Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.2
2.2.2 Het beroep in de (parlementaire) geschiedenis
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390336:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Meijers 1935 p. 1.
Wet van 2 juli 1934, Stb. 347.
Asser-Maeijer 5-V, p. 34
Mohr 1998, p. 70, Kamerstukken I 1933/34, 72, nr. 2, p. 3.
Mohr 1998, p. 72.
Huizink 2014, p. 20.
Kamerstukken II 1933/34, 72, nr. 2, p. 6 (MvA).
De jaarvergadering ging over de vraag: ‘Is het wenselijk wettelijke maatregelen te treffen tot beperking van de aansprakelijkheid van beoefenaren van het vrije beroep?’.
Wessels 1989, p. 5.
Hamers & Van Vliet 2007, p. 24.
Over dit standpunt van de wetgever werd in de literatuur (ook toen al) kritisch gedacht. Het is immers de vraag in hoeverre dit standpunt vol te houden is voor bijvoorbeeld de commerciële advocatuur.
Mohr 1998, p. 74-75.
De juridische geschiedenis van het beroep begint op 2 juli 1934. Op deze datum werd bij wet het toentertijd in het Wetboek van Koophandel bestaande onderscheid tussen handelsdaden en niet-handelsdaden en tussen kooplieden en niet-kooplieden afgeschaft.
Deze onderscheidingen werden niet meer passend bevonden bij de maatschappelijke ordening.1 Het sterk op de voorgrond plaatsen van koop als de handeling die het handelsrecht typeert was, volgens de wetgever, een miskenning van de betekenis die – naast de koophandel – de industrie, het verkeer, de op bedrijfstechnische grondslagen rustende landbouw en tal van andere beroepen in het maatschappelijke verkeer verkregen hadden. In plaats van het onderscheid tussen de (niet-)kooplieden en de (niet-)handelsdaden, werd voortaan een onderscheid gemaakt tussen diegenen die een beroep uitoefenden en diegenen die een bedrijf hadden.2
Het begrip ‘beroep’ was volgens de wetgever een algemeen begrip dat mede het ‘bedrijf’ omvatte. Beroep is dus het genus van het species bedrijf. Helaas treffen we in de parlementaire geschiedenis bij de Wet van 2 juli 1934, en in deze wet zelf, geen definitie van het begrip ‘beroep’ aan. Het begrip ‘bedrijf’ wordt wel gedefinieerd. Een bedrijf werd volgens de wetgever uitgeoefend wanneer de betrokkene regelmatig en openlijk in zekere kwaliteit optreedt om voor zichzelf winst te behalen.3 Overigens was de minister toentertijd in eerste instantie van mening dat het verschil tussen beroep en bedrijf (en dus de betekenis van beide begrippen) het beste door verkeersopvattingen zou kunnen worden bepaald. Op aandringen van de Tweede Kamercommissie heeft hij later toch de begrippen geprobeerd af te bakenen. Volgens de minister was het verschil tussen beide begrippen dat het bij beroepsuitoefening om regelmatige maatschappelijke werkzaamheid gaat en bij bedrijfsuitoefening om een beroep waarbij niet de persoonlijke kwaliteiten van de beoefenaar op de voorgrond staan.4
Met betrekking tot de verkeersopvatting werd het verschil tussen beroep en bedrijf niet gemaakt door middel van juridische criteria, maar door middel van traditioneel bepaalde sociologische noties.5 De tweedeling vindt haar oorsprong in de uit de negentiende eeuw stammende beeldvorming van personen die werkzaam waren uit roeping (bijvoorbeeld de arts en de notaris) en anderen die werkten om geld te verdienen. Diegenen die werkzaam waren uit roeping kregen hiervoor vaak geen beloning, eventueel ontvingen zij zogenoemd ‘eregeld’. Het zou de beroepsbeoefenaar niet om het geld te doen zijn. Daarnaast zou hij door cliënten worden benaderd om zijn persoonlijke bekwaamheid, integriteit of anderszins.6 Belangrijk voor het verschil tussen beroep en bedrijf was de maatschappelijke status die (een bepaalde vorm van) beroepsbeoefening had. Over het ‘cachet’ dat door het publiek aan een bepaalde persoonlijke of ambtelijke hoedanigheid werd toegekend, zei minister Van Schaik in 1934 het volgende:
‘De omstandigheid dat de diensten van de geneesheer, hetzelfde geldt ook voor de advocaat of de procureur, om zijn persoonlijke kwaliteiten, dat die van de notaris en de deurwaarder om zijn ambtelijke hoedanigheid gezocht worden, geeft aan het optreden een bijzonder karakter, dat, naar de opvatting van het verkeer, met de uitoefening van een bedrijf onverenigbaar is. Omdat men twijfelen kan, of door de accountant bewezen diensten een dergelijk speciaal cachet bezitten, dubieert men, of deze een bedrijf dan wel een beroep uitoefent. Als de accountantsfirma zo georganiseerd is, dat individuele kwaliteiten van de firmanten op de achtergrond blijven en de verleende hulp een geheel onpersoonlijk karakter krijgt, kan zij terecht gezegd worden een bedrijf uit te oefenen.’7
In 1987 hebben ook de preadviseurs voor de jaarvergadering van de NJV8 geen definitie van het beroep kunnen geven. Zoals preadviseur Arisz toen echter ook al terecht heeft opgemerkt: ‘ook zonder precieze definitie is het vrije beroep een maatschappelijke realiteit.’9
Ook in de wetsgeschiedenis van titel 7.13 is nooit een definitie gegeven van het begrip ‘beroep’. Wel is er een en ander opgemerkt over het verschil tussen een beroep en een bedrijf. Zo werd het verschil tussen beroep en bedrijf in het eerste wetsontwerp van titel 7.13 van Van der Grinten in 1972 gehandhaafd.10 De reden hiervoor was dat de wetgever toen nog van de gedachte uitging dat de v.o.f. van oudsher de rechtsvorm is voor de uitoefening van een onderneming. Met onderneming werd toen bedoeld een bedrijf met een winstoogmerk. De v.o.f. was daarmee volgens de wetgever geen geschikte rechtsvorm voor beoefenaren van een beroep, omdat zij immers juist niet (primair) een winststreven11 hebben. Daarnaast wilde de wetgever het verschil tussen beroep en bedrijf in stand houden, omdat de bepalingen met betrekking tot de v.o.f. niet zouden stroken met het persoonlijke karakter van de uitoefening van een beroep.12
In het laatste wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.1313 was het verschil tussen beroep en bedrijf komen te vervallen. De belangrijkste reden hiervoor was dat de wetgever vond dat dit onderscheid te moeilijk te maken is en er te veel grensgevallen zijn.14
In de parlementaire geschiedenis is dus geen definitie van het beroep terug te vinden. Wel kunnen op grond van de hiervoor beschreven historische achtergrond een viertal historische kenmerken van het begrip ‘beroep’ worden gedestilleerd. Ten eerste dient het om een maatschappelijke werkzaamheid te gaan. Bij deze werkzaamheid staan de persoonlijke kwaliteiten van de beroepsbeoefenaar voorop. Daarnaast heeft een beroepsbeoefenaar van oudsher een maatschappelijke functie waaraan een bepaalde status wordt toegekend. Ten slotte is het behalen van winst, van oudsher, niet het primaire doel van diegenen die een beroep uitoefenen. Het voornaamste doel van beroepsbeoefenaren was, in ieder geval van oudsher, het dienen van een maatschappelijk belang.