De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.5:2.2.5 Het beroep in de literatuur en officiële publicaties van vakorganisaties
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.5
2.2.5 Het beroep in de literatuur en officiële publicaties van vakorganisaties
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS391509:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Ven 1960, p. 7.
Mohr 1998, p. 71.
Kamerstukken II 2005/06, 30656, nr. 3, p. 28 (MvT).
Van Solinge 1988, p. 281-282.
CEPLIS is de Europese koepelorganisatie van vrije-beroepsbeoefenaren.
Zie de website van de Raad voor het Vrije Beroep, te raadplegen via: <www.raadvoorhetvrijeberoep.nl>.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor al gezegd, is ook in de literatuur geen allesomvattende en eenduidige definitie van het begrip ‘beroep’ terug te vinden. Door velen is wel al geprobeerd een omschrijving te geven.
‘Het vrije beroep is een maatschappelijke structuurvorm voor dienstverlening van hoog gekwalificeerde aard, waarin het commercialiserende moment zoveel mogelijk wordt vermeden en de economische en juridische zelfstandigheid van de dienstverlener een waarborg oplevert voor eisen van onafhankelijkheid, toewijding, vertrouwen (etc.), die het maatschappelijk verkeer in bijzondere mate voor bepaalde diensten pleegt te stellen’, aldus de omschrijving van Van der Ven.1
Volgens Mohr is een beroepsbeoefenaar iemand die primair handelt uit ideële overwegingen en die regelmatig en in gegarandeerde onafhankelijkheid maatschappelijk werkzaam is op een terrein waarop het, gezien de existentiële belangen die aan hem door derden worden toevertrouwd, vooral aankomt op hoogontwikkelde persoonsgebonden kwaliteiten en die ook juist daarom wordt gezocht.2 Ook de Kamer van Koophandel heeft, met het oog op de invoering van de nieuwe Handelsregisterwet, een omschrijving van de beroepsbeoefenaar gegeven.3 Volgens de Kamer is een beroepsbeoefenaar iemand die wordt gevraagd vanwege zijn individuele, persoonlijke kwaliteiten, die liggen op artistiek of academisch/hbo-niveau. Dit houdt in dat hij voor zijn werkzaamheden niet een ander mag sturen.
Van Solinge noemt in zijn bijdrage uit 1988 ook een aantal, volgens hem, kenmerkende eigenschappen van het (vrije) beroep. Kenmerkend voor het (vrije) beroep acht hij ten eerste de aard van de werkzaamheden. Volgens Van Solinge is beroepsuitoefening gericht op dienstverlening. Een tweede kenmerk van het beroep dat Van Solinge noemt, is het persoonlijke karakter van die dienstverlening. Ook als de beroepsbeoefenaar deel uitmaakt van een samenwerkingsverband staat dit persoonlijk karakter voorop, aldus Van Solinge. Dit blijkt, volgens hem, onder meer uit het feit dat een van de vennoten de directe verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de opdracht, ook al gaat de maatschap van beroepsbeoefenaren een overeenkomst tot dienstverlening aan met een opdrachtgever. Tot slot noemt Van Solinge als kenmerk dat de beroepsbeoefenaar niet in openlijke concurrentie treedt.4
De naar mijn mening meest volledige en heldere omschrijving van het (vrije) beroep is die van de Raad voor het Vrije Beroep. Deze maakt gebruik van de zogenoemde CEPLIS-definitie.5 De CEPLIS-definitie luidt als volgt:
‘Vrije beroepsbeoefenaren verlenen op een persoonlijke en onafhankelijke basis intellectuele diensten en dragen daarvoor alleen de verantwoordelijkheid. Zij verlenen hun diensten op grond van hun speciale professionele bevoegdheid, in het belang van hun cliënten en in het algemeen belang. De beroepsuitoefening is onderworpen aan specifieke, professionele verplichtingen volgens nationale wetgeving, of volgens op autonome wijze door de relevante beroepsorganisatie opgestelde regelgeving, welke de kwaliteit en de professionele en vertrouwelijke aard van de relatie met de cliënt garandeert en bevordert.’
Naast deze CEPLIS-definitie maakt de raad bij zijn omschrijving van het beroep gebruik van vijf EU-kwaliteitseisen. De eerste EU-kwaliteitseis is dat de dienstverlening hoofdzakelijk bestaat uit een intellectuele prestatie. Daarnaast zijn bij de uitoefening van een beroep voorafgaande opleiding en permanente educatie zeer belangrijk. Ook draagt de beoefenaar persoonlijk verantwoordelijkheid en dient de dienstverlening op onafhankelijke wijze plaats te vinden waarbij de beroepsbeoefenaar handelt in zowel het belang van zijn cliënt, als in het algemeen belang. De laatste eis is ten slotte dat beroepsuitoefening onderworpen is aan regulering, hetzij bij wet, hetzij bij privaat- of publiekrechtelijke regeling van de betrokken beroepsorganisatie.6