De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.7:2.2.7 Beroepsbeoefenaren
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.7
2.2.7 Beroepsbeoefenaren
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS387988:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ook al zou men zich kunnen afvragen of de makelaar in onroerend goed handelt vanuit ideële overwegingen.
Zie de website van de Kamer van Koophandel, te raadplegen via:<http://kvk.nl:80/handelsregister/041_Registrerenin_handelsregister/welkeondernemingenmoetenzichinschrijven/Lijstvanvrijeberoepen.asp>.
Zie hierover ook Tervoort 2015, p. 49.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu de omschrijving van het begrip ‘beroep’ is gegeven, resten op het gebied van de definiëring en afbakening nog twee vragen:
Wie kunnen nu precies, op basis van deze definitie worden aangemerkt als beroepsbeoefenaren?
Welke van deze beroepsgroepen zullen in dit onderzoek worden betrokken?
Waar er, zoals hiervoor besproken, in de wet, literatuur en jurisprudentie geen eensluidend antwoord te vinden is op de vraag wat ‘het beroep’ inhoudt, zijn er in een aantal bronnen wel lijsten te vinden waarin wordt opgesomd wie is aan te merken als een beroepsbeoefenaar. Een voorbeeld hiervan is de in paragraaf 2.2.3 reeds aangehaalde WEM, die tegenwoordig, zoals gezegd, geen rechtskracht meer heeft. In artikel 1a lid 1 WEM werden vierentwintig beroepsbeoefenaren aangewezen, waaronder de huisarts, de medisch specialist, de tandarts, de apotheker, de dierenarts, de bouwkundig architect, de raadgevend ingenieur, de notaris, de advocaat, de registeraccountant, de makelaar in onroerend goed en de organisatieadviseur. Ondanks dat deze wet geen rechtskracht meer heeft, kan deze opsomming wel van toegevoegde waarde zijn voor een antwoord op de in het kader van dit onderzoek belangrijke vraag, wie nu precies als beroepsbeoefenaren gezien kunnen worden. De meeste van de opgesomde beroepen voldoen namelijk aan de kenmerken van de hiervoor in paragraaf 2.2.6 geformuleerde definitie.1
De Kamer van Koophandel heeft ook een lijst met beroepen opgesteld. Naast de beroepen die al opgesomd werden in artikel 1a lid 1 WEM, staat er op deze lijst ook een aantal beroepen waarvan men zich kan afvragen of deze inderdaad zijn aan te merken als een beroep. Zo duidt de Kamer van Koophandel ook de alternatieve genezer, kunstenaar, leraar, redacteur en tolk-vertaler aan als beroepsbeoefenaren.2 Deze vormen van werkzaamheden vallen in ieder geval niet onder de definitie van het beroep zoals die in dit onderzoek geformuleerd is. Voor een kunstenaar bijvoorbeeld bestaat geen plicht tot permanente educatie en een alternatieve genezer is niet per definitie hoog opgeleid. Gezien de onenigheid en onduidelijkheid die bestaat over de ‘algemene’ definitie van het beroep, is discussie hierover uiteraard goed mogelijk.
In dit onderzoek is ervoor gekozen om vier groepen beroepsbeoefenaren te betrekken. Van deze vier groepen staat op grond van de parlementaire geschiedenis, de jurisprudentie en de literatuur, maar in het bijzonder op grond van de in paragraaf 2.2.6 opgestelde definitie vast dat zij een beroep uitoefenen. Het betreft artsen (meer specifiek: medisch specialisten), juristen (meer specifiek: advocaten en notarissen), architecten en accountants. Deze beroepsbeoefenaren worden ook wel gezien als de ‘klassieke’ beroepsgroepen.3 Zij voldoen niet alleen aan alle kenmerken van de hiervoor opgestelde werkdefinitie van het beroep; zij hebben, naar mijn mening, ook de meeste baat bij een onderzoek naar de optimale rechtsvorm voor de samenwerking tussen hen. In de praktijk zullen het namelijk vooral deze beroepsgroepen zijn die met grote (financiële) belangen te maken hebben. Bijvoorbeeld op het fiscale vlak, maar ook op het gebied van de (beroeps)aansprakelijkheid. Voor deze groepen is de praktische en economische relevantie van dit onderzoek het grootst omdat in de praktijk blijkt dat het met name deze groepen zijn die van de maatschap overstappen naar een andere rechtsvorm. Bovendien volgt de relevantie van dit onderzoek voor deze groep beroepsbeoefenaren ook uit de aanzienlijke hoeveelheid jurisprudentie die er beschikbaar is over hun beroepsaansprakelijkheid. Daarnaast blijkt de relevantie uit de deontologie van de verschillende beroepsgroepen. Deze deontologie zal in de volgende paragraaf worden besproken.
Voor de vier ‘klassieke’ beroepsgroepen is ook gekozen omdat op die manier, naar mijn mening, de grootste gemene deler uit het onderzoek gehaald kan worden. Gezamenlijk vormen deze beroepsgroepen namelijk een doorsnede van alle beroepsbeoefenaren. Zo kan bijvoorbeeld de fysiotherapeut tot de medische groep van beroepsbeoefenaren gerekend worden en zou de organisatieadviseur zich kunnen identificeren met het beroep van belastingadviseur, ook al geven zij advies op andere gebieden.
Overigens zal in dit onderzoek in beginsel de beroepsbeoefenaar ‘in het algemeen’ centraal staan. De vier genoemde beroepsgroepen zullen slechts apart worden besproken voor zover er ten aanzien van hen bijzonderheden gelden.