Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.1.0
III.6.2.1.0 Introductie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS453192:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere EHRM (GK) 4 december 2008, NJCM Bulletin 2009, 4, r.o. 95, m.nt. Van der Staak (S. & Marper vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09, r.o. 248 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)) en EHRM (GK) 12 november 2013, appl. no. 5786/08, r.o. 78 (Söderman vs. Zweden).
Zie ook P.H.P.H.M.C. van Kempen, Repressie door mensenrechten (oratie Nijmegen), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2008, p. 36, 37, 39, 47.
Zie bijvoorbeeld EHRM 26 maart 1985, appl no. 8978/80, r.o. 23 (X. & Y. vs. Nederland) en EHRM (GK) 7 februari 2012, appl. nos. 40660/08 & 60641/08, r.o. 98 (Von Hannover vs. Duitsland (nr. 2)).
EHRM (GK) 7 februari 2012, appl. nos. 40660/08 & 60641/08, r.o. 99 (Von Hannover vs. Duitsland (nr. 2)).
Zie onder andere EHRM (GK) 15 maart 2012, appl. nos. 4149/04 & 41029/04, r.o. 58 (Aksu vs. Turkije) en EHRM (GK) 12 september 2012, appl. no. 10593/08, r.o. 151 (Nada vs. Zwitserland) en EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09, r.o. 248 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)) en EHRM 18 april 2013, appl. no. 7075/10, r.o. 193 (Ageyevy vs. Rusland) en EHRM 6 juni 2013, appl. no. 18071/05, r.o. 208 (Maskhadova en anderen vs. Rusland) en EHRM 6 juni 2013, appl. no. 38450/05, r.o. 117 (Sabanchiyeva en anderen vs. Rusland) en EHRM 16 januari 2014, appl. no. 7988/09, r.o. 67 (Zalov & Kakhulova vs. Rusland). Zie ook de omschrijving over artikel 8 EVRM in de dissenting opinion bij EHRM (GK) 25 juni 2015, appl. no. 46043/14 (Lambert en anderen vs. Frankrijk): ‘which protects an extremely wide panoply of human actions based on personal choices and going in various directions’.
EHRM 16 december 1992, appl. no. 13710/88, r.o. 29 (Niemietz vs. Duitsland).
Artikel 8 EVRM heeft volgens het EHRM als doel het beschermen van de privacy van individuen tegen willekeurige inmenging door de autoriteiten.1 Hoewel de tekst van deze bepaling anders zou kunnen doen vermoeden, worden uit artikel 8 EVRM en de doelstelling die daaraan wordt gekoppeld overigens niet louter negatieve verplichtingen afgeleid.2 Een nevendoel – naast de negatieve verplichting voor staten om zich niet op arbitraire gronden te mengen in de privacy van burgers – is het waarborgen van de privacy door positieve verplichtingen te creëren.3 Met andere woorden, de staat dient in bepaalde omstandigheden actief de privacy van burgers te beschermen of te bevorderen. Overigens vinden beide verplichtingen de grondslag in dezelfde uitgangspunten:
‘The boundary between the State’s positive and negative obligations under Article 8 does not lend itself to precise definition; the applicable principles are, nonetheless, similar.’4
In het vervolg wordt daarom geen onderscheid gemaakt tussen de negatieve en positieve verplichtingen bij de uitwerking van artikel 8 EVRM.
In artikel 8 EVRM worden zoals opgemerkt vier onderdelen van privacy onderscheiden. Dat zijn het privé- en familieleven, de woning en de correspondentie. Zeker het begrip privéleven is een vage term en ook het EHRM stelt dat het een brede, ruime term is waarvan geen uitputtende definitie van kan worden gegeven:5 ‘The Court does not consider it possible or necessary to attempt an exhaustive definition of the notion of “private life”.’6 Het privéleven omvat ook familiaire banden, wordt geleefd in de woning en zonder communicatie is het privéleven een afgezonderd, besloten leven. Door deze onduidelijkheden en overlappingen is het derhalve noodzakelijk om de begrippen nader uit te werken om ze te kunnen gebruiken als concrete toetsstenen voor opsporingsmethoden. Hieronder werk ik de begrippen aan de hand van de rechtspraak van het EHRM uit (zoals dat ook in het vorige hoofdstuk bij de notie menselijke waardigheid is gebeurd). Op deze wijze worden de begrippen beschreven en geconcretiseerd waarna het eenvoudiger is om te beoordelen of de inzet van een opsporingsmethode de uitoefening van een van de onderdelen van het recht op respect voor privacy beperkt.