Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.1.2
III.6.2.1.2 Familieleven
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450811:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 6 juni 2013, appl. no. 18071/05, r.o. 208 (Maskhadova en anderen vs. Rusland) en EHRM 6 juni 2013, appl. no. 38450/05, r.o. 117 (Sabanchiyeva en anderen vs. Rusland) en EHRM 16 januari 2014, appl. no. 7988/09, r.o. 67 (Zalov & Kakhulova vs. Rusland).
Zie bijvoorbeeld EHRM 6 juni 2013, appl. no. 18071/05, r.o. 212 (Maskhadova en anderen vs. Rusland) en EHRM 6 juni 2013, appl. no. 38450/05, r.o. 123 (Sabanchiyeva en anderen vs. Rusland) en EHRM 16 januari 2014, appl. no. 7988/09, r.o. 72 (Zalov & Kakhulova vs. Rusland).
EHRM (GK) 12 september 2012, appl. no. 10593/08, r.o. 152 (Nada vs. Zwitserland).
EHRM 28 juni 2007, appl. no. 76240/01, r.o. 117 (Wagner & J.M.W.L vs. Luxemburg) en EHRM (GK) 12 september 2012, appl. no. 10593/08, r.o. 152 (Nada vs. Zwitserland).
EHRM 7 februari 2002, appl. no. 53176/99, r.o. 51 (Mikulic vs. Kroatië).
EHRM (GK) 12 juli 2001, appl. no. 25702/94, r.o. 150 (K. & T. vs. Finland).
EHRM 7 februari 2002, appl. no. 53176/99, r.o. 51 (Mikulic vs. Kroatië) en EHRM (GK) 3 april 2012, appl. no. 41723/06, r.o. 66 (Gillberg vs. Zweden).
EHRM 8 januari 2009, appl. no. 10606/07, r.o. 30 (Joseph Grant vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 21 december 2010, appl. no. 20578/07, r.o. 56 (Anayo vs. Duitsland).
EHRM 8 januari 2009, appl. no. 10606/07, r.o. 30 (Joseph Grant vs. het Verenigd Koninkrijk). Zie ook EHRM 3 oktober 2010, appl. no. 28369/95, r.o. 36 (Camp & Bourimi vs. Nederland) en EHRM 13 januari 2004, appl. no. 36983/97, r.o. 42 (Haas vs. Nederland) en EHRM (GK) 3 april 2012, appl. no. 42857/05, r.o. 50 (Van der Heijden vs. Nederland).
D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Harris, O’Boyle & Warbrick: Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 395.
EHRM 27 september 2009, appl. no. 32250/08, r.o. 170 (Diamante & Pellicioni vs. San Marino) en EHRM 11 december 2012, appl. no. 40628/10, r.o. 45 (Ball vs. Andorra) en EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09, r.o. 248 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)).
EHRM 6 november 2011, appl. no. 27966/06, r.o. 51 (Sobota-Gajic vs. Bosnië-Herzegovina) en EHRM (GK) 4 december 2007, appl. no. 44362/04, r.o. 70 (Dickson vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 12 november 2013, appl. no. 5786/08, r.o. 78 (Söderman vs. Zweden).
EHRM 25 juli 2013, appl. no. 27183/04, r.o. 134 (Rousk vs. Zweden).
EHRM 5 maart 2015, appl. no. 28718/09, r.o. 62 (Kotiy vs. Oekraïne).
EHRM 25 juli 2013, appl. nos. 11082/06 & 13772/05, r.o. 837 e.v. (Khodorkovskiy & Lebedev vs. Rusland).
EHRM (GK) 3 april 2012, appl. no. 42857/05 (Van der Heijden vs. Nederland).
Net zoals over het privéleven, overweegt het EHRM over het familieleven dat het een brede term is die zich niet laat vatten in een uitputtende, sluitende definitie.1 Naast dat ook dit concept niet duidelijk is gedefinieerd, worden het privé- en familieleven door het EHRM niet strikt gescheiden. In verschillende zaken wordt op grond van een gedraging van de staat zowel een inbreuk op het privéleven als op het familieleven aangenomen.2 Dit komt voornamelijk omdat onder andere het aangaan en in stand houden van (sociale) relaties en kennis over de biologische afkomst onder het begrip privéleven vallen terwijl relaties en biologische afkomst ook belangrijk zijn voor het familieleven. De wijdte van het begrip familieleven en het niet strikte onderscheid tussen de concepten uit artikel 8 lid 1 EVRM maken ook dit deel moeilijk uitputtend te beschrijven. Gezien deze moeilijkheden, en omdat voor dit onderzoek de toetsing van de GKT aan het privéleven belangrijker is, wordt ervoor gekozen het begrip familieleven kort te beschrijven.
Of sprake is van een familieleven dat wordt beschermd onder artikel 8 EVRM wordt door het EHRM per zaak beoordeeld.3 Daarvoor bestaan derhalve geen standaardnormen. Op grond van de omstandigheden van het geval wordt bekeken of de facto, en dus niet slechts de jure, familiebanden bestaan.4 Het recht op respect voor het familieleven geldt niet alleen voor bijvoorbeeld huwelijken maar gelden ook voor feitelijke familiaire banden.5 Of sprake is van feitelijke familiebanden is een vraag die afhangt van ‘the real existence in practice of close personal ties’.6 Bepalend daarbij is de constantheid van de relatie.7 Samenwonen is een voorwaarde voor het bepalen van de constantheid.8 Andere factoren die mee worden gewogen bij de beoordeling of hechte persoonlijke banden bestaan, zijn
‘the nature and duration of the parents’ relationship, and in particular whether they had planned to have a child; whether the father subsequently recognised the child as his; contributions made to the child’s care and upbringing; and the quality and regularity of contact’.9
De essentie van het recht op respect voor familieleven is het contact met familieleden en het samen leven.10 Het genot van contact met familieleden en contact tussen kinderen en ouders is een van de fundamentele elementen van het familieleven.11 Daarnaast zijn op dit deel van artikel 8 lid 1 EVRM verschillende positieve verplichtingen gebaseerd om contact met familieleden aan te gaan of te herstellen. Het EHRM noemt die inherent aan een effectief ‘respect’ voor het familieleven.12
Ook voor het strafprocesrecht is het recht op respect voor het familieleven niet onbelangrijk. Verschillende dwangmiddelen en opsporingsmethoden maken namelijk een inbreuk op dit recht of kunnen onder bepaalde omstandigheden een inbreuk maken. Het betreft dan onder andere de inbeslagname van een woning13 of van een reisdocument14 en de locatie van de vrijheidsbeneming.15 Een andere interessante zaak waarin een strafprocesrechtelijke bevoegdheid aan het recht op respect voor het familieleven wordt getoetst, is de zaak Van der Heijden. Hierin staat de verplichting om tegen familieleden te getuigen centraal.16 Ook al is het volgens de regering een maatschappelijke plicht om te verklaren als getuige, de verplichting om tegen familieleden te verklaren is een inbreuk op het recht op respect voor het familieleven. Overigens werd in de zaak geen schending van artikel 8 EVRM aangenomen.
Naast het private leven waarborgt artikel 8 lid 1 EVRM het respect dat voor het familieleven moet worden opgebracht. Hoewel het begrip familieleven ruim wordt uitgelegd door het EHRM, is het een notie met een veel beperktere reikwijdte dan het concept privéleven. Het persoonlijke leven bestaat voor een belangrijk gedeelte namelijk uit contact met familieleden, maar is niet enkel tot dit contact beperkt. Voor de toetsing van de afname van (neuro)geheugendetectie levert dit deel van artikel 8 lid 1 EVRM waarschijnlijk geen aanknopingspunten op. Met de GKT wordt gericht naar herinneringen over een strafbaar feit gezocht en wordt geen algeheel beeld van het leven van een persoon verkregen.