Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/10.4
10.4 Beëindiging van lopende overeenkomsten
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie kritisch hierover o.a. A.M. Mennens en P.M. Veder, Clementie en recht: het dwangakkoord buiten insolventie, NTBR 2015/2, par. 4.2.3.
Toelichting, p. 45.
Zie in dit verband ook B.S.J.M. van Gangelen en G.H. Gispen, Voorstellen tot verbetering van de surseance en het akkoord, in; “Overeenkomsten en insolventie”, red. N.E.D. Faber, J.J. van Hees en N.S.G.J. Vermunt, Kluwer, 2012, p. 323 en R. J. van Galen, Knelpunten in ons insolventierecht, Ondernemingsrecht 2014/81 en R.J. van Galen, De surseance als echte reorganisatieprocedure, TvI 2015/23.
Zie ook hiervoor paragraaf 8.2.9 (ii). Zie in vergelijkbare zin de consultatiereactie van de Nederlandse Orde van Advocaten, 12 december 2014, p. 18.
Zie ook M.L. Lennarts, De WCO II: solide basis voor herstructureringen of voer voor litigation? in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2014-2015, Kluwer, 2015, p. 278.
Met de formulering “ter herstructurering van zijn schulden” in artikel 368 lid 1 van het Voorontwerp beoogt het Voorontwerp volgens de Toelichting aan te geven dat het akkoord niet alleen kan voorzien in de herstructurering van bestaande schulden, maar ook kan voorzien in de aanpassing of beëindiging van toekomstige verplichtingen uit bestaande contracten.1 Daarbij denkt de wetgever onder meer aan de aanpassing of beëindiging van huurcontracten en de neerwaartse aanpassing van renteverplichtingen uit een kredietovereenkomst.2
Artikel 373 lid 4 bepaalt dat, indien de algemeen verbindend verklaring de wijziging van een bestaande overeenkomst tot gevolg heeft, de wederpartij de mogelijkheid heeft de overeenkomst te beëindigen. De wederpartij kan derhalve – terecht en vanzelfsprekend – niet worden gedwongen om prestaties te blijven leveren tegen aangepaste voorwaarden. De slotzin van artikel 373 lid 4 bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de schuldenaar nadere voorwaarden aan de beëindiging kan stellen. De bedoeling hiervan is kennelijk dat de rechter een redelijke termijn voor de beëindiging kan stellen, zodat de schuldenaar gelegenheid heeft een alternatief te vinden.
De intentie van het Voorontwerp om de mogelijkheid te creëren “wurgcontracten” aan te passen of te beëindigen, valt toe te juichen.3 De regeling in het Voorontwerp is echter onvoldoende uitgewerkt. Het is de moeite waard om te onderzoeken hoe dit instrument goed zou zijn vorm te geven. Een eerste aanzet is gegeven in paragraaf 8.2.8 hiervoor.
Het Voorontwerp regelt niet uitdrukkelijk wat de verdere gevolgen van de aanpassing of beëindiging van een overeenkomst zouden zijn. Een noodzakelijk gevolg van de aanpassing of beëindiging zou moeten zijn dat de wederpartij een concurrente vordering verkrijgt ter grootte van de volledige (bestaande en toekomstige) schade die zij als gevolg van de aanpassing of beëindiging lijdt, ook als de wederpartij naar aanleiding van de voorgestelde aanpassing zelf tot beëindiging overgaat.4 Het Voorontwerp voorziet hier niet met zoveel woorden in. Het Voorontwerp bepaalt evenmin hoe de omvang van de toe te kennen schadevordering in geval van een geschil zou moeten worden vastgesteld. Zie hierover nader paragrafen 8.2.8.4 en 8.10.
De toe kennen concurrente schadevordering, die in beginsel direct opeisbaar zou zijn, zou vervolgens moeten kunnen worden “meegenomen” in het akkoord. Indien onvoldoende liquide middelen beschikbaar zijn om de vordering onmiddellijk te voldoen, zou het akkoord de termijn van betaling uit kunnen stellen of de vordering kunnen omzetten in aandelen of andere instrumenten. Is er onvoldoende waarde beschikbaar om vorderingen met concurrente status (geheel) te voldoen, dan zou het akkoord de aanspraak kunnen reduceren of geheel elimineren. De omvang van de initiële schadevergoedingsvordering (voordat het akkoord deze eventueel converteert of reduceert) is van belang, omdat deze medebepalend is voor het relatieve aandeel dat de contractant als concurrent schuldeiser in de beschikbare waarde heeft en ook bepalend is voor het stemrecht van de betrokken partij.
De veronderstelling van het Voorontwerp is kennelijk dat de voorgestelde contractsbeëindiging of – aanpassing een onderdeel vormt van het akkoord en dat daarover wordt gestemd.5 Hiervoor in paragraaf 8.2.8.3 heb ik toegelicht dat contractsbeëindiging geen onderwerp is waarover bij stemming kan worden beslist, maar een bevoegdheid is die aan de aanbieder van het akkoord zou moeten toekomen. Onderwerp van akkoordbesluitvorming zou mogelijk kunnen zijn de vaststelling van de omvang van de concurrente schadevergoeding die als gevolg van de contractsbeëindiging ontstaat en zou in ieder geval zijn de wijze van behandeling van de toegekende concurrente schadevordering onder het akkoord. Zie verder paragraaf 8.2.8 hiervoor.