Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/4.4.2
4.4.2 Trust
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS373222:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Gardner 2011, p. 4.
Martin 2005, par. 2-001; Thomas en Hudson 2010, par. 1.01, 1.07 en 1.40.
Zwalve 2008, p. 325-327.
Gardner 2011, p. 8 en 186; Trustee Act 1925, part III; Penner 2010, par. 10.52.
Zwalve 2008, p. 328.
Tot 1873 kende het Engelse recht een onderscheid tussen common law en equity. De common law behelsde de writs die uitgegeven waren door de Lord Chancellor en waar de rechtbanken hun competentie aan ontleenden. Toen in 1258 vastgelegd werd dat uitgifte van nieuwe writs slechts bij statute mocht, verloor de common law een deel van zijn flexibiliteit. Omdat een rechtzoekende wiens eis niet paste in het stelsel van writs, kon niet terecht bij de courts of common law. Uit oogpunt van billijheid, en als remedie tegen de lacunes die ontstonden in het recht, kon de rechtzoekende zich wenden tot de koning. Hij beriep zich op de billijkheid, equity, als aanvulling van de common law. Toen het aantal verzoeken te groot werd, droeg de koning de taak om recht te spreken op grond van equity over aan de Lord Chancellor. In de zestiende eeuwwerd een aparte rechtbank, de Court of Chancery, gecreëerd die rechtspreekt op basis van equity als zelfstandige rechtsbron. Equity behelsde inmiddels meer dan individuele billijkheid: het was een stelsel van eigen rechtsregels geworden. Equity had als functie de common law aan te vullen en te corrigeren. Met de Judicature Act 1873 zijn de common law en equity samengevoegd, en ook het onderscheid tussen courts of common law en courts of equity is afgeschaft. Zie voor een uitgebreid overzicht van de historische achtergrond van law en equity Zwalve 2008, p. 42-58.
Gardner 2011, p. 210; Trustee Act 2000, art. 1.
Penner 2010, p. 38; Zwalve 2008, p. 296.
R.C. Nolan, ‘Equitable Property’ (2006) 122 LQR 232.
Een uitzondering wordt gemaakt voor de koper te goeder trouw en zijn rechtsopvolgers, zie Gardner 2011, p. 213.
195. De settlor, degene die een trust tot stand brengt, heeft tot doel goederen onder te brengen in een afgezonderd vermogen, waarbij de juridische aanspraak op de goederen rust bij een beheerder (de trustee), terwijl een ander de begunstigde van het trustvermogen is (de beneficiary). Dit kan op twee manieren worden bereikt. Ten eerste kan hij zijn eigen aanspraak op zijn goederen wijzigen. Door een declaration of trust wordt hijzelf trustee en houdt hij vanaf dat moment het trustvermogen in die hoedanigheid voor de begunstigden van de trust.1Ten tweede kan hij met een transfer in trust de juridische titel op het trustvermogen overdragen aan een ander, die hij benoemt tot trustee. De trustee houdt of verkrijgt de juridische eigendom van het goed, terwijl de begunstigde een equitable interest verkrijgt. 2 De precieze omvang van het recht van de begunstigde hangt af van de bewoordingen en de context van de trust.
In beide gevallen worden eenzijdig verbintenissen gecreëerd. Als gevolg van de declarationof trust onderwerpt de settlor/trustee zich aan de fiduciary duties die aan die hoedanigheid verbonden zijn. Wanneer de settlor iemand anders tot trustee benoemt, ontstaat de verbintenis tot inachtneming van de fiduciary duties door eenzijdig handelen. De settlor hoeft de trustee niet op de hoogte te stellen van het feit dat hij hem als trustee heeft benoemd. De benoemde persoon wordt trustee zonder dat hij daarvan afweet of daarmee hoeft in te stemmen.3 Doorgaans zal de settlor overleg voeren met de trustee alvorens deze te benoemen. Als deze consultatie niet plaatsvindt, kan de benoemde het trustee-schap weigeren.4 Deze weigeringsmogelijkheid ontstaat pas nadat hij trustee is geworden en hij verplicht is te voldoen aan de fiduciary duties. Ook de weigering zelf is een eenzijdige handeling met verbintenisscheppend karakter. Als de trustee zijn mogelijkheid tot weigering uitoefent, wordt hij geacht het trustvermogen nooit te hebben verworven en nooit gebonden te zijn geweest aan de fiduciary duties.5 Door het adagium dat ‘equity will never admit a trust to fail for want of a trustee’, vervalt de trust niet door het met terugwerkende kracht gebrek aan trustee. Tot de rechter op verzoek van de beneficiaries een nieuwe trustee heeft benoemd, wordt de settlor trustee, waardoor de settlor verplicht is te handelen volgens de fiduciary duties.
196. De trust is een in de courts of equity6 ontwikkeld instrument waarmee goederenrechtelijke rechten worden overgedragen aan een persoon (de trustee), voor wie de verbintenis bestaat het trustvermogen op een bepaalde manier te beheren.7 De goederenrechtelijke oorsprong werkt door in de huidige invulling van de trustfiguur. De trust moet noodzakelijkerwijs een object hebben: zonder trustvermogen kan de trust niet bestaan. Het belangrijkste doel en primaire effect van de trust is een goederenrechtelijke transactie.8 Het opleggen van verbintenissen is een neveneffect. Dit doet niet af aan het feit dat de verbintenissen ontstaan als gevolg van het in het leven roepen van een trust. Dit gevolg is ook zeker beoogd, nu het leidt tot een beter beheer van het trustvermogen. Het is de declarationof trust of de benoeming tot trustee die de verbintenissen voor een specifieke trustee doet ontstaan. De verplichtingen voor de trustee kunnen worden onderverdeeld in een goederenrechtelijke verplichting (in rem) en persoonlijke verplichtingen (in personam), in overeenstemming met de goederenrechtelijke en persoonlijke rechten van de begunstigde. De verplichting in rem houdt in dat de trustee moet respecteren dat het trustvermogen niet ten gunste van hemzelf strekt.9 De belangrijkste verplichting in personam is het deugdelijk beheer van het trustvermogen. Terwijl de verplichtingen in personam op de trustee persoonlijk rusten, is de goederenrechtelijke verplichting verbonden aan het trustvermogen. Eenieder die een goed houdt dat onder de trust valt, moet aan deze verplichting voldoen.10 De trustee moet beide typen verplichtingen vervullen vanaf het moment van zijn benoeming of vanaf het moment dat hij de declarationof trust aflegt. De persoonlijke verplichtingen ontstaan op het moment van verklaren of benoemen. Beide handelingen zijn eenzijdig en dus is eenzijdig handelen de directe aanleiding voor het ontstaan van verbintenissen.
Met betrekking tot de trustee’s goederenrechtelijke verplichting moet een onderscheid gemaakt worden tussen 1. de situatie waarin de settlor met een declaration of trust zowel de trust in het leven roept als zichzelf trustee maakt; en 2. de situatie waarin de settlor een ander tot trustee benoemt. In situatie 1. ontstaat de goederenrechtelijke verplichting als gevolg van de declaration of trust. In situatie 2., dus als de trustee iemand anders is dan de settlor, kan niet worden gezegd dat de verplichting ontstaat op het moment van benoeming van de trustee. De verplichting is verbonden aan het trustvermogen en ontstaat dus afzonderlijk, op het moment van totstandkoming van de trust. De trustee moet wel voldoen aan de verplichting vanaf het moment van zijn benoeming.