De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.18.4.4:IV.18.4.4 Beleidsvrijheid
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.18.4.4
IV.18.4.4 Beleidsvrijheid
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS376528:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 73.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 73.
Detterbeck 2013, p. 243 met een verwijzing naar BVerwGE 16 juni 1997, bandnr. 105, 55.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 73.
BVerwGE 10 december 2003, zaaknr. 3 C 22.02.
Gröpl 1997, p. 37-38.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG, Rn. 73 en 73a.
Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 49 VwVfG Rn. 103, Ehlers/Schröder 2010 (2), p. 827, Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 71, Suerbaum 1999, p. 373.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien aan de in het derde lid van § 49 VwVfG neergelegde voorwaarden is voldaan, dan kan de Leistung worden ingetrokken. Het betreft een beleidsvrije bevoegdheid, waarbij het bestuursorgaan een belangenafweging dient te maken.1 Indien bijvoorbeeld sprake is van het gedeeltelijk niet aanwenden van de Leistung voor het gestelde doel, dan dient te worden nagegaan of de beschikking gedeeltelijk kan worden ingetrokken.2 Anderzijds spelen de beginselen van Sparsamkeit en Wirtschaftlichkeit een aanzienlijke rol.3 Het betreft hier twee begrotingsrechtelijke beginselen, welke hun werking doen gevoelen in het kader van de intrekking van Leistungs-beschikkingen. Deze beginselen leiden ertoe dat indien sprake is van een van de situaties genoemd in § 49 lid 3 VwVfG, de beschikking, behoudens buitengewone omstandigheden, dient te worden ingetrokken.4 Een mooi voorbeeld biedt een uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht uit 2003. Het betrof de intrekking van een subsidie voor het op een bepaalde wijze bedrijven van landbouw. Toen de subsidieontvanger niet voldeed aan de gestelde eisen, werd tot intrekking overgegaan. Wat betreft de belangenafweging overwoog het Bundesverwaltungsgericht:
‘Auf die Ausübung des in § 49 Abs. 3 Satz 1 VwVfG eingeräumten Ermessens konnte hier nicht verzichtet werden. Zwar zwingen die haushaltsrechtlichen Gründe der Wirtschaftlichkeit und Sparsamkeit bei Vorliegen von Widerrufsgründen im Regelfall zum Widerruf einer Subvention, sofern nicht außergewöhnliche Umstände des Einzelfalles eine andere Entscheidung möglich erscheinen lassen; fehlt es an derartigen Umständen, so bedarf es keiner besonderen Ermessenserwägungen. […]. In Fällen der vorliegenden Art ist jedoch zu bedenken, dass ein Widerruf auch länger zurückliegende Zeiträume erfassen und damit entsprechend hohe Rückzahlungspflichten auslösen kann. Dies wirft die Frage auf, ob der Widerruf aus Gründen der Verhältnismäßigkeit - namentlich bei Pflichtverletzungen von geringerem Gewicht oder um eine Vernichtung der wirtschaftlichen Existenz des Landwirts zu vermeiden - im Einzelfall auf bestimmte Zeiträume oder in anderer Weise zu beschränken ist.’5
Tegenover voornoemde beginselen afkomstig uit het begrotingsrecht, staat, aldus het Bundesverwaltungsgericht, het evenredigheidsbeginsel, welk beginsel tot gevolg kan hebben dat niet de gehele subsidiebeschikking wordt ingetrokken, maar dat wordt gekeken of de intrekking ook beperkt kan worden tot een bepaald tijdvak. Dat kan, gelet op voornoemde uitspraak, geschieden indien een meer ondergeschikte verplichting is geschonden of wanneer het economisch bestaan van de landbouwer in gevaar zou komen.
Voorts is eventueel bij de begunstigde aanwezig vertrouwen een aspect dat dient te worden meegenomen in de belangenafweging. Echter, van beschermenswaardig vertrouwen zal slechts zelden sprake zijn, nu het feit dat de begunstigde in strijd met de beschikking zelf, dan wel de daaraan verbonden voorschriften handelt, impliceert dat geen sprake is van vertrouwen dat bescherming verdient.6 De gedachte lijkt te zijn dat degene die handelt in strijd met een beschikking, niet mag vertrouwen op het in stand blijven van de beschikking. § 49 lid 3 VwVfG bevat dan ook zogenaamd intendierten Ermessen: de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan is beperkt, in die zin dat intrekking de regel is, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.7 Tot slot geldt dat schuld aan de zijde van de begunstigde weliswaar niet van belang is voor de vraag of aan de vereisten van § 49 lid 3 VwVfG is voldaan, maar wel een element dat in de belangenafweging dient te worden meegenomen.8