Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4.2.3
3.4.2.3 De gedragsnorm bij grove schuld in het fiscale boeterecht
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS569904:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie wat de invulling van de gedragsnorm uit onderliggende normen betreft ter illustratie: Hof Amsterdam 23 januari 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AO3462, r.o. 5.2-5.5; Hof ’s-Hertogenbosch 17 augustus 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:BA4961, r.o. 4.12; Hof Leeuwarden 11 mei 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BA5194, r.o. 4.5; Hof ’s-Hertogenbosch 26 september 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0094, r.o. 4.6-4.7; Hof Amsterdam 12 februari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BH5916, r.o. 2.4.2; Hof Amsterdam 15 april 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3205, r.o. 2.13.1; Hof Arnhem 17 maart 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BH7812, r.o. 4.5; Hof Arnhem 15 juni 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ9236, r.o. 4.27. Zie wat de criteriumfiguur betreft ter illustratie: HR 9 december 1987, BNB 1988/75, r.o. 4.6; Hof ’s-Gravenhage 27 februari 1979, BNB 1980/147; Hof Arnhem 17 april 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA3970, r.o. 5.7-5.11; Hof Amsterdam 14 januari 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL1525, r.o. 6.7; Hof Amsterdam 20 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP4630, r.o. 4.11 en 4.13.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft reeds in een arrest van 16 mei 1956, BNB 1956/208 geoordeeld dat schuld of onachtzaamheid onvoldoende zijn, er moet sprake zijn van grove schuld of onachtzaamheid. In een arrest van 23 juni 1976, BNB 1976/199 heeft de belastingkamer daaraan toegevoegd dat er sprake moet zijn van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Deze formulering heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in arresten van 4 juli 1990, BNB 1991/131, r.o. 4.2. en 10 juni 2011, BNB 2011/224, ECLI:NL:HR:2011:BQ7628, r.o. 3.3. herhaald.
A.O. Lubbers en E. Poelmann, ‘Afbakeningsproblemen rondom ‘grove schuld’ en ‘opzet’, TFB 2007/02, p. 61-64.
Dit kan normen betreffen waarvan de overtreding ook zelf beboetbaar of strafbaar is gesteld.
A-G Van Soest merkte in een conclusie voorafgaand aan HR 5 oktober 1983, BNB 1984/168 in r.o. 7 op: “De rechter die over de feiten oordeelt, wordt daarbij niet zelden voor de taak gesteld te oordelen over het inzicht dat van de belastingplichtige, met zijn geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling, omtrent het belastingrecht en omtrent de relevante feiten verlangd mag worden.”, Lubbers en Poelmann 2007, p. 61-64.
HR 14 maart 1979, BNB 1979/118: “… terwijl zij zonder meer niet vermag te verklaren, waarom belanghebbende toen (hij zijn aangifte deed, MK) dermate zwaarwegende gronden zou hebben gehad om te veronderstellen dat die vergoeding tot zijn belastbaar inkomen zou kunnen behoren, dat het nalaten zich daaromtrent zekerheid te verschaffen hem als een grove, dat wil zeggen: een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid zou moeten worden aangerekend.”; HR 2 juni 1982, BNB 1982/186. R.E.C.M. Niessen, ‘Ambtelijk verzuim, pleitbaar standpunt en andere verhalen in verband met lijfrente en levensverzekering’, WFR 1989/5866, p. 526.
Illustratief is naar mijn mening Hof Amsterdam 20 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP4630, r.o. 4.13: “Het zich niet of niet voldoende informeren door een inhoudingsplichtige kan onder omstandigheden dermate ernstig zijn dat aan de desbetreffende inhoudingsplichtige het verwijt van grove schuld kan worden gemaakt. Of dit het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij van belang kunnen zijn de voorlichting die door de Belastingdienst of door de beroepsorganisatie(s) waartoe de desbetreffende inhoudingsplichtige behoort is verstrekt (…). Daarbij geldt als uitgangspunt dat hoe hoger (in absolute bedragen) de verstrekte kostenvergoedingen per werknemer zijn en/of naarmate het aantal werknemers aan wie de vergoedingen wordt uitbetaald hoger is, op het gebied van de informatieplicht meer van de inhoudingsplichtige mag worden verlangd. Ook de aard van het door de inhoudingsplichtige uitgeoefende bedrijf speelt een rol. Zo zal van inhoudingsplichtigen die zich bezig houden met dienstverlening op juridisch gebied meer mogen worden gevraagd als het gaat om de uitleg van wetsbepalingen en door het bestuursorgaan daaromtrent verschafte voorlichting.”
Zie wat de toelichting betreft bijvoorbeeld HR 2 juni 1982, BNB 1982/186; Hof Arnhem 20 mei 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AP1452, r.o. 9; Hof Leeuwarden 8 juni 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BA7115, r.o. 4.3, Hof Amsterdam 12 februari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BH5916, r.o. 2.4.2, wat de correctie of waarschuwing door de inspecteur betreft bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 30 november 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9159, r.o. 4.6; Hof ’s-Hertogenbosch 17 juni 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ9819, r.o. 4.14, wat eerdere toepassing van de wet- en regelgeving betreft bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7649, r.o. 4, wat de mate van ingewikkeldheid van de regelgeving betreft bijvoorbeeld Hof Amsterdam 21 april 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AO8472, r.o. 4.2, wat de tot onderzoek nopende transactie betreft bijvoorbeeld Hof Arnhem 20 december 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AF3880, r.o. 4.10 en wat de ongeloofwaardige interpretatie of advies betreft HR 9 december 1987, BNB 1988/75, r.o. 4.6; Hof ’s-Hertogenbosch 24 september 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP4015, r.o. 4.9.
Niessen 1989, p. 526: “Van des rechters kennis omtrent de in de maatschappij levende gevoelens wordt veel gevergd!”
Vertaald naar het fiscale boeterecht houdt het begrip grove schuld bij de boete bij navordering en naheffing in dat een belastingplichtige vanuit het oogpunt van boeteoplegging voor de onjuiste belastingheffing of -betaling verantwoordelijk wordt gehouden, terwijl de wil van die belastingplichtige niet op die onjuiste heffing of betaling gericht is geweest. Omdat de wil tot de onjuiste heffing of betaling ontbreekt, steunt het verwijt op het niet naleven van een gedragsnorm van voorzichtig of zorgvuldig gedrag die de belastingplichtige had kunnen en moeten volgen.
Deze gedragsnorm wordt samengesteld met behulp van de onderliggende normen die voorafgaand en tijdens het doen van een aangifte in acht moeten worden genomen. Later in deze paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Voorts wordt de gedragsnorm aan de hand van een criteriumfiguur toegesneden op de belastingplichtige.1 Van een beursgenoteerd bedrijf kan en mag bijvoorbeeld meer worden verwacht dan van een kleine onderneming. Tot slot is van de gedragsnorm afwijkend gedrag op zich nog niet voldoende om in het fiscale boeterecht tot grove schuld te komen. Voor grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid vereist.2
Ten behoeve van de samenstelling van de gedragsnorm zijn in het belastingrecht verschillende onderliggende normen aan te wijzen.3 Hierbij maak ik een onderscheid tussen normschendingen die leiden tot feitelijke onjuistheden en normschendingen die leiden tot onjuistheden die voortkomen uit onjuiste interpretatie of toepassing van het recht.
Feitelijke onjuistheden kunnen bijvoorbeeld zijn veroorzaakt door het niet naleven van onderliggende geschreven, al dan niet wettelijke normen met betrekking tot het voeren en bewaren van de administratie, zoals bijvoorbeeld de bewaarplicht van art. 52 lid 4 AWR.4 Daarnaast kunnen feitelijke onjuistheden zijn veroorzaakt doordat de belastingplichtige niet de zorgvuldigheid heeft gehanteerd die van hem kan en mag worden verwacht, bijvoorbeeld bij het overnemen van gegevens in de aangifte.
Onjuistheden die voortkomen uit onjuiste interpretatie of toepassing van het recht kunnen zijn ontstaan doordat de belastingplichtige, in strijd met de zorgvuldigheid die van hem kan en mag worden verwacht, geen onderzoek heeft gedaan naar de toepasselijke bepalingen uit het belastingrecht.5 Deze onderzoeksplicht lijkt in het fiscale boeterecht niet hoog afgesteld. Volgens de belastingkamer van de Hoge Raad kan onjuiste interpretatie of toepassing van belastingrecht pas leiden tot grove schuld als er voor de desbetreffende belastingplichtige redelijkerwijs aanleiding zou moeten zijn om te vermoeden dat de aangifte onjuist is.6 Of van een dergelijke aanleiding kan worden gesproken, hangt af van de desbetreffende belastingplichtige, de toepasselijke wet- en regelgeving en de overige omstandigheden van het geval.7 Een toegankelijke voorlichting door de belastingdienst of een andere gezaghebbende instantie, een eerdere correctie of waarschuwing door de inspecteur, eerdere ervaringen van die belastingplichtige met de desbetreffende wet- en regelgeving en de mate van ingewikkeldheid van de wet- en regelgeving kunnen daarbij een rol spelen, maar bijvoorbeeld ook de omstandigheid dat de belastingplichtige een zodanige transactie is aangegaan dat onderzoek op zijn plaats was, of de omstandigheid dat hij een op het eerste gezicht ongeloofwaardige interpretatie of een advies van een onbetrouwbare bron heeft gevolgd.8
In de literatuur is opgemerkt dat het subjectieve oordeel van de rechter, ontleend aan diens kennis omtrent de in de maatschappij levende gevoelens, doorslaggevend zal zijn voor het oordeel dat er aanleiding was om te vermoeden dat de aangifte onjuist is.9 Dit sluit aan bij de hiervoor in paragraaf 3.4.2.2 gemaakte opmerking dat schuld niet alleen wordt ingevuld door de feiten en omstandigheden van het geval, maar ook wordt ingevuld aan de hand van normen die aansluiten bij in de maatschappij levende opvattingen.
Voor het ontbreken van grove schuld geldt niet als voorwaarde dat de onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht pleitbaar is. Het is voldoende dat de belastingplichtige redelijkerwijs niet had hoeven te vermoeden dat zijn aangifte onjuist is.