Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.5.5
2.5.5 Wanneer zijn er voldoende argumenten voorhanden voor een pleitbaar standpunt?
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS568689:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk A-G Aben, conclusie van 7 juni 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BQ8596, r.o. 12.5.
Uit de gepubliceerde processtukken is in ieder geval niet op te maken dat het pleitbaar standpunt verweer is gevoerd. HR 22 juli 1988, BNB 1988/271, r.o. 5; HR 13 september 2000, BNB 2000/348, ECLI:NL:HR:2000:AA7073, r.o. 3.11; HR 8 februari 2002, BNB 2002/150, ECLI:NL:HR:2002:AD9105, r.o. 3.3; HR 2 maart 2012, BNB 2012/123, ECLI:NL:HR:2012:BP3858, r.o. 3.5. In HR 26 november 1986, BNB 1987/31, r.o. 4.2; HR 26 november 1986, BNB 1987/305, r.o. 4.4; HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091, r.o. 2.3, heeft de belastingkamer van de Hoge Raad niet expliciet overwogen dat het standpunt pleitbaar was, maar heeft zij overwogen dat opzet en grove schuld ontbraken omdat het standpunt over het belastinggeschil door de rechter in feitelijke instantie was gevolgd.
HR 17 februari 1988, BNB 1988/252; HR 6 december 2000, BNB 2001/191, ECLI:NL:HR:2000:AA8852; HR 13 augustus 2010, BNB 2010/295, ECLI:NL:HR:2010:BJ4914.
Vergelijk M.W.C. Feteris in zijn noot onder BNB 2004/75, onder 11, Bruijsten 2012-2, p. 369.
Hiervoor heb ik laten zien dat rechtskundige standpunten van de belastingplichtige die in een belastinggeschil door een belastingrechter in feitelijke instantie zijn gevolgd, dan wel aanleiding hebben gegeven tot prejudiciële vragen of hebben geleid tot een conclusie van een A-G, worden verondersteld pleitbaar te zijn. Deze omstandigheden maken het standpunt echter niet pleitbaar. Dat standpunt was al pleitbaar ten tijde van het doen van de aangifte. Als het standpunt vervolgens is overgenomen door een belastingrechter of heeft geleid tot prejudiciële vragen of een conclusie van een A-G, wordt (achteraf) slechts bevestigd dat het standpunt pleitbaar is.
Als een standpunt pleitbaar is, is het derhalve al pleitbaar voordat de belastingrechter in feitelijke instantie in de onderhavige zaak het standpunt heeft gevolgd. Wellicht heeft op het moment van het doen van de aangifte een belastingrechter in feitelijke instantie in een vergelijkbare zaak het standpunt al gevolgd, of heeft het standpunt in een vergelijkbare zaak geleid tot prejudiciële vragen of een conclusie van een A-G, maar voor de conclusie dat het standpunt pleitbaar is, is dat niet noodzakelijk.
Het pleitbare standpunt komt op in situaties waarin de uiteindelijke uitkomst van de interpretatie of de toepassing van het belastingrecht onduidelijk is, of dat nu wordt veroorzaakt door open normen, mogelijk conflicterende bepalingen, of de mogelijke toepassing van de bijzondere rechtsvindingsmethoden. Totdat de belastingkamer van de Hoge Raad, het Hof van Justitie van de Europese Unie of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich over het belastinggeschil in dezelfde of in een vergelijkbare zaak heeft uitgelaten, kunnen verschillende interpretaties of toepassingen van het recht voorhanden zijn en bestaat er ruimte voor een pleitbaar standpunt.1
De omstandigheid dat aan de hand van de hiervoor genoemde bronnen en methoden andere interpretaties of toepassingen van het recht mogelijk zijn, hoeft echter nog niet mee te brengen dat die andere interpretaties of toepassingen van het recht ook altijd pleitbaar zijn.
In zaken waarin een standpunt pleitbaar wordt geacht zonder dat een belastingrechter dat standpunt heeft gevolgd of een A-G zich over dat standpunt heeft uitgelaten, worden in de onderbouwing van het oordeel dat een standpunt pleitbaar is vaak meer argumenten uit verschillende rechtsbronnen genoemd. Maar wanneer zijn er voldoende argumenten voorhanden om een standpunt pleitbaar te doen? Voor het antwoord op deze vraag knoop ik aan bij de veronderstelling dat rechtskundige standpunten van de belastingplichtige die door een belastingrechter in feitelijke instantie in het belastinggeschil zijn gevolgd, in ieder geval pleitbaar zijn. Een standpunt is naar mijn mening pleitbaar als er, bezien op het moment van het doen van de aangifte, zodanig uit het recht en de jurisprudentie afkomstige argumenten zijn aan te voeren (niet: zijn aangevoerd) dat het door een belastingrechter kán worden gevolgd. Hierna noem ik dit ook wel het “stoel van de rechter” criterium.
De beoordeling of een standpunt pleitbaar is, vraagt overigens minder inspanning van de rechter dan op het eerste gezicht zou kunnen worden gedacht. Het pleitbaar standpunt verweer wordt immers in fiscale boeteprocedures pas behandeld nadat door de beslechting van het belastinggeschil vast is komen te staan dat de door de inspecteur opgelegde belastingaanslag juist is en de door de belastingplichtige ingediende belastingaangifte, alsmede de daarop gebaseerde heffing of -betaling, onjuist. In fiscale strafprocedures komt het verweer aan de orde nadat de strafrechter zich ervan heeft overtuigd dat de aangifte onjuist is. Zowel de belastingrechter als de strafrechter hebben zich dus al, voordat zij zich over het pleitbaar standpunt verweer moeten buigen, een beeld kunnen vormen van de argumenten voor en tegen het door de belastingplichtige ingenomen standpunt. De vaststelling eerder in dit hoofdstuk, in paragraaf 2.4.3, dat de belastingkamer van de Hoge Raad in een aantal arresten uit eigen beweging heeft geoordeeld dat een standpunt pleitbaar is, sluit hierop aan.2
Hoe verschillend belastingrechters over rechtskundige standpunten kunnen oordelen, wordt geïllustreerd door een aantal arresten waarin de belastingkamer van de Hoge Raad, nadat de belastingplichtige met zijn standpunt over de belastingheffing of -betaling voor het hof niet alleen ongelijk had gekregen maar zelfs de boete zag gehandhaafd, heeft geoordeeld dat het standpunt niet slechts pleitbaar maar zelfs juist was.3 Het zojuist voorgestelde “stoel van de rechter” criterium zou daarom naar mijn mening met een zekere ruimhartigheid moeten worden toegepast.4