Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/2.5.8.3
2.5.8.3 Bewaring van activa
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS597594:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Voor het aanhouden van financiële instrumenten die in het Wge-systeem zijn opgenomen, zoals aandelen in Philips of Shell, heeft het pensioenfonds geen andere keus dan de inschakeling van een custodian. Deze financiële instrumenten “liggen” – in gegiraliseerde vorm – bij Euroclear Nederland (het “centraal instituut” in de zin van art. 1, Wge). Eindbeleggers kunnen niet zelf financiële instrumenten aanhouden bij Euroclear Nederland; dit kan enkel via “aangesloten instellingen”. Tot zulke “aangesloten instellingen” behoren (onder andere) custodians. In andere landen worden gewoonlijk vergelijkbare systemen gehanteerd. Zie verder: Schim 2006; Rank- Berenschot 1998, p. 149-167; Haentjens 2007; en Wibier 2014, p. 64-67.
Zie par. 2.5.4.1.
Gesprek ten kantore van DNB, d.d. 11 februari 2015.
Zie verder par. 2.6.
In theorie kan elke belegger zelf zijn activa bewaren. De omvang en complexiteit en de daarmee samenhangende professionalisering van het effectenverkeer maken echter dat het praktisch onmogelijk is om een vermogen te beheren zonder de activa te laten bewaren door een bewaarbank of custodian.1 De bewaring van activa is daarom niet aan te merken als een voor het pensioenfonds “eigen” activiteit. De inschakeling door een pensioenfonds van een custodian is daarom geen uitbesteding.2
Overigens lijkt DNB van mening dat er wél sprake is van uitbesteding.3 De bewaring zou onderdeel zijn van het vermogensbeheer. Bovendien gaat het om een voor pensioenfondsen belangrijke activiteit. Tot slot wordt het toezicht belemmerd indien de inschakeling van een custodian geen uitbesteding zou opleveren. Het eerste argument ziet eraan voorbij dat de bewaring geen activiteit is die normaal door pensioenfondsen zelf wordt verricht. Het tweede argument ziet eraan voorbij dat het criterium van de “eigen” activiteiten een zelfstandig criterium is, naast het criterium van de “wezenlijke” activiteiten. Het derde argument draait de zaken om: uitbesteding mag niet tot een belemmering van het toezicht leiden, maar een belemmering van het toezicht impliceert niet dat er wordt uitbesteed. Overigens lost de tegenstelling tussen deze twee standpunten zich (grotendeels) op. Ook wanneer geen sprake is van uitbesteding moet een pensioenfonds alle relevante risico’s beheersen met het oog op een beheerste en integere bedrijfsvoering.4