Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.4.2.2:1.4.2.2 Afschaffing van de hulpzaak
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.4.2.2
1.4.2.2 Afschaffing van de hulpzaak
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481889:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder Oud BW was in art. 563 een regeling opgenomen omtrent hulpzaken:
Door bestemming worden onder onroerende zaken begrepen:
Bij fabrieken, trafijken, molens, smederijen en dergelijke onroerende zaken, de persen, disteleerketels, ovens, kuipen, vaten, en verdere gereedschappen, bepaaldelijk tot derzelver wezen behoorende, al waren die voorwerpen niet aard- of nagelvast;
Bij woonhuizen, de spiegels, schilderijen en andere sieraden, wanneer het hout of muurwerk waarop dezelve zijn vastgemaakt, een gedeelte is van het beschot, den muur of het pleisterwerk van het vertrek, al waren die voorwerpen overigens niet nagelvast;
Bij landelijke eigendommen, de mesthoop of mestvaalt tot bemesting der landen bestemd; De duiven tot eeno duivenvlugt behoorende; De konijnen in de konijnen-warande; De visschen die zich in de vijvers bevinden;
De bouwstoffen, welke van do afbraak van een gebouw voortkomen, indien zij bestemd zijn om het gebouw weder op te trekken;
En, in het algemeen, allo zoodanige voorwerpen welke de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden heeft.
Bij het ontwerp van het huidige BW was Meijers aanvankelijk voornemens een bepaling omtrent hulpzaken op te nemen. Zijn ontwerpartikel 3.1.1.4. luidde:
“Hulpzaken zijn zaken, die volgens verkeersopvatting bestemd zijn om een bepaalde hoofdzaak duurzaam te dienen zonder daarvan bestanddeel te zijn, en die door hun vorm als zodanig zijn te herkennen.”
In het ontwerpartikel voor het onroerende zaaksbegrip, waren deze hulpzaken meegenomen, zodat wanneer een hulpzaak een onroerende hoofdzaak diende, deze hulpzaak tevens onroerend werd, zoals het geval was in het Kraanbalkarrest.1
Tijdens de behandeling van ontwerpartikel 3.1.1.4. is er echter voor gekozen dit artikel te laten vervallen. Het belangrijkste bezwaar was de onzekerheden die het opwerpt:
“Enerzijds wordt in dit stelsel de zakenrechtelijke positie van een zaak die als hulpzaak in aanmerking komt bepaald door feitelijke omstandigheden, met name de bestemming die daaraan in de gegeven situatie is gegeven, en de uiterlijke vorm van de zaak. Anderzijds kan op deze feitelijke omstandigheden door derden voor wie deze zakenrechtelijke positie van belang is (latere verkrijgers, beslagleggers) niet worden vertrouwd.”2
Het belang van een regeling omtrent hulpzaken was gelegen in de mogelijkheid dat een recht van pand of hypotheek zich mede uitstrekt tot de hulpzaken van de zaak waarop het zekerheidsrecht is gevestigd. Om die reden is ervoor gekozen om in art. 3:254 BW een regeling op te nemen, dat een schuldeiser kan bedingen dat een verhypothekeerde onroerende zaak tezamen met een verpande roerende zaak kan worden geëxecuteerd, indien het pandrecht rust op een roerende zaak, die naar het ontwerp aangemerkt zou moeten worden als een hulpzaak bij een onroerende zaak.
In de Parlementaire Geschiedenis staat expliciet dat beoogd werd de voormalige hulpzaken als roerende zaken te kwalificeren:
“Het huidige recht kent hier immers de categorie van hulpzaken, die in het gewijzigd ontwerp weliswaar als wettelijk begrip zijn geschrapt – zie deze memorie bij artikel 3.1.1.4. –, maar zulks met het gevolg dat zij daarin thans als volledig zelfstandige roerende zaken hebben te gelden.”3
Zoals gezegd werd in de Parlementaire Geschiedenis als reden voor de toevoeging van de indirecte vereniging aan het onroerende zaaksbegrip verwezen naar het Kraanbalkarrest. In dit arrest werd (in tegenstelling tot het later gewezen Amercentrale-arrest) voor de invulling van het begrip ‘gebouw’ in art. 1405 Oud BW teruggegrepen naar het goederenrecht, namelijk naar de hulpzaken, c.q. zaken die onroerend waren door bestemming.
Nu de Hoge Raad in het Amercentrale-arrest juist expliciet heeft gekozen om het begrip gebouw in art. 1405 BW níet in te vullen met het goederenrechtelijke onroerende zaaksbegrip en in het Nieuw BW de hulpzaken en de zaken die onroerend waren door bestemming geschrapt zijn, kán de indirecte vereniging van art. 3:3 BW niet zien op de situatie zoals in het Kraanbalkarrest.