Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.1.3
1.1.3 Gebouwen en werken
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487913:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie TM, PG Boek 3, p. 67.
Zie VV II, PG Boek 3, p. 68.
Als rechtvaardiging voor artikel 6:174 BW stelt Meijers in zijn Toelichting: “Wanneer wellicht vele tientallen jaren na het bouwen van een werk door de gebrekkige toestand daarvan een ongeluk plaatsvindt, zou het voor de benadeelde vaak moeilijk, zo niet ondoenlijk zijn om uit te zoeken of dat gebrek is teweeggebracht door een fout bij de bouw of door een onderhoudsverzuim en zo ja, aan wie die fout of dat verzuim kan worden toegerekend. Vandaar dat wetboeken van ouds aan de benadeelde het recht geven zich voor schadevergoeding te wenden tot degene tot wiens vermogen het bouwwerk behoort, zodat deze persoon het risico krijgt te dragen dat het gebrek niet of niet bewijsbaar is terug te voeren tot de fout van een ander op wie hij regres kan nemen.” Zie TM, PG Boek 6, p. 753.
Zie hierover ook P.J. Wattel in zijn Conclusie bij HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD3578 (Kabelarresten) onder 3.12.
Meijers stelt enkel dat het begrip ‘opstal’ niet nader wordt omschreven, maar dat een tent niet als opstal aan te merken zal zijn, terwijl een directiekeet, een schaapskooi of een schutting wel een opstal is. Zie TM, PG Boek 3, p. 67.
Artikel 1 lid 1 sub c Woningwet.
Hofmann stond een zeer ruime uitleg van het begrip ‘opstallen’ voor. Hij concludeert dat bij een gebouw ook gedacht kan worden aan een gedeelte van een gebouw, zoals een paar verdiepingen. Zie L.C. Hofmann, Het Nederlandsch Zakenrecht, Groningen: Wolters Uitgevers-Maatschappij 1944, p. 322.
HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6999.
HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD3578 (Kabelarresten).
HR 5 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4061.
HR 23 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5590.
HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7857.
HR 17 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2392.
HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4439.
Hoofs voegt hier in het kader van art. 6:176 BW nog aan toe: een rampaaltje, een betonnen drempel, een gemetselde pilaar, alsook een hekwerk. Zie: K.J.H. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 93.
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236.
Zie hierover tevens: K.J.H. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 92.
H.D. Ploeger & C.J.J.M. Stolker, Van grond en aarde, WPNR 1994/6151, p. 643.
Zie VV II, PG Boek 3, p. 68, waarin gesteld wordt: “Leest men nu de toelichting van prof. Meijers (p. 161), dan is daar slechts sprake van de eis van “enige stabiliteit” van de constructie, die op de grond wordt aangebracht. Het is de vraag of daarmede het opstal-begrip niet te veel wordt uitgedijd. “(...) Zij (de commissie, PP) acht het geheel een vraag naar de verkeersopvatting, welke constructies onder “opstallen” in lid 1 begrepen zijn.”
Overigens lijkt dit niet in overeenstemming met de in de Parlementaire Geschiedenis geuite angst dat het onroerende zaaksbegrip te veel zou uitdijen. Vanwege deze angst werd immers het begrip “opstallen” vervangen door de huidige bewoording, waaruit men af kan leiden dat de wetgever in de huidige bewoording van art. 3:3 BW een striktere uitleg zag dan in die van “een constructie met enige stabiliteit”.
Onder het Oud BW was ‘in het algemeen, alles wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast verbonden is’ onroerend. Meijers herformuleerde dit in zijn ontwerp tot:
“Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de door hun wortels met de grond verbonden bomen en planten, alsmede de opstallen met hun hulpzaken.”
Aanvankelijk koos Meijers derhalve voor het begrip ‘opstallen’ en niet voor ‘gebouwen en werken’. Uit zijn Toelichting blijkt dat hij dit begrip niet nader wilde definiëren, maar dat het zijns inziens zag op constructies die enige stabiliteit vertoonden.1 Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat de keuze in dezen voor het begrip ‘opstallen’ zoals Meijers voorstelde, bewust niet gevolgd is:
“Leest men nu de toelichting van prof. Meijers (p. 161), dan is daar slechts sprake van de eis van “enige stabiliteit” van de constructie, die op de grond wordt aangebracht. Het is de vraag of daarmede het opstal-begrip niet te veel wordt uitgedijd. (...) Zij (de commissie, PP) acht het geheel een vraag naar de verkeersopvatting, welke constructies onder “opstallen” in lid 1 begrepen zijn.”2
Uiteindelijk is ervoor gekozen om het begrip ‘opstal’ te vervangen door de woorden ‘gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd’. Dit in aansluiting op het ontwerpartikel 6.3.12 dat Meijers opstelde voor de aansprakelijkheid van een bezitter van een opstal.3 Lid 4 van dit ontwerpartikel luidde:
“onder opstal wordt in dit artikel verstaan met de grond verenigde gebouwen en werken.”
In aansluiting hierop werd in art. 3:3 BW de terminologie ‘gebouwen en werken’ gebezigd.
Het is mijns inziens overigens opmerkelijk dat de wetgever voor de formulering van zo een belangrijk goederenrechtelijk wetsartikel aansluiting zocht bij een wetsartikel dat bedoeld is een risicoaansprakelijkheid4 te vestigen.5 Men kan zich voorstellen dat de aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal ruimer uitgelegd dient te worden, dan de bepaling welke zaken onroerend zijn.
Voor zowel het begrip ‘gebouw’ als het begrip ‘werk’ van art. 3:3 BW ontbreekt een wettelijke definitie. Ook de uitleg in de Parlementaire Geschiedenis blijft summier.6 Het begrip ‘gebouw’ spreekt wellicht het meest tot de verbeelding. In de Woningwet is een gebouw gedefinieerd als:
“elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.”7
Niettemin kan het voorkomen dat onduidelijkheid bestaat over of iets een gebouw is. Zijn bijvoorbeeld de bovenste tien verdiepingen van een woontoren tezamen een gebouw? De vraag of iets een (afzonderlijk) gebouw vormt wordt naar verkeersopvatting beoordeeld. Hiervoor is een voldoende mate van zelfstandigheid vereist. Mist deze zelfstandigheid, bijvoorbeeld door het ontbreken van een eigen opgang, of doordat het op het oog of qua constructie geen eenheid vormt, dan zal het niet als afzonderlijk geheel gezien kunnen worden en derhalve niet kwalificeren als ‘gebouw’.8
Naast gebouwen, zijn ook ‘werken’, indien duurzaam verenigd met de grond, onroerend. Het begrip ‘werk’ komt op verschillende plaatsen in het Burgerlijk Wetboek voor.9 Desondanks bestaat nog altijd onduidelijkheid omtrent de inhoud van dit begrip. “We weten wel wat werken is, maar niet wat werken zijn”, is hoe Heyman het tijdens een college eens verwoordde.
Uit de Toelichting Meijers blijkt ook geen definitie. Wel noemt Meijers in de Toelichting bij ontwerpartikel 6.3.12. een aantal voorbeelden van ‘werken’:
“Het artikel bestrijkt derhalve niet alleen huizen en alle bestanddelen daarvan – zoals liften, brandladders en dergelijke – maar ook muren, schuttingen, sluiswerken, verharde wegen, telefoonpalen, riolen, mijngangen etc.”
Wat betreft de definitie van een opstal merkte Meijers in zijn Toelichting bij ontwerpartikel 3.1.1.2. op, dat men in het algemeen kan zeggen dat een constructie enige stabiliteit moet vertonen, wil deze als opstal aan te merken zijn. Dit geldt om die reden ook voor het begrip ‘werken’.
Opvallend is dat het in bijna alle procedures die gevoerd zijn over art. 3:3 BW draait om de vraag of iets ‘duurzaam verenigd is met de grond’ en niet om de vraag die daar mijns inziens aan vooraf gaat: is de litigieuze zaak te kwalificeren als een ‘werk’? Uit de jurisprudentie is af te leiden dat onder meer grafzerken10, een CAI-kabels11, zeecontainers12, een windturbine13, drijvende steigers14, GSM-zendinstallaties15 en benzinepompen16 kennelijk ‘werken’ zijn.17
In een arrest uit 2010 heeft de Hoge Raad zich wel uitgesproken over wat verstaan dient te worden onder ‘gebouwen en werken’. Het betrof een dispuut over de aansprakelijkheid voor opstallen in de zin van art. 6:174 BW, waarbij de vraag rees of een veendijk een opstal is. De Hoge Raad overwoog:
“Bij de beoordeling van de klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Uit de in lid 4 van art. 6:174 gegeven – ruime – definitie van het begrip ‘opstal’ (“gebouwen en werken [in de wetgeschiedenis ook gezamenlijk aangeduid als ‘bouwwerken’ (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 753-757)] die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken”) kan worden afgeleid dat een (bouw)werk in de zin van deze bepaling naar zijn aard niet louter langs natuurlijke weg tot stand kan komen, maar dat daarvoor menselijk ingrijpen is vereist dat heeft bijgedragen aan de (duurzame) bestemming of functie van dat werk. De mate waarin of de wijze waarop dit menselijk ingrijpen daaraan moet hebben bijgedragen, kan niet bij voorbaat worden bepaald en is mede afhankelijk van het soort van werk en de bestemming of functie ervan. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat het dijklichaam is ontstaan door uitgraving en drooglegging, is gevormd naar de inzichten inwaterkeringen, in stand is gehouden overeenkomstig de door TAW ontwikkelde richtlijnen en is voorzien van een in de grond aangebrachte beschoeiing. Daarvan uitgaande, is zijn oordeel dat de veendijk een opstal is in de zin van art. 6:174 juist.”18, 19
Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat iets een werk is, indien het een constructie is die door mensenhanden vervaardigd is. Dit sluit aan bij hetgeen Ploeger en Stolker reeds in 1994 schreven, namelijk dat ‘gebouwen en werken’ zien op:
“alles wat door mensenhanden als constructie duurzaam met de grond verenigd is, en daardoor nagetrokken wordt (art. 5:20 sub e BW).”20
Een strikt onderscheid tussen gebouwen en werken hoeft echter niet gemaakt te worden nu de rechtsgevolgen hetzelfde zijn. De invulling van deze begrippen geschiedt aan de hand van de verkeersopvatting. Dit blijkt ook uit de Parlementaire Geschiedenis.21, 22