Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.4.3
1.4.3 Verruiming in het gewijzigd ontwerp van het opstalrecht
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487916:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie OM, PG Boek 5, p. 358.
Zie GO, PG Boek 5, p. 359. G.O. = Eindtekst.
“De Nederlandse Gemeente”, 1955, p. 556/7.
Zo vestigde men bijvoorbeeld een servituut, waarbij het bedrijf of de centrale installatie gold als heersend erf.
TM, PG Boek 5, p. 121.
De visie van Den Boer dat zaken die door middel van de vestiging van een opstalrecht niet langer nagetrokken worden door de grond, als roerend aangemerkt dienen te worden, kan mijns inziens geen stand houden. Zie: HR 23 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC559020.
De tweede verwijzing in de Parlementaire Geschiedenis voor het opnemen van de indirecte vereniging, is die naar de verruiming van het gewijzigd ontwerp van Boek 5: het opstalrecht. De definitie van het opstalrecht in het Ontwerp Meijers luidde aanvankelijk:
“Het recht van opstal is een zakelijk recht om op of in de grond van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben.”1
De verruiming van het gewijzigd ontwerp waarop gedoeld wordt in de toelichting bij art. 6:174 BW, is dat de tekst van het Ontwerp Meijers veranderd is in:
“het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen.”2
Deze aanpassing van de wettekst behelsde drie wijzigingen:
‘op of in’, wordt verruimd met ‘boven’;
‘de grond’ wordt vervangen door ‘een onroerende zaak’;
en aan het slot zijn de woorden ‘of te verkrijgen toegevoegd’.
Met name de verandering als genoemd onder 2. is in dezen van belang. Het ontwerp van Meijers betreffende het opstalrecht zag op de juridische mogelijkheid om een opstal van de grond af te scheiden. In de Parlementaire Geschiedenis is dit echter verruimd om gebouwen, werken of beplantingen van een onroerende zaak juridisch af te kunnen scheiden.
De reden voor deze verruiming blijkt uit de Memorie van Antwoord II:
“zelfs is denkbaar dat een leiding of ander werk zich bevindt op of boven een gebouw van een ander dat op zijn beurt weer op de grond van een derde staat (opstal op opstal). In verband met deze laatste mogelijkheid – men denke ook aan een leiding die door het gebouw van een ander moet worden getrokken – is ‘grond’ vervangen door: onroerende zaak.”
Hierbij wordt verwezen naar een opmerking in het voorlopig verslag bij 5.3.1 en een artikel in “De Nederlandse Gemeente”.3 In zowel de opmerking als in het artikel wordt erop gewezen dat men zich onder het oude recht met betrekking tot de eigendom van gas-, waterleiding- en rioleringsbuizen, alsmede elektriciteitskabels, zich met tamelijk gewrongen constructies behielp.4 Om die reden werd gepleit voor een uitbreiding van het recht van opstal om het mogelijk te maken dat ook kabels en buizen door middel van een opstalrecht verzelfstandigd zouden kunnen worden.
Deze verwijzing naar de uitbreiding van het opstalrecht voor wat betreft de toevoeging van de indirecte vereniging in art. 6:174 BW en art. 3:3 lid 1 BW, snijdt, in tegenstelling tot die naar het Kraanbalkarrest, wel hout. Het opstalrecht doorbreekt natrekking. Dit betekent dat het door de verruiming van de regeling betreffende het opstalrecht, mogelijk werd de eigendom te verkrijgen van een zaak die (bij het ontbreken van dit opstalrecht) op grond van art. 3:4 BW een bestanddeel is van de hoofdzaak. Indien de indirecte vereniging niet toegevoegd was aan art. 6:174 lid 3 BW zou de aansprakelijkheid van art. 6:174 BW zich niet uitstrekken tot de zaken die eigenlijk op basis van art. 3:4 BW bestanddeel waren van het gebouw, doch door middel van een opstalrecht verzelfstandigd zijn.
Hetzelfde geldt voor art. 3:3 BW. Bij het ontbreken van de indirecte vereniging in art. 3:3 BW zou men na het vestigen van een opstalrecht ten behoeve van de verzelfstandiging van een 3:4BWbestanddeel, kunnen betogen dat de zaak ten behoeve waarvan een opstalrecht is gevestigd, geen onroerende zaak (meer) is. Wanneer men deze redenering verder doortrekt, zou dit betekenen dat men door het vestigen van een opstalrecht bepaalde (voormalige) bestanddelen kan onttrekken aan het onroerende karakter van de hoofdzaak, met de nodige fiscale gevolgen van dien.5 Meijers stelt in zijn Toelichting expliciet dat dit niet de bedoeling is:
“Indien gebouwen, werken, beplantingen of delfstoffen krachtens bijzondere wettelijke regels voorwerp van afzonderlijk eigendom zijn, belet dit niet dat zij onroerend zijn, indien zij vallen onder de omschrijving van art. 3.1.1.2.”6 , 7