Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.3.2.2
III.6.3.2.2 Hoeveelheid aan informatie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456768:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5254, HR 20 januari 2009,NJ 2009, 225 (Warmtebeeldkijker) en HR 26 oktober 2010, NJ 2010, 587 en HR 13 november 2012, NJ 2013, 413. Zie ook Kamerstukken II 1996-1997, 25 403, nr. 3, p. 26-27.
Kamerstukken II 1996-1997, 25 403, nr. 3, p. 26-27.
Zie bijvoorbeeld HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0004, r.o. 3.5.2, 3.6 en Rechtbank Rotterdam 11 mei 2011, ECLI:RBROT:2011:BQ6878 en Hof Amsterdam 9 januari 2012, ECLI:GHAMS:2012:BV2567 en HR 13 november 2012, NJ 2013, 413, r.o. 2.6.2.
HR 13 november 2012, NJ 2013, 413, r.o. 2.3.2, 2.7.2. Zie ook Hof Amsterdam 6 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4988.
Hof Amsterdam 9 januari 2012, ECLI:GHAMS:2012:BV2567.
Rechtbank Amsterdam 9 februari 2010, ECLI:RBAMS:2010:BM1663.
HR 12 februari 2002, NJ 2002, 301, r.o. 3.2, 3.4.
Rechtbank Rotterdam 11 mei 2011, ECLI:RBROT:2011:BQ6878.
Ook bij de vergaring en verwerking van niet of minder gevoelige gegevens kunnen problemen met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van burgers ontstaan. In de rechtspraak speelt als tweede ijkpunt de hoeveelheid informatie die over de burger is verzameld en/of de volledigheid van het beeld dat van het privéleven wordt verkregen op basis van de vergaarde informatie een rol van betekenis.1 Anders dan bij de gevoeligheid van de informatie, waarbij over elk verkregen stuk informatie een beslissing over de gevoeligheid moet worden genomen, wordt bij dit aspect van de beoordeling van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer alle verkregen informatie in onderlinge samenhang bezien om te beoordelen of het privéleven is geëerbiedigd. Volgens de regering zijn de volgende elementen van belang om te beoordeling of een observatie van een persoon van zodanige aard is dat moet worden gesproken van een inbreuk op het privéleven:
‘de duur, de plaats, de intensiteit of frequentie en het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel dat méér biedt dan alleen versterking van de zintuigen. Ieder voor zich, maar met name in combinatie, zijn deze elementen bepalend voor de vraag of een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen.’2
De algemene toets die gerechten gebruiken om te beoordelen of en in welke mate de inzet van (een) opsporingsmethode(n) inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt (maken), is de vraag of de gebruikte methode(n) geschikt is (zijn) om ‘een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene’.3 Het veelvuldig maar telkens kortstondig observeren van een persoon (een veelpleger) – die zelf de indruk had constant te worden gevolgd door agenten in burger – in gebieden waar veel vermogensdelicten worden gepleegd, levert slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer op (m.a.w. er wordt door deze methode geen min of meer volledig beeld verkregen van bepaalde aspecten van iemands leven).4 Door enkele uren een persoon te volgen, met behulp van (voor iedereen zichtbare) camera’s op Schiphol, wordt geen min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van de geobserveerde persoon verkregen.5 Gedurende vier maanden meer dan zestig bezoeken brengen en de situatie waarnemen bij het opgegeven en mogelijke verblijfadres, levert geen min of meer volledig beeld van een bepaald aspect van het privéleven op, vooral omdat de verrichte waarnemingen in het openbaar hebben plaats gevonden.6 Vijf maanden een woning met een statische camera observeren en tijdens die periode meer dan twintig dynamische observaties van gemiddeld vijf uren verrichten, wordt ook als een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer gezien.7 Al deze zaken hebben gemeen dat de observaties in het openbaar of in openbare ruimtes hebben geplaats gevonden. Gezien de zaken waarin langdurig (vijf maanden onafgebroken), frequent (meer dan zestig observaties gedurende vier maanden) en een combinatie van statische en dynamische observaties werden toegepast, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat observaties in het openbaar zelden (en waarschijnlijk nooit) tot voldoende hoeveelheid informatie leiden zodat de autoriteiten een min of meer volledig beeld van een bepaald aspect van iemands leven verkrijgen. Dit blijft derhalve beperkt tot informatie verkrijgen uit het niet-publieke domein.
Overigens worden de twee punten – de gevoeligheid en de volledigheid – in de rechtspraak niet strikt gescheiden.8 Soms wordt de mate van indringendheid meegewogen in het oordeel of een min of meer volledig beeld is verkregen. Gezien de lijn in de jurisprudentie dat waarnemingen in het openbaar slechts tot een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer leiden, is het ook niet verwonderlijk dat gevoeligheid en volledigheid elkaar aanvullen in de beoordeling van de grootte van de inbreuk. De jurisprudentielijn komt op mij over alsof pas sprake is van een min of meer volledig beeld van een bepaald aspect van iemands leven als een hoeveelheid aan afgeschermde, gevoelige gegevens (waarmee ik niet per definitie gevoelige gegevens in de zin van de wet bedoel) wordt bemachtigd. Dit zijn belangrijke ijkpunten voor de toetsing van de toepassing van opsporingsmethoden in het licht van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
De autoriteiten hebben pas een min of meer volledig beeld van een bepaald levensaspect als zij gegevens bezitten die voldoende gevoelig zijn om zo’n uitgebreid beeld te creëren. In de woning van een verdachte kan post van een politieke partij rondslingeren, aan de muur hangen foto’s waardoor ras en misschien geloofsovertuiging zijn af te leiden en waarop te zien is met wie (intieme) sociale relaties bestaan, er is voldoende genetisch materiaal beschikbaar voor een DNA-analyse, de correspondentie met ziektekostenverzekering en zorgaanbieders ligt ergens. Pas met zulk soort informatie kan een min of meer volledig beeld over de sociale identiteit, fysieke en biologische identiteit, etnische identiteit worden verkregen. Het enkele volgen of waarnemen van gedrag in het openbaar leidt daartoe meestal niet.