Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.2.4
7.2.4 Rechten als bestanddelen
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS455642:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MünchKommBGB/Stresemann 2012 §93 nr. 1-4, 7, 9; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §93 nr. 3, 7-8, 14 e.v. In de literatuur wordt door sommigen wel onderscheid tussen wesentliche en unwesentliche bestanddelen gemaakt. Dit onderscheid is echter weinig relevant, omdat de unwesentliche Bestandteile in wezen zelfstandige zaken zijn; ze zijn sonderrechtsfähig: Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §93 nr. 38. De wet bevat daarvoor dan ook geen regeling. MünchKommBGB/Stresemann 2012 §93 nr. 2: “Kommt es allein auf die Sonderrechtsfähigkeit an, ist eine Abgrenzung zwischen selbständiger Sache und unwesentlichem Bestandteil entbehrlich, da beide Gegenstand besonderer Rechte sein können.”
Dat het hierbij gaat om wezenlijke bestanddelen, blijkt niet uit de tekst van de wet. In ieder geval wordt aangenomen dat de bestanddeelvorming van §96 BGB hetzelfde gevolg heeft als het zijn van wezenlijk bestanddeel: MünchKommBGB/Stresemann 2012 §96 nr. 1, 6; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §96 nr. 8; Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 859; Wilhelm 2010, nr. 45.
MünchKommBGB/Stresemann 2012 §96 nr. 1-2, 6-7; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §96 nr. 3, 8-9.
MünchKommBGB/Stresemann 2012 §96 nr. 1; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §96 nr. 1.
Vgl. Wolf 1965, p. 100 e.v.
Art. 3:7, 82 BW; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 8; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 27.
Denk ook aan het geval waarin bijvoorbeeld een verpande vordering is gesecureerd door middel van een hypotheekrecht; de pandhouder mag dan het hypotheekrecht (als afhankelijk van de vordering waarop het pandrecht rust) uitoefenen: Steneker 2012, nr. 54; vgl. HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2619, NJ 2006/362 (Rabobank/Stormpolder) en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3619, NJ 2016/34 (ABN AMRO/Marell); zie ook Wolf 1965, p. 100 e.v. Naar Nederlands recht rust het pandrecht uitsluitend op de vordering, niet (tevens) op het hypotheekrecht.
Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 8; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 27; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 47; waar wordt gesproken van het hoofdrecht enerzijds en het afhankelijke recht anderzijds.
192. In het Duitse recht doet zich bij bestanddeelvorming een bijzonderheid voor. Of iets een zelfstandige zaak is of een bestanddeel, wordt in het Duitse recht net als in het Nederlandse recht in beginsel beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting. Vormen zaken van nature één geheel, dan wordt aangenomen dat geen bestanddelen te onderscheiden zijn. Vervolgens is het de vraag of dit bestanddeel gekarakteriseerd kan worden als wesentlich (wezenlijk). In dat geval namelijk kan het bestanddeel geen object van afzonderlijke rechten vormen, is het niet sonderrechtsfähig. Dat is het geval wanneer het wegnemen van het bestanddeel zou leiden tot het fysiek of economisch vernietigen van één van de delen van de zaak. De regeling beoogt te voorkomen dat door opdeling van de zaak haar delen waardeloos worden. In het navolgende doel ik met de term “bestanddeel” telkens op een dergelijk wezenlijk bestanddeel.1
De bijzonderheid van het Duitse recht is gelegen in §96 BGB. Die paragraaf bepaalt dat rechten die met het eigendomsrecht op een onroerende zaak verbonden zijn, ook (wezenlijk)2bestanddeel van de onroerende zaak zijn. Hierbij moet gedacht worden aan de rechten die de eigenaar als eigenaar van het heersende erf toekomen, zoals het recht van erfdienstbaarheid (Grunddienstbarkeit, §1018 BGB), maar ook het goederenrechtelijke voorkeursrecht (dingliche Vorkaufsrecht) en de Reallast (een soort grondrente) die gevestigd zijn ten gunste van de eigenaar van een (daardoor heersend) erf (§1105 Abs. 2 en §1094 Abs. 2 BGB).3 Voorts vallen hieronder ook het recht op retributie van de bloot eigenaar (Erbbauzins, §9 ErbbauRG) en andere goederenrechtelijke rechten die de eigenaar in diens hoedanigheid toekomen, zoals de Überbaurente en de Notwegrente (recht op vergoedingen voor overbouw en noodweg) enerzijds en het recht op dulden van de overbouw en noodweg anderzijds (§§912, 913, 917 BGB). Het rechtsgevolg van de kwalificatie van deze rechten als bestanddeel is dat zij niet afzonderlijk vatbaar zijn voor goederenrechtelijke rechten, zij zijn niet sonderrechtsfähig en volgen het lot van de onroerende zaak.4
Nu deze rechten die bestanddeel zijn, geen zelfstandige rechten – maar bestanddeel – zijn, doet zich vanuit het perspectief van het Duitse recht, binnen dat systeem, geen uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor. In de Duitse literatuur wordt echter ook erkend dat het bij het bestempelen van rechten tot bestanddeel uit §96 BGB om een fictie gaat.5 Het betreft hier natuurlijk geen bestanddelen als alle andere en men zou zich kunnen afvragen of de verkeersopvatting deze rechten als bestanddelen zou kwalificeren. Vanuit Nederlands perspectief is het opmerkelijk dat rechten bestanddeel kunnen zijn van een zaak. De voorbeelden die ik zojuist noemde zijn in het Nederlands recht te kwalificeren als afhankelijk recht of als recht deel uitmaakt van de inhoud van het eigendomsrecht. Door (bijvoorbeeld) een recht van erfdienstbaarheid bestanddeel te laten zijn van het heersende erf, ontstaat een situatie waarbij vanuit Nederlands perspectief wellicht gesproken zou kunnen worden van één recht op zowel het erf als de erfdienstbaarheid. Vanuit Duits perspectief is dit uiteraard niet het geval, juist omdat het recht van erfdienstbaarheid op grond van §96 BGB een bestanddeel is en dus geen zelfstandig object meer is. Er is dan eerder sprake van de eerderbesproken ‘verkapte’ algemeenheid.
193. Bezien vanuit het perspectief van het Duitse recht zou de vraag gesteld kunnen worden of (ook in het Nederlandse recht) bij afhankelijke rechten niet in wezen ook sprake is van één recht.6 Over afhankelijke rechten kan niet afzonderlijk beschikt worden; zij volgen het lot van het hoofdrecht.7 In het Nederlandse recht zijn bijvoorbeeld het recht van erfdienstbaarheid en het heersende erf strikt genomen twee afzonderlijke rechten, maar zou door de afhankelijkheid niet gezegd kunnen worden dat één recht op beide rechten bestaat?8Vanuit het Nederlandse systeem geredeneerd niet,9maar het Duitse systeem laat zien dat die opvatting wel denkbaar en werkbaar is.
Deze vergelijking van het Nederlandse met het Duitse recht laat zien dat het aannemen van bestanddeelvorming of afhankelijkheid een goederenrechtelijke band kan creëren tussen twee (potentiële) objecten, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het uniciteitsbeginsel: in het Duitse recht vormen de bedoelde rechten een bestanddeel van de onroerende zaak en zijn ze daardoor geen zelfstandig rechtsobject meer, waardoor een uitzondering op het uniciteitsbeginsel zich niet voor kan doen. In het Nederlandse recht volgt het afhankelijke recht van rechtswege het lot van het hoofdrecht, maar worden beide rechten wel als afzonderlijke rechten op afzonderlijke rechten gezien, waardoor ook daar het principe van uniciteit overeind blijft. Een alternatief was geweest het aannemen van één recht op beide objecten (rechten) tezamen, waardoor deze objecten aan elkaar gekoppeld worden. Dit toont aan dat het al dan niet toestaan van het bestaan van één goederenrechtelijk recht op meerdere objecten vooral een keuze is in het op een bepaalde manier inrichten van het wettelijk systeem en van het groeperen van bepaalde regels onder een bepaalde noemer, zoals ‘bestanddeelvorming’, ‘afhankelijkheid’ of ‘algemeenheid’.