Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/5.2.2
5.2.2 Ontwikkeling van het Franse hypotheekrecht
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS458056:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Planiol & Ripert II 1926, p. 870 en Putman 1994, p. 546-547.
Deze regel vloeide voort uit het gewoonterecht en werd versterkt door de landsheerlijke banden van het feodale stelsel. Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XVII-XVIII; De Cornulier-Lucinière 1910, p. 17; Dauchez 2013, nr. 63; Van Hoof 2015, p. 143-144; Libchaber, Rép. civ., “Biens”, nr. 102-103 (online, laatst bijgewerkt april 2015); Planiol & Ripert II 1926, nr. 2674; Putman 1994, p. 546-547; Simler & Delebecque 2012, nr. 835; Viollet 1905, p. 786.
De gage was (per definitie) een vuistpand; of iets te karakteriseren is als hypothèque of als gage, hangt in het Franse recht niet af van het object, maar van de vraag of het goed uit de macht van de debiteur wordt gebracht. Er bestonden verschillende vormen van dergelijke zekerheden op onroerende goederen. Bijvoorbeeld mortgage, als voorloper van de vente à réméré (verkoop met recht van wederinkoop, tegenwoordig neergelegd in art. 1659 Cc) en vif-gage als voorloper van de antichrèse. Ingeval van vif-gage verkrijgt de schuldeiser het genot en de vruchten van het onroerende goed, en worden de opbrengsten in mindering gebracht op de schuld. Bij mort-gage verkrijgt de schuldeiser ook het genot en de vruchten van het goed, maar worden de opbrengsten hiervan niet in mindering gebracht op de schuld. (Heirbaut 2005, p. 302 beschouwt de mort-gage als voorloper van de antichrèse en niet de vif-gage, terwijl de antichrèse als kenmerk heeft dat de vruchten in mindering gebracht worden op de rente en hoofdschuld, zie ook Kunst 1968, p. 288). Uiteindelijk vloeide uit deze vormen van zekerheid op onroerende goederen de antichrèse voort, die thans nog steeds in art. 2387 Code civil te vinden is als de gage immobilier. Aynès & Crocq 2011, nr. 499; Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XVIII; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 345-349; De Cornulier- Lucinière 1910, p. 8-9; Heirbaut 2005, p. 302; De Maleville 1807, p. 157-158, 167 e.v.; Mazeaud & Mazeaud/De Juglart 1974, p. 58-59, 62, 67; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2675-2676; Pothier 1827, p. 525, 589, 596 e.v., 603; Simler & Delebecque 2012, nr. 363; Viollet 1905, p. 784 e.v.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XIX; Dauchez 2013, nr. 63; Herman 1914, p. 21-22; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2677. De figuur van de hypotheek lijkt niet rechtstreeks vanuit het Romeinse recht door het Franse recht te zijn overgenomen. Bart 2009, p. 384; De Cornulier-Lucinière 1910, p. 16; Herman 1914, p. 21; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2677; Viollet 1905, p. 784. Hier wordt ook wel anders over gedacht, zie Pos 1970, p. 75; Aubry & Rau/Esmein & Ponsard 1968, p. 148; De Maleville 1807, p. 178. Zie over de invloed van het Romeinse recht op het Franse hypotheekrecht Van Hoof 2015, p. 141-142.
Zie over de termen Haftung en verhaalsaansprakelijkheidAsser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 33 e.v.; Van Mourik 2013, nr. 11. Vgl. Egger 1903, p. IX-XI, 21 e.v.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XIX; De Blécourt/Fischer 1969, nr. 173; De Cornulier-Lucinière 1910, p. 18; Dauchez 2013, nr. 6, 62-63, 85; Herman 1914, p. 2,4, 21-22; Van Hoof 2015, p. 144; Koops 2010, p. 163-164; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2677; Pos 1970, p. 75-76, 130; Viollet 1905, p. 787-788. Vgl. Hedemann 1935, p. 67.
Zie bijvoorbeeld Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XIX; Koops 2010, p. 163-165; Pos 1970, p. 75 e.v.
De obligatio bonorum en later de generale hypotheek brachten geen zaaksgevolg en voorrang mee wat betreft de roerende goederen. Op roerend goed was geen hypotheek, geen vuistloos zekerheidsrecht, mogelijk: “meubles n’ont pas de suite par hypothèque”. Aubry & Rau/Esmein & Ponsard 1968, p. 148; Bart 2009, p. 384; Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XX-XXI; De Cornulier-Lucinière 1910, p. 51; Koops 2010, p. 168 e.v.; Mazeaud & Mazeaud/De Juglart 1974, p. 67; Pos 1970, p. 88-89, 105-106, 123; Pothier 1827, p. 535; Viollet 1905, p. 791. (De situatie die ik hier beschrijf, is die van de invloedrijke coutumes van Parijs en Orléans, die ook de basis hebben geboden voor de latere regeling in de Code Civil, op andere plaatsen gold deze regel niet, zie De Cornulier-Lucinière 1910, p. 33 e.v., Koops 2010, p. 161 e.v., m.n. 168 e.v.; Pos 1970, p. 108-109, 111, 113 en Pothier 1827, p. 535.) Zie ook art. 2398 Cc. Tot voor kort bestond in lijn hiermee geen vuistloos pandrecht maar alleen vuistpand op roerende goederen, behalve wanneer bijzondere wetten dit mogelijk maakten. Sinds de hervorming van het Franse zekerhedenrecht in 2006 is echter in de Code civil ook het vuistloos pandrecht ingevoerd, waardoor art. 2398 Cc in wezen betekenisloos is geworden.
In dit kader spreek ik van zowel goederen van de schuldenaar en de eigenaar door elkaar, als inwisselbare termen. Ik besef dat dit natuurlijk niet noodzakelijkerwijs dezelfde persoon hoeft te zijn. Het wordt uit de literatuur niet duidelijk of het destijds al mogelijk was een derdenhypotheek te vestigen, maar de hoedanigheid van schuldenaar en eigenaar van de onroerende zaak konden in ieder geval uiteenlopen door het zaaksgevolg van de hypotheek.
Aubry & Rau/Esmein & Ponsard 1968, p. 148-149; Aynès & Crocq 2011, nr. 631; Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XIX-XX; De Cornulier-Lucinière 1910, p. 18; Dauchez 2013, nr. 64-65; Herman 1914, p. 22-23, 27-29; Van Hoof 2015, p. 144-145, 150, 154; Pos 1970, p. 76-80, 86-87, 110.
De pays de nantissement bestonden uit enkele van de pays de droit coutumier, zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXII, noot 3; Heirbaut 2005, p. 84. Zie voorts over de pays de droit coutumier en pays de droit écrit Bart 2009, p. 99 e.v.; Van Hoof 2015, p. 142; Viollet 1905, p. 162. In de pays de droit écrit, gelegen in het zuiden van Frankrijk, had het Romeinse recht de overhand en in de pays de droit coutumier, gelegen in het noorden, het lokale gewoonterecht.
World Encyclopedia (Oxford Reference), Oxford: Oxford University Press 2012.
Aubry & Rau/Esmein & Ponsard 1968, p. 148-149; Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XX-XXI; De Cornulier-Lucinière 1910, p. 20, 23-24; Herman 1914, p. 27-28, 35; Van Hoof 2015, p. 147; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2677-2684; Pos 1970, p. 109; Pothier 1827, p. 526-528; Simler & Delebecque 2012, nr. 835.
Aubry & Rau/Esmein & Ponsard 1968, p. 149; Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXVI-XXVII; Dauchez 2013, nr. 75; Hedemann 1935, p. 70; Van Hoof 2015, p. 176-178; De Maleville 1807, p. 180-181; Simler & Delebecque 2012, nr. 835.
Aubry & Rau/Esmein & Ponsard 1968, p. 149-150; Van Hoof 2015, p. 180; Mouly & Jacob, JurisClasseur Civil, art. 2393-2396, fasc. unique, “Hypothèques. Définition. Caractères. Effets”, nr. 9-10 (online, laatst bijgewerkt op 19 maart 2012); DeMaleville 1807, p. 180-181, 186-189.
“(N.° 963.) Loi concernant le Code hypothécaire. Du 9 Messidor”, Lois de la République Française. An III de la République une et indivisible, N.° 164. Baudry- Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXII, XLIV-XLVI; Hedemann 1935, p. 75-76; Herman 1914, p. 38; Koops 2010, p. 189; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2685. De wet draagt nog andere interessante aspecten in zich, zoals de accessoires, de ensemblesde fruits non recueillis en des bois non coupés uit art. 5, die ook vatbaar zijn voor hypotheek, en de vinding van de cédules hypothécaires uit art. 36 e.v., maar het voert te ver daar in dit kader op in te gaan, zeker nu het een wet betreft die nooit in werking is getreden.
Art. 3, 6, 7, 8, 10, 17, 19 en 26 Loi du 9 messidor an III; Van Hoof 2015, p. 182-183.
Art. 25 Loi du 9 messidor an III.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXVIII-XXIX, XXXV-XXXVI; De Cornulier-Lucinière 1910, p. 26; Koops 2010, p. 189; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2685; Simler & Delebecque 2012, nr. 836.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXV-XXXVI ; Hedemann 1935, p. 74-76; Simler & Delebecque 2012, nr. 836, 848. Uit art. 225 van de Loi du 9 messidor an III blijkt dat de akten chronologisch werden geregistreerd. Art. 223 van dezelfde wet bepaalt dat een alfabetische index bijgehouden diende te worden. In deze index kon de naam van de grondeigenaar (of debiteur, dat is niet duidelijk) opgezocht worden, om aldus de ingeschreven hypotheek te vinden.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXV-XXXVI, XLV-XLVI; Fournier, Rép. civ., “Publicité foncière”, nr. 223 (online, laatst bijgewerkt juni 2015); Simler & Delebecque 2012, nr. 837. Vgl. Herman 1914, p. 44; Hromadka 1971, p. 90.
“(N.° 2137.) Loi sur le régime hypothécaire. Du 11 Brumaire, an VII de la République une et indivisible”, Bulletin des lois de la République, an VII, N.° 238. Dauchez 2013, nr. 3, 15, 75; Simler & Delebecque 2012, nr. 836.
Ik vat inscription (inschrijving, van hypotheekakten) en transcription (overschrijving, van akten aangaande andere soorten rechten) samen met de term ‘inschrijving’, omdat dat aansluit bij het Nederlandse spraakgebruik. Tegenwoordig bestaat de transcription niet meer, maar heet dit publicité foncière, zoals bepaald in een decreet van 1955, terwijl hier strikt genomen de hypotheken niet onder vallen, omdat zij niet ingevolge dit decreet, maar de Code civil dienen te worden ingeschreven (inscription), willen zij althans derdenwerking hebben. De verschillen op detailniveau tussen deze twee ‘domeinen’ zijn voor dit onderzoek niet van belang en staan bovendien niet in deweg aan het gebruik van één termvoor beide, zoals in de Franse literatuur ook wel geschiedt. Aynès & Crocq 2011, nr. 670; Fournier, Rép. civ., “Publicité foncière”, nr. 47-49 (online, laatst bijgewerkt juni 2015); Simler & Delebecque 2012, nr. 495, 851, 853.
Art. 4, eerste alinea Loi du 11 brumaire an VII; Aynès & Crocq 2011, nr. 631; Van Hoof 2015, p. 183-185, 187; Simler & Delebecque 2012, nr. 836.
Bijvoorbeeld de hypotheek van de gehuwde vrouw op de goederen van haar echtgenoot tot zekerheid van terugbetaling van de bruidsschat, zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXIV; vgl. Pothier 1827, p. 533.
Art. 4 en 17, zevende alinea Loi du 11 brumaire an VII, Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXIV.
Art. 4, derde en vierde alinea Loi du 11 brumaire an VII, Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXIV; Duranton 1835, p. 493; Merlin 1813, p. 240. Anders: Hedemann 1935, p. 79.
Art. 4, tweede alinea Loi du 11 brumaire an VII.
Vgl. paragraaf 4.3.2.2. Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXIII noemt de wettelijke hypotheek generaal, Koops 2010, p. 190 schrijft dat genoemde wet de generale hypotheek juist heeft afgeschaft. Hedemann 1935, p. 79 is de mening toegedaan dat in de Loi du 11 brumaire an VII de wettelijke hypotheek niet de toekomstige goederen omvat. De standpunten verschillen dus. In andere literatuur worden geen harde uitspraken gedaan over of deze wet de generale hypotheek al dan niet afschaft en of de wettelijke hypotheek al dan niet de toekomstige goederen omvat. Waarschijnlijk verschillen de meningen en worden geen harde uitspraken gedaan, omdat we hier te maken hebben met tussenvormen: 1) de gerechtelijke hypotheek was generaal, in die zin dat gebruik werd gemaakt van een algemene omschrijving van de te belasten goederen, maar omvatte niet de toekomstige goederen (wat doorgaans wordt gezien als een kenmerk van de generale hypotheek, zie paragraaf 5.2.1), en 2) de wettelijke hypotheek omvatte weliswaar toekomstige goederen, maar slechts in die zin dat de wet, zo zou men vanuit tegenwoordig Nederlands perspectief kunnen zeggen, de titel hiervoor verschafte, terwijl de hypotheek pas tot stand kwam na inschrijving daarvan en wel ná verkrijging van de bewuste goederen; de wettelijke hypotheek werd dus niet – zoals wij in het huidige Nederlandse recht zouden zeggen – mede bij voorbaat gevestigd op de toekomstige goederen.
Zie De Maleville 1807, p. 219.
Aynès & Crocq 2011, nr. 631; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2686; Dauchez 2013, nr. 15, 75, 77, 100; Vgl. Bart 2009, p. 385, 446; Viollet 1905, p. 797. Zie ook Van Hoof 2015, p. 185-187 die de wens van publiciteit (en daarmee specialiteit) als (mede) voortgekomen ziet uit de wens ‘oververzekering’ tegen te gaan. Hoewel e.e.a. met elkaar samenhangt, begrijp ik de geraadpleegde bronnen eerder zo, dat juist de hypothecaire schuldeisers in zekere zin ‘onderverzekerd’ waren; zij konden vaak niet nagaan of het goed al belast was met een hypotheekrecht dat vóór ging op het hunne. Dit fenomeen zou wellicht ook gezien kunnen worden als leidend tot ‘oververzekering’: de eerste schuldeiser met een generale hypotheek is ‘oververzekerd’ ten opzichte van de anderen. Duidelijk is in ieder geval dat de wens was voor derden (waaronder mogelijke verkrijgers van eigendom of hypotheek) inzichtelijk te maken welke hypotheken op een goed rustten.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXIII-XXXV; De Cornulier-Lucinière 1910, p. 27; Herman 1914, p. 38-39; De Maleville 1807, p. 214; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2686. Vgl. Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XLIV-XLVI; Herman 1914, p. 44; De Vos 1902, p. 207. De Maleville 1807, p. 289, lijkt te suggereren dat bij overdracht van een goed waarop hypotheek rust, de hypotheek (opnieuw?) ingeschreven dient te worden onder de naam van de verkrijger van het goed. Hij verwijst hierbij naar Cour de cassation, 13 thermidor an XII (1 augustus 1804), Journaldu palais 1857, deel 4, p. 123. Een later arrest van het Cour de cassation bepaalt echter dat na overdracht van een goed de hypotheek niet opnieuw ingeschreven hoeft te worden onder de naam van de verkrijger van het goed: 30 floréal an XIII (20 mei 1805), Journal du palais 1857, deel 4, p. 551-552. Zie tevens Aubry & Rau 1869, p. 323: “En cas d’aliénation de l’immeuble grevé, l’inscription peut toujours être prise sur le débiteur originaire ou le tiers qui a fourni l’hypothèque, sans qu’il soit nécessaire d’y désigner l’acquéreur. Elle serait entachée de nullité, si elle avait été prise sur le tiers détenteur seulement.”
Bart 2009, p. 447; Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXVIII, XLIV-XLVI; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2686-2688; Viollet 1905, p. 798.
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXVII, XLIV-XLV; Dauchez 2013, p. 38; Herman 1914, p. 40; Viollet 1905, p. 797.
Van Hoof 2015, p. 190, 200-201; Mouly & Jacob, JurisClasseur Civil, art. 2393-2396, fasc. unique, “Hypothèques. Définition. Caractères. Effets”, nr. 11 (online, laatst bijgewerkt op 19 maart 2012).
Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XXXVIII; Planiol & Ripert II 1926, nr. 2686; Viollet 1905, p. 797-798. Overigens bood het systeem van de purge (zuivering) wel enig tegenwicht aan de ‘verborgen’ hypotheken. Daarbij kon een koper van een onroerend goed een surenchère du dixième in gang zetten, een procedure vergelijkbaar met de in paragraaf 4.2.2.2 besproken surenchère du sixième, waarbij de (bekende en onbekende) hypotheekhouders de keus wordt gegeven: óf neem genoegen met de koopprijs met tenietgaan van alle hypotheken, óf bied zelf ten minste 1/10 meer bij een opbare veiling. Zie Fournier, Rép. civ., “Hypothèque”, nr. 180 e.v. (online, laatst bijgewerkt juni 2015); Hedemann 1935, p. 92-93.
Aynès & Crocq 2011, nr. 631; Fournier, Rép. civ., “Publicité foncière”, nr. 34 (online, laatst bijgewerkt juni 2015); Van Hoof 2015, p. 189, 200; Simler & Delebecque 2012, nr. 838.
Aynès & Crocq 2011, nr. 633, 637; Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. XLIV; Fournier, Rép. civ., “Publicité foncière”, nr. 39, 47 e.v. (online, laatst bijgewerkt juni 2015); Hedemann 1935, p. 93; Simler & Delebecque 2012, nr. 837, 841, 848, 851.
Simler & Delebecque 2012, nr. 390.
Piedelièvre & Guerchon, Rép. pr. civ., “Hypothèque”, nr. 16, 410 (online, laatst bijgewerkt maart 2014); Simler & Delebecque 2012, nr. 12 e.v.
Anders dan uiteraard de verplichting tussen partijen om voor die derdenwerking zorg te dragen. (In het Nederlandse recht zou deze verplichting echter niet als hypotheekrecht gekarakteriseerd worden, maar vormt dit de titel die verplicht tot vestiging van het hypotheekrecht.) Mogelijk kan gedacht worden aan het recht op parate executie, vgl. Beerda 2012, par. 7. In het Franse recht moet de hypotheekhouder de procedure van saisie immobilière volgen, maar beschikt wel over een executoriale titel in de vorm van de hypotheekakte, Piedelièvre & Guerchon, Rép.pr. civ., “Hypothèque”, nr. 16, 410 (online, laatst bijgewerkt maart 2014). Dat zou naar Frans recht de waarde van het hypotheekrecht, zolang dat slechts tussen partijen geldt, kunnen zijn.
Mouly & Jacob, JurisClasseur Civil, art. 2393-2396, fasc. unique, “Hypothèques. Définition. Caractères. Effets”, nr. 74 (online, laatst bijgewerkt op 19 maart 2012); Simler & Delebecque 2012, nr. 495.
Bez & Mallet, JurisClasseur Notarial Formulaire, V° Affectation hypothécaire, fasc. 10, “Affectation hypothécaire”, nr. 32 (online, geraadpleegd 5 december 2012); Boussougou-Bou-Mbine, JurisClasseur Civil, art. 2400-2401, fasc. unique, “Hypothèques. Hypothèques légales. Notion. Assiette. Recensement”, nr. 28 (online, laatst bijgewerkt op 4 juni 2012); Simler & Delebecque 2012, nr. 387.
Planiol & Ripert/Becqué XII 1953, nr. 379-380.
Simler & Delebecque 2012, nr. 409.
112. Onder le très ancien droit (het recht in de periode vóór het Ancien Régime)1 bestond nog geen hypotheekrecht, maar slechts een vorm van gage (pand) op roerende goederen. Onroerende goederen waren onvervreemdbaar en een schuldeiser kon zich er niet op verhalen.2 Later bestond ook gage, dat wil zeggen vuistpand, van onroerend goed. Dat hield dus in dat de onroerende goederen uit de macht van de zekerheidsgever werden gebracht. Een zekerheidsrecht waarbij het goed in de macht van de zekerheidsgever bleef, zoals het recht van hypotheek, was nog onbekend.3
113. Het Franse hypotheekrecht heeft zich vanuit de obligatio bonorum vanaf de 13e eeuw geleidelijk aan ontwikkeld tot zijn uiteindelijke vorm.4 Destijds kon de schuldeiser de goederen van de schuldenaar slechts executeren na ingewikkelde procedures en in sommige gebieden was op onroerende goederen, zoals gezegd, in het geheel geen verhaal mogelijk, of althans niet zonder toestemming van de schuldenaar. Een beginsel zoals thans neergelegd in art. 3:276 BW en art. 2285 Cc, dat een schuldeiser zich op de goederen van de schuldenaar mag verhalen, kende men nog niet. Schuld leidde nog niet tot Haftung oftewel verhaalsaansprakelijkheid.5 Om die reden werd overeengekomen dat de schuldenaar al zijn goederen verbond tot zekerheid van de schuld, zodat de schuldeiser zich daarop kon verhalen. Dit is de obligatio bonorum, die de schuldeiser de bevoegdheid gaf de roerende en onroerende goederen van de schuldenaar in beslag te nemen en te verkopen, indien de schuld niet werd voldaan. Aan de obligatio bonorum was destijds nog geen zaaksgevolg of voorrang verbonden.6
Vanaf de 16e eeuw kreeg de obligatio (of in het Frans obligation)7 de naam hypothèque en was ze ook equivalent geworden aan wat wij tegenwoordig onder hypotheek verstaan, met andere woorden, er was zaaksgevolg (droit de suite) en voorrang (droit de préférence) aan verbonden. Dit gold aanvankelijk slechts voor de speciale hypotheek. Maar vanuit de obligatio bonorum had zich ook een generaal hypotheekrecht (hypothèque générale) ontwikkeld, dat wil zeggen een hypotheekrecht rustend op alle huidige en toekomstige onroerende8 goederen van de schuldenaar,9 zonder dat die goederen afzonderlijk omschreven werden. Pas in de 17e eeuw kreeg dit generale hypotheekrecht zaaksgevolg en voorrang.10
114. Publicatie van de hypotheek was niet vereist, behalve in de pays de nantissement11 en Bretagne. Wel kon hypotheek alleen nog maar gevestigd worden door middel van een authentieke akte. Sterker nog, alle notariële akten brachten van rechtswege een generale hypotheek met zich. Telkens werd een generale hypotheek geacht stilzwijgend te zijn overeengekomen, zelfs indien in de akte geen melding werd gemaakt van een hypotheekrecht. Deze regel heeft gedurende de gehele periode van het ancien droit (het recht van het Ancien Régime, de periode van de 16e eeuw tot aan het begin van de Franse revolutie in 1789)12 gegolden.13
De generale hypotheken werden, zoals gezegd, niet gepubliceerd. Hoewel pogingen ondernomen werden om de hypotheekrechten met enige vorm van publiciteit gepaard te laten gaan, leidden deze pogingen in het grootste deel van Frankrijk tot niets, omdat de adel zijn schuldenlast liever verborgen hield.14 De Franse Revolutie bracht hier verandering in. Nog vóór de invoering van de Code civil in 1804 kwamen twee wetten tot stand die publiciteit – en in één van beide gevallen in zekere mate ook specialiteit – waarborgden.15
115. De eerste van deze twee wetten, de Loi du 9 messidor an III (Wet van 27 juni 1795), genaamd code hypothécaire, is uiteindelijk niet ingevoerd maar heeft wel grote invloed gehad op de praktijk en latere wetgeving.16 De wet ontleende inspiratie aan de coutumes van de pays de nantissement en beoogde publiciteit te geven aan alle hypotheken. Voor een geldige hypotheek was vereist dat een authentieke akte werd ingeschreven in het daartoe bestemde openbare register. De hypotheken konden conventioneel(voortvloeiend uit overeenkomst) zijn of gerechtelijk (voortvloeiend uit een rechterlijke uitspraak). Een hypotheek omvatte de bestaande en toekomstige onroerende goederen van de schuldenaar in het arrondissement waar de inschrijving plaatsvond.17
Deze wet had als nadeel dat publiciteit werd verkregen door inschrijving van de hypotheekakte in lokale registers, per arrondissement. Wanneer een schuldenaar in meerdere arrondissementen onroerende goederen had, maakte dit het verkrijgen van een compleet beeld moeilijker. In de literatuur wordt benadrukt dat de crediteur ook zijn hypotheek kon inschrijven in arrondissementen waar de schuldenaar (nog) geen goederen had.18 Dit zou een groot nadeel zijn en slechts ‘zwakke publiciteit’ met zich brengen.19 Ten dele valt dit niet goed in te zien; een derde die wil weten of een goed reeds bezwaard is, kan dat immers nagaan in hetarrondissement waar het goed dat hem interesseert, is gelegen.
Anderzijds is de kritiek in de literatuur terecht, wanneer zij begrepen wordt als kritiek op het gehanteerde systeem van persoonlijke publiciteit.20 Ten eerste moet bedacht worden bij raadpleging van het openbare register slechts bekend werd of ten laste van de opgezochte persoon een hypotheek was gevestigd, maar niet van welke onroerende goederen deze persoon eigenaar was, dát werd nog niet geregistreerd. Ten tweede is door het systeem van persoonlijke publiciteit de historie van een onroerend goed niet na te gaan. Mogelijk rusten er hypotheken op ten behoeve van anderen, zoals een eerdere eigenaar. Bij raadpleging van het register op naam van de huidige eigenaar, blijkt dit niet; men ziet slechts of hij een generale hypotheek heeft gevestigd. Ten slotte zou nog verwarring kunnen ontstaan wanneer dezelfde namen van eigenaren voorkomen in het register, of wanneer verschrijvingen in de namen van de grondeigenaren voorkomen.21
116. De tweede wet is de Loi du 11 brumaire an VII (Wet van 1 november 1798) en ligt ten grondslag aan het huidige Franse systeem van publiciteit van rechten op onroerende goederen.22 In deze wet werd inschrijving23 in de openbare registers niet alleen vereist voor hypotheekakten, maar ook voor akten van overdracht van (en vestiging van beperkte rechten op) andere rechten op onroerende goederen. Deze wet bracht bovendien voor conventionele hypotheken specialiteit met zich. Specialiteit wil zeggen dat het bezwaarde goed afzonderlijk (speciaal) omschreven diende te worden in de akte. Conventionele hypotheek op toekomstige onroerende goederen was uitgesloten. Een generale conventionele hypotheek was dus niet meer mogelijk.24
Er bestonden echter ook wettelijke25 (voortvloeiend uit de wet) en gerechtelijke hypotheken, die weliswaar ingeschreven dienden te worden, maar rustten op alle goederen in het arrondissement van inschrijving.26 De wettelijke hypotheek omvatte ook de toekomstige onroerende goederen van de schuldenaar en kan dus gekarakteriseerd worden als ‘generaal’. De werking van die hypotheek voor de toekomstige goederen was echter beperkt tot de situatie waarin de schuldeiser zijn hypotheek later, ná verkrijging van de bewuste goederen door de debiteur, nogmaals liet inschrijven.27 De gerechtelijke hypotheek daarentegen rustte slechts op de onroerende goederen die op het moment van inschrijving van de schuldenaar waren.28 Die hypotheek was dus niet generaal wanneer de in paragraaf 5.2.1 gegeven definitie wordt gehanteerd, maar ook een dergelijke ‘generale belasting’ die niet de toekomstige goederen omvat, is voor dit onderzoek van belang.29
Het inperken van de mogelijkheid van generale hypotheken, en het verlangen van specialiteit bij de inschrijving van hypotheken, hing samen met de wens naar een vorm van publiciteit die zo veel mogelijk inzicht gaf in de (juridische) toestand van de goederen van de schuldenaar. Het bezwaar tegen de generale hypotheken was niet zozeer dat zij in één klap alle onroerende goederen van een persoon bezwaarden,30 maar dat zij occulte (verborgen) waren.31
In dit nieuwe systeem van de wet van 11 brumaire an VII werden, zoals gezegd, niet alleen hypotheken, maar ook de eigendomsovergang van onroerende goederen gepubliceerd. Daarmee werd het eerste bezwaar dat ik noemde tegen de Loi du 9 messidor an III ten dele weggenomen; in de registers kon men nagaan of de onroerende zaak in kwestie in eigendom was verkregen door de persoon die pretendeerde eigenaar te zijn. De publiciteit was in het systeem van de Loi du 11 brumaire an VII echter nog steeds persoonlijk; de inschrijvingen waren raadpleegbaar via de naam van de grondeigenaar. Wat daarom niet zichtbaar was, is of de bewuste persoon op het moment van raadpleging ook nog steeds eigenaar was. Zichtbaar was immers dat hij op een zekere datum eigenaar was geworden, maar niet of hij de zaak nadien nog vervreemd had. Daartoe zou men de naam van die opvolgend verkrijger moeten kennen. Ook de andere twee met betrekking tot de Loi du 9 messidor an III beschreven bezwaren bleven daarom bestaan: er bestond geen sluitend systeem om na te gaan of niet ten behoeve van een eerdere eigenaar of een andere derde al een hypotheek op het onroerend goed gevestigd is, ook niet als het goed in de akte speciaal omschreven is. Voorts blijft het risico van ‘naamsverwarring’ bestaan.32
117. Het hypothekenstelsel van de Code civil van 1804, dat volgde op de Loi du 11 brumaire an VII, wordt door de literatuur gezien als een achteruitgang.33 In de Code civil werd het systeem van (persoonlijke publiciteit van) de Loi du 11 brumaire an VII gehandhaafd, met enkele aanpassingen.34
In de Code civil werden de wettelijke en gerechtelijke hypotheek ‘weer’ generaal, de goederen hoefden niet afzonderlijk omschreven te worden.35 Zoals ik zojuist heb beschreven, waren die hypotheken onder de Loi du 11 brumaire an VII echter in zekere zin ook generaal, zij het dat de gerechtelijke hypotheek slechts de op het moment van inschrijving bestaande onroerende goederen van de schuldenaar omvatte en bij de wettelijke hypotheek nog latere inschrijvingen nodig waren; er was sprake van tussenvormen. Onder de Code civil bestonden meerdere vormen van wettelijke hypotheken en was inschrijving voor enkele daarvan in het geheel niet vereist voor hun geldigheid, in tegenstelling tot onder de Loidu 11 brumaire an VII.36 De grootste achteruitgang bracht de Code civil toch wel op het vlak van publiciteit van andere rechten op onroerende zaken dan hypotheken: inschrijving daarvan was niet meer vereist, zoals dat onder de Loi du 11 brumaire an VII het geval was geweest. Pas in 1855 werd publicatie van overdrachts- en vestigingsakten (de laatste voor zover het rechten betrof die vatbaar zijn voor hypotheek) betreffende onroerendezaken door middel van een bijzondere wet heringevoerd.37
De Loi du 11 brumaire an VII mocht dan niet het ideale systeem hebben ingevoerd, de Code civil was nog veel erger. In de Franse literatuur werd dit erkend en in 1955 is het systeem nogmaals aangepast en verbeterd.38 Ook de Nederlandse wetgever van 1838 zag in dat het systeem van publiciteit uit de Loi de 11 brumaire an VII en dat van de Code civil nog niet optimaal waren. Daarop ga ik in de volgende paragraaf in.
118. In het huidige Franse recht kent men nog steeds generale hypotheken, namelijk wettelijke en gerechtelijke hypotheken (zie art. 2394-2396 Cc).39 Maar inschrijving is voor elke hypotheek – ook de wettelijke en gerechtelijke – vereist, wil de hypotheek werking tegen derden hebben (art. 2425 e.v. Cc).40 In het Franse recht wordt, in tegenstelling tot in het Nederlandse recht, onderscheid gemaakt tussen het ontstaan van de hypotheek en de vraag of de hypotheek werking tegen derden heeft, dat wil zeggen, of zij voorrang en zaaksgevolg met zich brengt. Het is vanuit Nederlands perspectief moeilijk voor te stellen wat een hypotheekrecht inhoudt zonder dat hieraan derdenwerking toe zou komen.41 Ook in de Franse rechtsliteratuur wordt dit erkend. Men schrijft dat praktisch gezien de vestiging van het hypotheekrecht twee opeenvolgende fases kent: het vestigen van het hypotheekrecht tussen partijen en de publicatie van dit hypotheekrecht zodat het derdenwerking krijgt. Aangezien een hypotheekrecht zonder derdenwerking van weinig waarde is, is er praktisch geen verschil met een systeem waarin inschrijving in de openbare registers een constitutief vereiste is.42
Niet alleen dienen tegenwoordig alle soorten hypotheken te worden ingeschreven, ook geldt bij de inschrijving het specialiteitsbeginsel (principe de la spécialité): bij de inschrijving moet elk afzonderlijk onroerend goed waarop de inschrijving betrekking heeft, worden vermeld. Zoals in de literatuur wordt opgemerkt, neemt daarmee het belang van het onderscheid tussen generale en speciale hypotheken af.43 Van dit beginsel van specialiteit van de inschrijving wordt soms het beginsel van specialiteit van de hypotheek zelf onderscheiden.44 Dat laatste beginsel geldt alleen voor de conventionele hypotheken en houdt in dat in de hypotheekakte de aard en ligging van de goederen afzonderlijk omschreven dient te worden (art. 2418 Cc). Aangenomen wordt dat dit principe het onmogelijk maakt toekomstige onroerende goederen te bezwaren met een hypotheekrecht.45