Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.6.4:3.6.4 Rechtvaardiging van de verkeersopvatting als leidend criterium voor bestanddeelvorming
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.6.4
3.6.4 Rechtvaardiging van de verkeersopvatting als leidend criterium voor bestanddeelvorming
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486710:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer een op een dak geplaatst zonnepaneel bestanddeel wordt van het huis, heeft dit tot gevolg dat op grond van art. 5:3 BW de eigenaar van het huis, tevens eigenaar wordt van het zonnepaneel. Door natrekking gaat het eigendomsrecht ten aanzien van de hoofdzaak mede het bestanddeel omvatten.
Wanneer de zonnepanelen geleverd zijn onder eigendomsvoorbehoud en de koopprijs (nog niet) volledig is voldaan, kan de verkoper de panelen niet meer revindiceren op grond van zijn eigendomsvoorbehoud. De zonnepanelen zijn immers hun zakenrechtelijke zelfstandigheid verloren. Dit heeft tevens tot gevolg dat eventuele beperkte rechten, die rustten op de zonnepanelen eveneens teniet gaan. Eventuele beperkte rechten die rusten op de hoofdzaak gaan mede de nagetrokken zaak omvatten. Natrekking kan om die reden verstrekkende juridische gevolgen hebben en dient om die reden met terughoudendheid toegepast te worden.
Het gebruik van de verkeersopvatting als criterium voor bestanddeelvorming zou idealiter tot gevolg hebben dat datgene waarvan men in het maatschappelijk verkeer vindt dat het onderdeel van een andere zaak uitmaakt, ook juridisch zo behandeld wordt. Enkel wanneer immers de algemene opvatting in het maatschappelijk verkeer is dat iets onderdeel uitmaakt van een andere zaak, kan dit eigendomsverlies rechtvaardigen. Daarbij dient dit de rechtszekerheid, in die zin dat men ervan uit mag gaan dat hun zakenrechtelijke recht al hetgeen omvat, dat onderdeel van die zaak uitmaakt. Wanneer ik een auto overgedragen krijg, hoef ik me niet af te vragen of tot de eigendom ook wel het stuur en de versnellingsbak behoren. In dit kader stelt Heyman naar mijn mening terecht, dat het zijns inziens gerechtvaardigd is om een waardeoordeel over het natrekkingsbeginsel in de eerste plaats aan het al dan niet wenselijke van dit rechtsgevolg te verbinden.1 Dit zal in het navolgende hoofdstuk nog uitvoerig besproken worden.
Op grond hiervan dient geconcludeerd te worden dat men niet te star vast dient te houden aan de aanwijzingen zoals geformuleerd in het arrest Dépex/Curatoren. Het zijn immers niet voor niets aanwijzingen. Aanwijzingen voor de vraag of iets als één zaak, c.q. juridisch geheel te gelden heeft. Betekent dit dat men ervan uit mag gaan dat indien een huis te koop staat, waar op het dak zonnepanelen geplaatst worden, dat deze zonnepanelen erbij horen? Ja. Mocht men het eigendomsrecht ten aanzien van een zonnepaneel veilig willen stellen ook nadat deze gemonteerd is op een dak, is het gezien het bovenstaande raadzaam een opstalrecht te vestigen.2
Conclusie
In dit hoofdstuk stond natrekking door onroerende zaken op grond van art. 3:4 BW centraal. Art. 3:4 BW geeft twee manieren waarop een zaak bestanddeel kan worden van een andere zaak: het maatschappelijke criterium van de verkeersopvatting in lid 2 en het fysieke criterium in lid 2, dat bepaalt dat al hetgeen zodanig verbonden is met een zaak dat het niet zonder beschadiging van betekenis aan één van beide zaken afgescheiden kan worden bestanddeel is van die zaak.
Bij de totstandkoming is veel discussie geweest over het criterium van de verkeersopvatting voor de vraag of een zaak bestanddeel is van een andere zaak. Opvallend is dat er in de Parlementaire Geschiedenis niet is gediscussieerd over de vraag of het tweede lid van art. 3:4 lid 2 BW niet geschrapt kan worden, aangezien al hetgeen zodanig verbonden is met een andere zaak dat het niet zonder beschadiging van betekenis aan één der zaken afgescheiden kan worden, naar verkeersopvatting bijna altijd ook bestanddeel zal zijn van die zaak.
Aan de hand van het voorbeeld van de rijtjeshuizen is geïllustreerd dat het voor kan komen dat er op grond van art. 3:4 lid 2 BW sprake is van bestanddeelvorming, maar dat dit doorkruist kan worden door de verkeersopvatting. Een huis uit een blokje van rijtjeshuizen wordt juridisch als zelfstandige entiteit gezien, omdat het een voldoende zelfstandige zaak is.
Bij botsing tussen de leden 1 en 2 van art. 3:4 BW zal naar verkeersopvatting beoordeeld dienen te worden of een zaak op grond van art. 3:4 BW bestanddeel is (geworden) van een andere onroerende zaak. De verkeersopvatting is derhalve het leidend criterium voor bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW.
Hiermee is de verkeersopvatting ook leidend voor de vraag of er sprake is van horizontale natrekking in de zin van art. 5:20 lid 1 sub e BW, laatste zinsnede.
Aan de hand van de verkeersopvatting zal beoordeeld dienen te worden of een grensoverschrijdend gedeelte van een gebouw of werk (horizontaal) nagetrokken wordt door het overige gedeelte van dat gebouw of werk, of dat er ter hoogte van de erfgrens een verticale splitsing van het eigendomsrecht plaatsvindt.
Tot slot is de verkeersopvatting ook doorslaggevend indien er onduidelijkheid bestaat over door wélk perceel een grensoverschrijdend bouwwerk nagetrokken wordt.
Aan het gebruik van de verkeersopvatting als criterium voor bestanddeelvorming zijn voor- en nadelen verbonden. Indien de verkeersopvatting echter niet als criterium in de wet neergelegd was, zou een rechter er bij twijfel gevallen niet aan ontkomen om de verkeersopvatting te hanteren, ter beoordeling van de vraag of iets bestanddeel is van een andere zaak of niet.
Tot slot is de rechtvaardiging van de verkeersopvatting als criterium voor bestanddeelvorming besproken. Indien een zaak bestanddeel is van een andere zaak, dan wordt deze nagetrokken door de hoofdzaak. Hierdoor is het bestanddeel niet langer een zelfstandige, juridische entiteit en vervallen alle zakenrechtelijke rechten die rustten op deze voormalige zaak. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben, welke gevolgen enkel gerechtvaardigd kunnen worden indien de zaak in het maatschappelijk verkeer ook gezien wordt als een bestanddeel van een andere zaak.
In het navolgende hoofdstuk zal de verhouding van art. 3:3, 3:4, 5:3 en 5:20 BW besproken worden en zal aandacht besteed worden aan de ratio achter het in art. 5:3 BW neergelegde eenheidsbeginsel.