Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.5.2.2
2.5.2.2 Moment aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een standpunt pleitbaar is
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS572320:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 mei 1994, BNB 1994/252, r.o. 3.8; HR 28 mei 2004, BNB 2004/249, ECLI:NL:HR:2004:AP0228, r.o. 3.2.
Hof Leeuwarden 31 oktober 1986, V-N 1987/2559 (“toentertijd”), 3; Hof Amsterdam 13 mei 1987, FED 1988/211, r.o. 4; Hof Arnhem 29 augustus 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB3520, r.o. 5.4.2; Rb. Breda 1 september 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BK9160, r.o. 4.5.3; Hof Arnhem 22 oktober 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG1767, r.o. 4.27; Hof Arnhem 7 april 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI1452, r.o. 4.11; Hof Amsterdam 22 oktober 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1476, r.o. 4.10; Hof Amsterdam 1 juli 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN2346, r.o. 4.9; Hof Arnhem 2 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO4476, r.o. 4.13; Rb. Haarlem 8 maart 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ1297, r.o. 4.7; Hof ’s-Gravenhage 16 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BT6259, r.o. 6.9; Hof Amsterdam 7 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4633, r.o. 6.15 (strafmaatverweer); Hof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7970, r.o. 4.8 (“op voorhand”); Hof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4222, r.o. 4.7 (“op voorhand”); Hof Amsterdam 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4098, r.o. 4.5.6.
De rechter beoordeelt het belastinggeschil aan de hand van het recht dat geldt op het moment van het doen van de aangifte. In het verlengde daarvan zou aan de hand van dat moment ook moeten worden bezien welke verschillende interpretaties of toepassingen van het recht dan voorhanden zijn en vervolgens of er sprake kan zijn van een pleitbaar standpunt.
In de arresten van de belastingkamer van de Hoge Raad heb ik over dit moment geen beslissingen gevonden. Er zijn wel twee arresten waarin de belastingkamer heeft overwogen dat een belastingplichtige niet zonder meer opzet of grove schuld kan worden verweten omdat een rechtskundig standpunt ten tijde van het doen van de aangifte niet op voorhand of evident onjuist was.1 Dit lijkt erop te wijzen dat inderdaad aan de hand van het moment waarop de aangifte wordt gedaan moet worden bezien of een standpunt pleitbaar is. In deze arresten heeft de belastingkamer van de Hoge Raad echter niet geoordeeld dat het standpunt pleitbaar is, maar slechts dat het standpunt niet op voorhand of evident onjuist was. Het standpunt zou derhalve ook niet pleitbaar onjuist kunnen zijn geweest, maar als gevolg van de ingewikkeldheid van het recht niet zo kenbaar onjuist dat van opzet of grove schuld kan worden gesproken. Deze arresten kunnen daarom ook betrekking hebben op het moment aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of opzet of grove schuld aanwezig is.
De rechter in feitelijke instantie heeft wel meermaals geoordeeld dat het moment van het doen van de aangifte het moment is aan de hand waarvan moet worden vastgesteld of een standpunt pleitbaar is.2 Alles in aanmerking nemende hanteer ik dit hierna als uitgangspunt.
Dit uitgangspunt brengt vervolgens mee dat een standpunt niet pleitbaar wordt doordat een belastingrechter op enig moment dat standpunt heeft gevolgd of in verband met dat standpunt prejudiciële vragen heeft gesteld, of doordat dat standpunt tot een conclusie van een A-G heeft geleid. Een dergelijk standpunt is reeds pleitbaar ten tijde van het doen van de aangifte. Wanneer het standpunt door een belastingrechter wordt gevolgd, tot prejudiciële vragen of tot een conclusie leidt, wordt bevestigd dat het standpunt pleitbaar is.