recht (bifurcation). Zie hiervoor paragraaf 6.7. Hoewel het Voorontwerp dit niet met zoveel woorden bepaalt, lijkt te moeten worden aangenomen dat gesecureerde crediteuren voor het eventueel ongedekte deel van hun vordering als concurrente crediteuren stemmen.2 Bij een geschil over de toelating tot de stemming kan de rechter bepalen voor welk deel de schuldeiser in een klasse van zekerheidsgerechtigden meestemt en voor welk deel hij meestemt in een klasse van concurrente schuldeisers (vgl. artikel 371 lid 2 Voorontwerp). Deze beslissing heeft louter betekenis voor de stemming en doet aan de verhaalbaarheid van de gehele vordering onder het zekerheidsrecht niet af. Zie in dit verband ook paragraaf 4.3.5 hierboven.