Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.3.2.2:IV.8.3.2.2 Het biologische spoor
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.3.2.2
IV.8.3.2.2 Het biologische spoor
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451988:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De lichamelijke fixatie is bij neurogeheugendetectie enkel een middel. Door lichamelijke fixatie toe te passen, worden met neurogeheugendetectie twee verschillende ‘sporen’ vergaard. Het eerste spoor, de ruwe data, bestaat uit biologische sporen. Als ruwe data kunnen zowel fysiologische als neurologische parameters worden gebruikt. Idealiter combineert de GKT-deskundige verschillende maten zodat een intern controlemechanisme tot stand komt als waarborg tegen foutieve categorisaties. De kans is natuurlijk veel kleiner dat een onschuldige bij meerdere daderkennisitems zowel een verhoogde ademhaling als versnelde hartslag als een hersenactiviteitspiek creëert. Vanuit mensenrechtelijk perspectief rijst de vraag of de verkrijging van biologische sporen een ongerechtvaardigde aard en mate van dwang oplevert. Omdat deze ruwe data als zodanig geen (identificerende) informatie over een persoon opleveren, wordt geen inbreuk op het informationele aspect van privacy gemaakt en geen aard van dwang gebruikt die tot een schending van het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel kunnen leiden door de verkrijging van contents of the mind. Ik analyseer daarom ook het biologische spoor alleen in het licht van het verbod op vernederen en de inbreuk op de afgeschermde fysieke privézone.
De vraag rijst of de in de dagelijkse praktijk van de geneeskunde volledig aanvaardde methoden (in normale omstandigheden), zoals het waarnemen van hartslag, ademhaling en hersenactiviteit, het noodzakelijke minimum niveau voor een vernederende behandeling overschrijden. Natuurlijk kan het voorkomen dat een geaccepteerde methode, zoals het afnemen van bloed of het toedienen van braakmiddel, onder bepaalde omstandigheden vernederend is. Maar normaliter is dat niet het geval. Dat zou namelijk betekenen dat in de dagelijkse praktijk van een ziekenhuis continue patiënten worden vernederd. Daarnaast en belangrijker, deze meetmethoden zijn op zichzelf niet of nauwelijks ingrijpend te noemen en kunnen bij de verdachte alleen volledig irrationele angsten opwekken. Het lichaam wordt ‘uitgerust’ met meetapparatuur, bijvoorbeeld een helm met elektroden om hersenactiviteit te meten en een hartslagmeter om de borst. Een helm of een hartslagmeter leveren geen letsel of pijn op, zijn slechts in zeer geringe mate irriterend te noemen en worden zeker niet met het doel om- en opgedaan om de verdachte zich inferieur te laten voelen of angst aan te jagen (zover dat mogelijk is). Dat deze gevoelens bij de verdachte worden opgeroepen lijkt mij onmogelijk (of volledig irrationeel) door meetmethoden die in de praktijk zijn geaccepteerd en geen letsel of pijn opleveren en zeker niet als ingrijpend zijn te karakteriseren.
De inbreuk die met dit kenmerk van neurogeheugendetectie op het recht op respect voor privacy wordt gemaakt, komt het sterkst overeen met het afnemen van lichaamsmateriaal, dat de ruwe data vormt voor een DNA-vergelijkingsonderzoek. Beide methoden hebben gemeen dat het afnemen van biologisch materiaal noodzakelijk is voor verdere analyse. Het biologisch materiaal kan worden geanalyseerd zodat het naar de persoon leidt waarvan lichaamsmateriaal op de plaats delict is gevonden of, in het geval van neurogeheugendetectie, die daderkennis bezit. Dit maakt dat afwegingen die destijds zijn gemaakt om (ten minste) de afname en analyse van lichaamsmateriaal als een gerechtvaardigde inbreuk op mensenrechten te zien, hoogstwaarschijnlijk ook gelden voor neurogeheugendetectie. Mijns inziens is DNA-onderzoek, in welke vorm dan ook, zelfs ingrijpender dan neurogeheugendetectie als de focus op het biologische spoor ligt (en het cognitieve spoor voor nu wordt genegeerd). Hersenactiviteit, hartslag, ademhaling, zweetproductie en spierspanning leveren geen identificerende informatie op, zijn informatiearm en niet voor toekomstige onderzoeken te gebruiken. Van heel veel personen in de wereld is de maximale hartslag 197 en de hartslag in rust 55. Dat een hersenactiviteitspiek op een bepaalde locatie bij (min of meer) alle mensen op min of meer dezelfde locatie in de hersenen plaatsvindt als zij informatie herkennen (in plaats van voor het eerst waarnemen), is de basis van neurogeheugendetectie. Zonder deze overeenkomst van biologische reacties zou neurogeheugendetectie niet kunnen bestaan. Een DNA-profiel is wel uniek en (tegenwoordig) bestaan veel mogelijkheden om identificerende informatie (zoals lichaamskenmerken) uit lichaamsmateriaal af te leiden. De informatierijkheid van een DNA-profiel is dus vele mate hoger dan de informatie die wordt verkregen met neurogeheugendetectie. Als het meerdere de verdachte niet vernedert en geen ongerechtvaardigde inbreuk op de afgeschermde fysieke privézone maakt, dan kan het mindere – de biologische sporen verkregen door neurogeheugendetectie – ook geen schending opleveren van dezelfde mensenrechten.