Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.2.2.2.d:IJkpunt 4: Toezicht op integriteitsrisico
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.2.2.2.d
IJkpunt 4: Toezicht op integriteitsrisico
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS453187:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. F.P. Ölcer, Eerlijk proces en bijzondere opsporing (diss. Leiden), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2008, p. 14.
Vgl. P.M. Frielink, Infiltratie in het strafrecht: een onderzoek naar de materieelrechtelijke enformeelrechtelijke aspecten van het opsporen van strafbare feiten door middel van infiltratie (diss. Nijmegen), Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 131-138, waarin Frielink controleerbaarheidseisen als normering voor infiltratie uiteenzet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de parlementaire stukken en de Nederlandse rechtspraak met betrekking tot opsporingsmethoden en het recht op respect voor privacy wordt ook volop aandacht besteed aan integriteitsrisico’s die mogelijk kleven aan de inzet van een bepaalde methoden. Omdat dit ijkpunt in de parlementaire stukken en in de rechtspraak bij het recht op respect voor privacy wordt behandeld, neem ik het in dit onderzoek ook op als rechtsbeschermend ijkpunt. In het onderzoek naar en evaluaties van bijzondere opsporingsbevoegdheden en de rechtspraak over nieuwe technologische methoden die niet op basis van een (specifieke) wettelijke bepaling werden en worden ingezet, wordt de concrete inzet van de bevoegdheid in het licht van de integriteitsrisico’s bezien. Het betreft daarbij voornamelijk een beoordeling of de inbreuk op de privacy en de waarborgen waarmee de inbreuk is omgeven gerechtvaardigd is in het licht van de mogelijke integriteitsrisico’s. (Overigens is te verdedigen dat integriteitsrisico’s een onderdeel van de maatstaf effectiviteit is omdat niet integere inzet van opsporingsmethoden mogelijk ervoor zorgt dat het doel van die methode niet wordt bereikt. Ook is te verdedigen dat het ijkpunt eigenlijk een op zichzelf staande maatstaf is.1 Het gaat bij dit ijkpunt namelijk niet om de positie van de verdachte en de beperking van zijn mensenrechten of om de instrumentele zijde van een methode maar om de integriteit van de opsporing en daarmee het vertrouwen dat de strafvorderlijke autoriteiten genieten.) Mijns inziens kan het ijkpunt op twee manieren de inzet van opsporingsmethoden begrenzen. Ten eerste kunnen bepaalde methoden die een te groot risico voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing vormen in absolute zin worden verbonden. Ten tweede kunnen bepaalde methoden die mogelijk een risico voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing vormen worden gekoppeld aan stringente waarborgen zodat het risico zo klein mogelijk wordt gehouden en de (rechterlijke) autoriteiten uitstekend toezicht op de inzet van de methode kunnen houden.
Controleerbaarheid is hierbij een essentiële notie (bij opsporingsmethoden die ‘slechts’ in concreto een integriteitsrisico opleveren). Het creëren van een bevoegdheid die risico’s voor de integriteit van de opsporing oplevert – zoals persoonlijke verrijking van ambtenaren, bevordering van andere (ernstige) misdrijven en/of misleiding van het toezicht –, gaat gepaard met een grotere verantwoordelijkheid voor de uitvoerende strafvorderlijke ambtenaren. De enige manier waarop controle op de uitvoering van de methode mogelijk is, is via een systeem van (precieze, gestructureerde, tijdige) verantwoording en toezicht.2 Alleen op die manier kan het risico worden beheerst en, indien nodig, worden ingegrepen. Zoals hierboven ook al kort werd aangestipt, gaat het daarbij niet per definitie om de inbreuk op een concreet mensenrecht van de verdachte (al gaat dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel hand in hand) maar (ook) om het algemeen belang van een zorgvuldige opsporing.