Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/I.2.4.2
I.2.4.2 Geheugendetectie in Japan
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459199:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
S. Hira & I. Furumitsu, ‘Polygraphic Examinations in Japan: Application of the Guilty Knowledge Test in Forensic Investigations’, International Journal of Police Science &Management 2002, 1, p. 16-27.
I. Matsuda, H. Nittono & J.B.J. Allen, ‘The current and future status of the concealed information test for field use’, Frontiers in psychology 2012, 3, p. 124-134.
T. Kobayashi, K. Yoshimoto & S. Fujihara, ‘The contemporary situation of field polygraph tests’, Japanese Journal of Physiological Psychology and Psychophysiology 2009, 1, p. 5- 15 en A. Osugi, ‘Daily application of the CIT in Japan’, in: B. Verschuere, G. Ben- Shakhar & E. Meijer (eds.), Memory Detection: Theory and Application of the Concealed InformationTest, Cambridge: Cambridge University Press 2011, p. 253-275 en T. Ogawa, I. Matsuda, M. Tsuneoka & B. Verschuere, ‘The Concealed Information Test in the Laboratory Versus Japanese Field Practice: Bridging the Scientist-Practitioner Gap’, Archivesof Forensic Psychology 2015, 1, p. 16-27 en E.H. Meijer, B. Verschuere, M. Gamer, H. Merckelbach & G. Ben-Shakhar, ‘Deception detection with behavioral, autonomic, and neural measures: Conceptual and methodological considerations that warrant modesty’, Psychophysiology 2016, early view online, p. 3.
T. Yamamura & Y. Miyata, ‘Development of the polygraph technique in Japan for detection of deception’, Forensic Science International 1990, 2-3, p. 268.
T. Yamamura & Y. Miyata, ‘Development of the polygraph technique in Japan for detection of deception’, Forensic Science International 1990, 2-3, p. 260.
A. Osugi, ‘Daily application of the CIT in Japan’, in: B. Verschuere, G. Ben-Shakhar & E. Meijer (eds.), Memory Detection: Theory and Application of the Concealed InformationTest, Cambridge: Cambridge University Press 2011, p. 253.
5.000 onderzoeken / 70 fte = 71,5 onderzoeken per fte. 230 arbeidsdagen / 71,5 onderzoeken = 3,2 dagen per onderzoek.
I. Matsuda, H. Nittono & J.B.J. Allen, ‘The current and future status of the concealed information test for field use’, Frontiers in psychology 2012, 3, p. 124-134.
A. Osugi, ‘Daily application of the CIT in Japan’, in: B. Verschuere, G. Ben-Shakhar & E. Meijer (eds.), Memory Detection: Theory and Application of the Concealed InformationTest, Cambridge: Cambridge University Press 2011, p. 253-275.
I. Matsuda, H. Nittono & J.B.J. Allen, ‘The current and future status of the concealed information test for field use’, Frontiers in psychology 2012, 3, p. 127.
I. Matsuda, H. Nittono & J.B.J. Allen, ‘The current and future status of the concealed information test for field use’, Frontiers in psychology 2012, 3, p. 127.
Uit verschillende publicaties blijkt dat Japan het enige land is dat de geheugendetectiemethode sinds de jaren vijftig1 met succes2 in de strafvorderingspraktijk heeft ingebed3 (en waar het Hooggerechtshof het bewijs toelaatbaar acht (overigens is het voor mij niet duidelijk geworden of de afname vrijwillig of met dwang plaatsvindt)4). Yamamura en Miyata berichtten in 1990 dat in de twintig jaren daarvoor jaarlijks vijfduizend tests werden afgenomen waarvan 40 procent bijdroeg aan een veroordeling, 55 procent als ontlastend bewijs aan een vrijspraak bijdroeg en de overige vijf procent tot een inconclusive uitkomst leidde.5 Ook in 2011 werd melding gemaakt van vijfduizend tests per jaar ten behoeve waarvan ongeveer honderd personen in dienst van de politie zijn.6 Veertig personen waren fulltime bezig met het opstellen en afnemen van een GKT. Stel dat naast de veertig fulltimers het overige personeel ongeveer voor de helft van de tijd wordt ingezet voor GKT-afname, dan wordt met zeventig fulltime-equivalent vijfduizend onderzoeken verricht. Bij 230 arbeidsdagen per jaar heeft een deskundige iets meer dan drie werkdagen nodig om een GKT-onderzoek te voltooien.7
De normale werkwijze, zoals uit de verzameling Engelstalige publicaties en in het bijzonder uit de artikelen van Matsuda, Nittono & Allen8 en Osugi9 is af te leiden, is als volgt: Ten eerste bepaalt de politiechef van het korps dat het onderzoek leidt of een GKT-deskundige wordt ingezet. De GKT-deskundige gaat vervolgens direct naar de plaats delict. Het verdient opmerking dat expliciet melding wordt gemaakt van het feit dat de deskundige niet (!) als rechercheur de plaats delict onderzoekt, maar als GKT-opsteller en -afnemer. Het enige contact dat de deskundige met andere opspoorders heeft, is over de afstemming van het moment van afname van de GKT en het moment van het eerste verhoor. Het is de bedoeling dat ten minste tien onderwerpen op de plaats delict worden geselecteerd waarover vragen in de test komen (zoals opvallende voorwerpen op de locatie). De (neuro)geheugendetectietest wordt voor het verhoor afgenomen (een belangrijke kwestie die in het volgende hoofdstuk uitgebreid aan bod komt), waarbij simultaan huidgeleiding, hartslag, polsslag, ademhaling en sinds kort ook hersenactiviteit worden geregistreerd. Wat betreft het deskundigenrapport is van belang dat de deskundige geen algemeen oordeel over schuld/aanwezigheid van daderkennis rapporteert. Over elke gestelde vraag wordt individueel gerapporteerd of de onderzochte persoon op een of meer neurologische en/of fysiologische maten het daderkennisantwoord heeft herkend.10 Zo kan dus heel precies worden beoordeeld welke daderkennis de verdachte wel en niet bezit.
Een speciale methode behoeft nog in het bijzonder bespreking (zeker omdat deze methode in de wetenschappelijke experimenten niet aan bod komt) en dat is de ‘searching GKT’.11 Als bijvoorbeeld het moordwapen of het lijk nog niet is gevonden, dan biedt deze methode mogelijk uitkomst. Het is (zeer) waarschijnlijk dat de dader het daderkennisantwoord wel herkend. Dit betekent dat de vraag naar de locatie waar het lijk verborgen ligt, waarbij zeer veel plausibele antwoorden aan de verdachte worden getoond, de mogelijkheid bevat dat autoriteiten voor hen nog onbekende informatie uit de persoon weten te krijgen. Dit is te zien als een fishing expedition in het geheugen van de verdachte.