Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.6.3
3.6.3 Voor- en nadelen van het gebruik van de verkeersopvatting
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486709:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: S.C.J.J. Kortmann, ‘Rechtsvraag: Bodembeslag door de fiscus’, AA 1983, afl. 3, p. 328.
Zie S.E. Bartels en J.M. Milo, ‘Open normen in het goederenrecht’, in: S.E. Bartels & J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 1.
P. Memelink, ‘De verkeersopvatting’, AA 2010, afl. 9, p. 658.
Zie tevens: B.G.P. Rogmans, ‘Over de betekenis van verkeersopvattingen in het nieuw BW’, in: A.T. Dek, E.G. Folten & M.A.T. Schroots (red.), Ex iure: veertien opstellen bij het veertiende lustrum van Societas Iuridica Grotius en de vierhonderdenvijfde geboortedag van Grotius (Grotius-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1987, p. 155.
Zie: S.E. Bartels en J.M. Milo, Open normen in het goederenrecht, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Boom den Haag 2000, p. 19 en H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, Ars Aequi Libri, 1999, p. 39.
Zie ook: B.G.P. Rogmans, ‘Over de betekenis van verkeersopvattingen in het nieuw BW’, in: A.T. Dek, E.G. Folten & M.A.T. Schroots (red.), Ex iure: veertien opstellen bij het veertiende lustrum van Societas Iuridica Grotius en de vierhonderdenvijfde geboortedag van Grotius (Grotius-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1987, p. 155.
Zie ook H.J. Rossel, ‘De verkeersopvatting’, in: T. Hartlief, A.H.T. Heisterkamp & W.H.M. Reehuis (red.) CJHB (Brunner-Bundel), Deventer: Kluwer 1994, p. 339.
Zie ook H.J. Rossel, ‘De verkeersopvatting’, in: T. Hartlief, A.H.T. Heisterkamp & W.H.M. Reehuis (red.) CJHB (Brunner-Bundel), Deventer: Kluwer 1994, p. 339.
Aan het gebruik van de verkeersopvatting kleven zowel voor- als nadelen. Enerzijds geeft een open norm als de verkeersopvatting een rechter de mogelijkheid om in een concreet geval een beslissing op maat te maken.1
Daartegenover staat dat dit betekent dat een rechterlijk oordeel afhangt van de omstandigheden van het geval, hetgeen rechtsonzekerheid met zich kan brengen, nu er geen sprake is van een zogenaamde ‘hard and fast rule’.2 Memelink stelt dat rechtsonzekerheid en willekeur op de loer liggen en dat het gevaar bestaat dat de verkeersopvatting gehanteerd wordt als machtswoord of dooddoener en zo kan verworden tot een soort toverformule, waarmee ieder gewenst resultaat beargumenteerd kan worden.3 Het oordeel van de rechter zal echter (als het goed is) door hantering van de verkeersopvatting meer in overeenstemming zijn met de concrete, maatschappelijke werkelijkheid.4 Daarbij is het flexibel, zodat het recht, c.q. de rechtsontwikkeling ‘bij de tijd gehouden kan worden’.5 Een ander voordeel van het gebruik van de verkeersopvatting is dat een rechter een startpunt heeft voor de concrete rechtsvorming en het in dezen niet gaat om een subjectief billijkheidsoordeel van een rechter.6
Er zijn echter zeker ook nadelen te noemen. Zo kan de bron van de verkeersopvatting lastig te bepalen zijn. Zo zal een rechter voorzichtigheid dienen te betrachten bij de vaststelling van de verkeersopvatting, zodat hij zich niet baseert op veronderstelde opvattingen in de praktijk, maar zich baseert op signalen uit de praktijk.7 Tot slot bestaat nog het gevaar dat er geen sprake is van een ‘standaardopvatting’ in een kring van personen die regelmatig betrokken zijn bij feitelijke situaties zoals in de litigieuze kwestie.8 Het zullen immers juist veelal de ‘twijfelsituaties’ zijn waarover geprocedeerd wordt.
Niettegenstaande bovengenoemde nadelen, zal ik in het navolgende bespreken waarom het gebruik van de verkeersopvatting mijns inziens als criterium voor bestanddeelvorming gerechtvaardigd is.