Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.6.2
3.6.2 Bronnen van de verkeersopvatting
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481894:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: P. Memelink, De verkeersopvatting (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 93-95.
HR 14 februari 1992, NJ 1993/623 (Hinck/Van der Werff & Visser).
Ook in het arrest Sleepboot Egbertha na de Hoge Raad een wettelijk voorschrift te hulp om vast te stellen dat de scheepsmotor bestanddeel was geworden van de sleepboot. Zie: HR 26 maart 1936, NJ 1936/757 (Sleepboot Egbertha).
HR 14 februari 1992, NJ 1993/623 (Hinck/Van der Werff & Visser),r.o. 3.5.
Vaststelling van ‘de verkeersopvatting’ kan een uitdagende taak zijn voor een rechter. De vraag is immers hoe de verkeersopvatting bepaald wordt. Indien het gaat om bepaalde technische feiten kan de rechter een deskundigenbericht of een bewijsopdracht gelasten. In de praktijk wordt dit echter zeer zelden gedaan.1
De rechter kan ook onderzoek doen naar de vraag of er sprake is van een ‘standaardopvatting’ die leeft in de praktijk over bepaalde feitelijke situaties, bijvoorbeeld middels getuigenverhoren. In sommige gevallen kan een rechter de inhoud van de verkeersopvatting ook baseren op een wettelijke regeling. Zo was de vraag in het arrest Hinck/Van der Werff2 of een drijvend casco een schip is.3 De Hoge Raad oordeelde:
“Uit het wettelijk stelsel met betrekking tot schepen, in het bijzonder uit de art.309 (oud), 312 (oud), 318 (oud) en 318k (oud) K, volgt dat het casco van een schip, als schip in aanbouw, reeds moet worden aangemerkt als een schip en dat de identiteit van dit schip niet verandert doordat het wordt afgebouwd en wordt voorzien van voortbewegingswerktuigen en navigatie-apparatuur.”4