Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.4
2.2.4 Het beroep in de jurisprudentie
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386776:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor meer over de invulling van het begrip ‘beroep’ in de literatuur paragraaf 2.2.5.
HR 2 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4358, NJ 1983/429, p. 1.
Ktr. Bergen op Zoom 13 april 1994, ECLI:NL:KTGBOZ:1994:AG1014, JAR 1995/51.
HvJ EG 19 februari 2002, C-309/99, NJ 2002/425 (Wouters/Algemene Raad van de Orde van Advocaten).
Rb. Dordrecht 23 januari 2007, ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ6789, GJ 2007/67.
HR 2 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4358, NJ 1983/429.
Hierna: de Stichting.
HR 2 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4358, NJ 1983/429, p. 1
HR 2 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4358, NJ 1983/429, p. 2 Deze stelling baseert de Hoge Raad waarschijnlijk op de MvT bij de Handelsregisterwet waar ook de A-G in zijn conclusie naar verwijst. Hij zegt: ‘Op p. 6 van de voormelde MvT volgt de voor het onderhavige geschil niet onbelangrijke aantekening: “Beroep en bedrijf zijn niet twee begrippen, die elkaar uitsluiten. De uitoefening van een beroep kan zoo geschieden, dat zij wordt tot de uitoefening van een bedrijf.”’
Van Solinge 1988, p. 280-281.
Van Solinge 1988, p. 281.
HR 2 april 1982, NJ 1983/ 429, p. 9.
HR 2 april 1982, NJ 1983/429, p. 6.
Zoals in paragraaf 2.2.2 besproken, vond de minister in 1934 bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Koophandel in eerste instantie dat de betekenis van de hierbij nieuw ingevoerde begrippen ‘beroep’ en ‘bedrijf’ door verkeersopvattingen moest worden bepaald. In 1938, toen juridisch Nederland het eeuwfeest van het Burgerlijk Wetboek vierde, schreef Visser in het Gedenkboek Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van deze wet, dat het de taak van de wetenschap en rechtspraak was om de nieuwe begrippen hun juiste betekenis te geven. Toen al merkte Visser op: ‘Zoo heel eenvoudig zal dit niet zijn… .’ Die voorspelling is uitgekomen. In de literatuur1 heeft men nooit consensus bereikt over de invulling van het begrip ‘beroep’. Ook de rechter heeft zich altijd redelijk terughoudend opgesteld ten aanzien hiervan. Er zijn geen uitspraken te vinden waarin is getracht een omschrijving te geven van het begrip ‘beroep’. Wel heeft de rechter vaak beroepen benoemd in zijn uitspraken. In geen van deze zaken was echter de directe rechtsvraag of men te maken had met een beroepsbeoefenaar of niet. De meeste zaken speelden in het kader van een geschil met de Kamer van Koophandel over de inschrijfplicht (is er sprake van een onderneming?). Daarnaast gaat het om procedures die werden gevoerd door beroepsorganisaties of zaken waarin een beroepsfout centraal stond, waarin de rechter tevens (en ‘terloops’ dus zonder te bespreken op basis van welke criteria) bevestigde dat er sprake was van beroepsuitoefening. Zo heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 2 april 1982 de accountant aangewezen als beroepsbeoefenaar (in een geschil met de KvK over inschrijving).2 In 1995 deed de Kantonrechter Bergen op Zoom3 ditzelfde voor belastingadviseurs en meer recent heeft het Europese Hof van Justitie ook advocaten aangewezen als beroepsbeoefenaren (geschil met de Orde van Advocaten).4 Daarnaast bepaalde de Rechtbank Dordrecht (in het kader van een beroepsfout) dat ook de huisarts een beroep uitoefent.5
Slechts eenmaal heeft de Hoge Raad een (civiel) arrest gewezen waarin hij wat duidelijker het onderscheid tussen beroep en bedrijf heeft aangegeven.6 In deze zaak stond de vraag centraal of aan een stichting (de Stichting Accountant- en Belastingadviesbureau NCB7), een onderneming toebehoorde in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef van de destijds van kracht zijnde Handelsregisterwet. De vraag of sprake was van een onderneming speelde omdat slechts ‘ondernemingen’ op grond van de Handelsregisterwet in het register moe(s)ten worden ingeschreven. De Stichting betoogde dat zij geen onderneming was, omdat zij geen bedrijf maar een beroep uitoefende (en wel in het bijzonder het beroep van accountant) en bovendien niet het maken van winst beoogde.8
De Hoge Raad oordeelde, in overeenstemming met de uitspraken van de kantonrechter en de rechtbank, dat de Stichting als een inschrijfplichtige onderneming moest worden aangemerkt. Dit omdat, volgens de Hoge Raad, de Stichting gelet op haar statutaire doelomschrijving een pakket aan diensten aanbood aan eenieder waardoor zij in het economisch verkeer in concurrentie trad met anderen die op dit gebied werkzaam waren. Hiermee kon volgens de Hoge Raad een bedrijfsmatig karakter niet worden ontzegd aan de Stichting. Daarbij liet de Hoge Raad de grens tussen beroep en bedrijf die, zoals wij hiervoor al zagen, van oudsher werd bepaald door de aard van de activiteiten, afhangen van de wijze waarop de uitoefening van de activiteiten is georganiseerd.9 Want, zo vond de Hoge Raad: ‘de organisatie en activiteiten van de Stichting zijn gericht op een zodanige deelneming aan het economische verkeer dat de belangen die de in de Handelsregisterwet neergelegde inschrijvingsplicht beoogt te beschermen (in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid in het economisch verkeer) vorderen dat die inschrijvingsplicht ook in het onderhavige geval geldt.’ De Hoge Raad besteedde geen aandacht aan wat nu precies de aard van een beroep was.
De kantonrechter deed dat overigens eerder in het proces wel. Hij vond dat wanneer een rechtspersoon een beroep uitoefent en daartoe gebruikmaakt van een zo omvangrijke organisatorische structuur als de Stichting deed, daarmee het persoonlijke karakter van de beroepsuitoefening is prijsgegeven en gekozen is voor een structuur die alle elementen bevat van een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet. Zowel de rechtbank als de Hoge Raad ging echter voorbij aan de vraag of de beroepsuitoefening een persoonlijk karakter heeft.10 Het lijkt er sterk op dat de Hoge Raad voor zijn opvatting in deze zaak aansluiting heeft gezocht bij de in paragraaf 2.2.2 geciteerde uitspraak van minister Van Schaik in 1934. Die gaf toen ook al aan dat het afhangt van de (grootte van de) organisatorische structuur waarin accountants werken of zij kunnen worden aangemerkt als beroepsbeoefenaren.11
Zo op het eerste gezicht lijkt de structuur van een bepaalde organisatie een gemakkelijk hanteerbaar criterium voor een antwoord op de vraag of men te maken heeft met een onderneming. De keerzijde hiervan is (in het licht van dit onderzoek) echter dat dit criterium niet bepalend is voor de vraag of men al dan niet te maken heeft met een beroep. Immers: ‘de uitoefening van een beroep kan ook de vorm van een onderneming aannemen dan wel in het kader van een onderneming plaatsvinden’, aldus de advocaat-generaal in dit arrest.12 Uit dit arrest komen dus in feite een aantal kenmerken van het begrip ‘onderneming’ naar voren. In het kader van dit onderzoek en de vraag naar wat nu precies het beroep inhoudt, is deze uitspraak echter niet bevredigend.
De eiseres in cassatie in dit arrest (de Stichting) maakt in dit kader wel een, naar mijn idee, zinvolle opmerking. In haar betoog voert zij aan dat het onderscheid tussen beroep en bedrijf zich nu eenmaal niet louter in abstract geformuleerde criteria of logisch te onderscheiden categorieën laat onderbrengen, maar ook voor een deel berust op traditie en een niet logische maar empirisch gevormde verkeersopvatting.13 Deze opmerking is interessant omdat die het hiervoor al besproken ‘cachet’ als kenmerk van het beroep aanstipt. Het is een bevestiging van het feit dat het begrip ‘beroep’ zich niet in zijn geheel in strikt juridische termen laat vangen.