De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/3.3.0:3.3.0 Introductie
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/3.3.0
3.3.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 321 Sr luidt:
“Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeëigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Verduistering was in het Romeinse recht geen afzonderlijk delict. Het viel, samen met onder meer diefstal, onder furtum.1 In zijn leerboek uit 1929 schrijft Simons dat het misdrijf van verduistering, zoals de in die tijd nieuwere wetgevingen en ook de onze het in onderscheiding van diefstal kennen, vrij nieuw en van Germaansrechtelijke oorsprong is. Het oud-Germaanse recht maakte wel het onderscheid tussen diefstal en het zogenaamde ‘diebische behalten’, waarbij dan weer verschil gemaakt werd naargelang het behouden voorwerp was toevertrouwd of toevallig onder de macht van de dader was gekomen. Het latere strafrecht stond ten aanzien van zijn begrip van diefstal te veel onder de invloed van het Romeinse recht om op deze onderscheidingen voort te werken, aldus Simons. Pas in de 19e eeuw keerde het onderscheid terug, maar de wetgever liet daarbij het verschil tussen toevertrouwde zaken en zaken die men toevallig onder zich had, varen. Aldus werd in § 246 van de Duitse wet ‘Unterschlagung’ tot een zelfstandig misdrijf gemaakt tegenover diefstal. Onze wetgever volgde zoals uit het navolgende zal blijken dit voorbeeld.2
Om verduistering af te bakenen van diefstal, afpersing en oplichting is het van belang vast te stellen wanneer iemand een goed – anders dan door misdrijf – onder zich heeft. In een dergelijk geval lijkt dat goed, gelet op het systeem van de wet, niet meer vatbaar voor diefstal, afpersing of oplichting door degene die dat goed onder zich heeft. Na toe-eigening zal sprake zijn van verduistering.
In het onderstaande wordt eerst de wetsgeschiedenis van het bestanddeel ‘onder zich hebben’ onderzocht. Daarna wordt bezien of, en zo ja hoe, dit bestanddeel zich in de rechtspraak en literatuur verder heeft ontwikkeld.