Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.5.3
2.5.3 Situaties waarin een pleitbaar standpunt is aangenomen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS573513:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.W.C. Feteris in zijn noot onder BNB 2004/75 onder 18, Lubbers en Poelmann 2007, p. 69, Bruijsten 2012-2, p. 370-371, De Bont en Vissers 2014, p. 20.
HR 23 september 1992, BNB 1993/193, r.o. 3.3.6; HR 22 april 1998, BNB 1998/201, r.o. 3.5; HR 2 september 1998, BNB 1998/337, r.o. 3.2; Hof ’s-Gravenhage 8 maart 1994, gepubliceerd in BNB 1995/158, r.o. 6.6; Hof ’s-Hertogenbosch 15 oktober 1998, V-N 1999/31.4, r.o. 5.2; Hof ’s-Gravenhage 28 juni 2001, gepubliceerd in BNB 2004/264, r.o. 6.6; Rb. Arnhem 17 januari 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BH2846; Rb. Arnhem 27 augustus 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG5994, r.o. 4.3.2; Hof ’s-Gravenhage 25 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2182, r.o. 7.6.3. Geen pleitbaar standpunt: Hof Amsterdam 31 januari 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0430, r.o. 5.2.2; Rb. Gelderland 29 januari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:457, r.o. 34.
HR 8 februari 2002, BNB 2002/150, ECLI:NL:HR:2002:AD9105, r.o. 3.3; HR 12 september 2003, BNB 2004/75, ECLI:NL:HR:2003:AE4480, r.o. 3.4; Rb. Haarlem 8 maart 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ1297, r.o. 4.7. Geen pleitbaar standpunt: Hof Leeuwarden 2 januari 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AF2744, r.o. 4.7.
HR 7 september 1988, BNB 1988/319, r.o. 4.4 en 4.5; Hof ’s-Gravenhage 26 oktober 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AR5377, r.o. 5.6 (een uitspraak na verwijzing); Hof Amsterdam 14 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0221, r.o. 4.5.6.3-4.5.6.4. Geen pleitbaar standpunt: HR 12 juli 2013, BNB 2013/200, ECLI:NL:HR:2013:32, r.o. 5; Hof Amsterdam 1 juli 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN2346, r.o. 4.10.
Voorts: Hof ’s-Hertogenbosch 15 juni 1988, V-N 1988/3155,30 (investering in gebouw of overig bedrijfsmiddel, investeringsrekening, strafmaatverweer); Hof Arnhem voorafgaand aan HR 20 juni 1990, gepubliceerd in V-N 1990/2207, 18, r.o. 4 (integratieheffing, omzetbelasting); Hof ’s-Gravenhage 11 februari 2003, gepubliceerd in BNB 2007/77, r.o. 6.8 (invulling zinsnede “door of namens” art. 16 Belastingverdrag Nederland-België 1970, loonbelasting); Hof Amsterdam 21 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4625, r.o. 5.9.3 (loon in de vorm van een recht of recht op loon, loonbelasting); Hof Amsterdam 12 december 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4176, r.o. 2.13.4. (bedrijfsmiddel, kapitaalsbelasting); Rb. Haarlem 14 januari 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BH0107, r.o. 4.7. (eigenbouwer, omzetbelasting); Rb. Arnhem 15 december 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BM0914 (bovenafdichtingsconstructie, afvalstoffenbelasting); Hof Arnhem 2 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO4476, r.o. 4.13 (dienst, omzetbelasting); Hof Amsterdam 12 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4634, r.o. 5.14.3 (landbouwvrijstelling, invulling zinsnede “waarschijnlijk binnenkort”, inkomstenbelasting); Hof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:723, r.o. 4.7 (invulling zinsnede “uitsluitend bestemd voor goederenvervoer”, belasting zware motorvoertuigen).
HR 11 november 2005, BNB 2006/147, ECLI:NL:HR:2005:AU6018, r.o. 3.5. Voorts: Hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8428, r.o. 4.8.
HR 10 maart 1999, BNB 1999/308; HR 2 maart 2012, BNB 2012/123, ECLI:NL:HR:2012:BP3858; HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091; Hof ´s-Hertogenbosch 25 april 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6625, r.o. 4.13; Rb. Breda 1 september 2008, ECLI:NL: RBBRE:2008:BK9160, r.o. 4.5.3; Rb. Haarlem 8 maart 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ1297, r.o. 4.7; Hof Amsterdam 7 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4633, r.o. 6.8-6.10, 6.15 (strafmaatverweer).
Volgens HR 20 december 2002, BNB 2003/101, ECLI:NL:HR:2002:AE4369, r.o. 3.6 is er echter geen sprake van een pleitbaar standpunt als dat standpunt inhoudt dat een bepaling van het gemeenschapsrecht in strijd is met een hogere regel van het gemeenschapsrecht.
Art. 1 Protocol 1 EVRM. Rb. ’s-Gravenhage 13 juli 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7876, r.o. 25. De belastingplichtige heeft in deze zaak zowel strijdigheid met het unierecht als met art. 1 Protocol 1 gesteld. Uit de uitspraak is niet op te maken of de rechtbank het beroep op strijdigheid met het unierecht pleitbaar achtte, het beroep op strijdigheid met art. 1 Protocol 1, of beiden.
Hof ’s-Hertogenbosch 1 maart 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ4338, r.o. 4.10. Zie ter illustratie HR 11 juli 2014, BNB 2014/223, ECLI:NL:HR:2014:1623. In deze zaak was echter geen boete opgelegd.
Hof Arnhem 2 december 1997, gepubliceerd in BNB 2000/19, r.o. 4.9; Hof Amsterdam 18 mei 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AX2429, r.o. 5.8; Rb. Arnhem 24 maart 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP8954; Rb. Haarlem 12 oktober 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BV3499, r.o. 4.11-4.13; Rb. Haarlem 19 april 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW3602, r.o. 4.11-4.13. Anders: Rb. Breda 20 november 2006, NTFR 2007/1043, r.o. 4.3.1; Rb. Zeeland-West-Brabant 8 oktober 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:6530, r.o. 4.9. Ook anders: Rb. Noord-Holland 6 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11321, r.o. 4.36, maar het Hof Amsterdam heeft de boete alsnog vernietigd bij uitspraak van 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4098, r.o. 4.5.6.
P.F.E.M. Merks, ‘Chinese wasmachines, Nederlandse kapitaalsbelasting en fraus legis’, WFR 2004/6586, p. 1087, M.W.C. Soltysik, ‘Misbruik, sale and lease van roerende zaken en de lageprijs-variant met onroerende zaken’, WFR 2008/6752, p. 166-167, J.D. Baron en R.S. Bekker, ‘The usual suspects: doen geloven dat een aan fraus legis gekoppelde boete niet bestaat’, WFR 2014/7068, p. 1292-1294.
HR 10 februari 2012, BNB 2012/127, ECLI:NL:HR:2012:BK1057, r.o. 3.3.1. R.E.C.M. Niessen, ‘Fraus legis in de 21e eeuw’, NTFRB 2011-6, p. 6, De Blieck e.a. 2015, p. 416.
In de fiscale boetejurisprudentie is in de eerste plaats – en het meest – tot een pleitbaar standpunt geconcludeerd in situaties waarin een bepaling uit het nationale recht of uit het unierecht een begrip bevat dat niet nader is omlijnd (een open norm) of dat verschillend kan worden uitgelegd,1 zoals bijvoorbeeld het begrip woon- of vestigingsplaats in de zin van art. 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR),2 het begrip levering in de omzetbelasting3 of het moment waarop inkomsten worden genoten in de inkomsten- en loonbelasting.4,5 Ook in situaties waarin een bepaling een leemte achterlaat omdat zij niet in bepaalde omstandigheden voorziet, is een pleitbaar standpunt aangenomen. Zo is bijvoorbeeld bij de invulling van het begrip “gebruikelijk loon” in de inkomsten- en loonbelasting niet duidelijk geweest of de wetgever rekening heeft willen houden met de omstandigheid dat een aanmerkelijkbelanghouder in een groep van vennootschappen meer dienstbetrekkingen kan hebben. Het standpunt dat bij zo’n aanmerkelijkbelanghouder slechts één keer het gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen is door de belastingkamer van de Hoge Raad als pleitbaar aangemerkt.6
In de tweede plaats is tot een pleitbaar standpunt geconcludeerd in situaties waarin sprake lijkt van conflicterende bepalingen. Dit betreft voornamelijk situaties waarin de belastingplichtige aan de hand van een eenieder verbindende bepaling uit het unierecht tevergeefs een zekere interpretatie of toepassing van een bepaling uit het nationale belastingrecht heeft verdedigd of tevergeefs heeft gesteld dat een zekere interpretatie of toepassing van een bepaling uit het nationale belastingrecht strijdig is met een eenieder verbindende bepaling uit het unierecht. Deze situaties doen zich vooral voor bij bepalingen uit de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en uit de Wet op de omzetbelasting 1968.7,8 Deze situaties doen zich vooral voor bij bepalingen uit de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en uit de Wet op de omzetbelasting 1968.
Een pleitbaar standpunt is voorts, hoewel ik daar slechts één voorbeeld van heb gevonden, aangenomen in de situatie waarin de belastingplichtige tevergeefs heeft gesteld dat toepassing van een bepaling uit het nationale belastingrecht in strijd is met een eenieder verbindende bepaling uit een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, in het betreffende geval met het recht op ongestoord genot van eigendom.9
Daarnaast is een pleitbaar standpunt mogelijk geacht, hoewel ik ook daar slechts één voorbeeld van ben tegengekomen, in de situatie waarin de belastingplichtige tevergeefs heeft gesteld dat een bepaling uit de lagere nationale wetgeving, in het betreffende geval het Uitvoeringsbesluit Belastingen van Rechtsverkeer 1971, in strijd is met een wet in formele zin.10
In de derde plaats is een pleitbaar standpunt zowel in de jurisprudentie als in de literatuur aangenomen in situaties waarin de inspecteur met succes fraus legis of misbruik van recht heeft gesteld.11,12 Fraus legis en misbruik van recht vormen bijzondere methoden van rechtsvinding waarbij de belastingrechter de vastgestelde feiten uitsluitend ten behoeve van de belastingheffing of -betaling zodanig aanpast, dat zij alsnog onder de tekst van de wet vallen.13 De belastingheffing of -betaling wordt hierbij derhalve niet meer aan de hand van de vastgestelde feiten bepaald, maar aan de hand van de ten behoeve van de toepassing van het belastingrecht aangepaste feiten. De rechter gaat hier uitsluitend toe over als de aan de vastgestelde feiten verbonden fiscale gevolgen in strijd zijn met doel en strekking van de wet en belastingverijdeling de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het samenstel van de verrichte rechtshandelingen die aan de belastingverijdeling ten grondslag hebben gelegen.