Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.3.4
3.3.4 Vruchtgebruik van een algemeenheid in het Franse recht
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS459279:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Chamoulaud-Trapiers, Rép. civ., “Usufruit”, nr. 15 (online, laatst bijgewerkt oktober 2014); Mercier, JurisClasseur Civil, art. 582-599, fasc. 10, “Usufruit. Prérogatives de l’usufrutier. Droit de l’usufrutier (usage et jouissance)”, nr. 161 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2011).
Chamoulaud-Trapiers, Rép. civ., “Usufruit”, nr. 18 (online, laatst bijgewerkt oktober 2014).
Vanuit Nederlands perspectief dekt de term zaaksvervanging niet precies de lading, vgl. Hartkamp 2005, nr. 46.
Chamoulaud-Trapiers, Rép. civ., “Usufruit”, nr. 355-357 (online, laatst bijgewerkt oktober 2014); Mercier, JurisClasseur Civil, art. 582-599, fasc. 10, “Usufruit. Prérogatives de l’usufrutier. Droit de l’usufrutier (usage et jouissance)”, nr. 163, 165-166 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2011); Zenati 1999a; Zenati 1999b. Zie art. 616 Cc. De kudde komt verder nog voor in art. 1812 Cc, waarin wordt bepaald dat bij bail à cheptel (een vorm van pacht van vee) de verpachter en de pachter niet zonder toestemming van de ander over de dieren uit de kudde kunnen beschikken.
Chamoulaud-Trapiers, Rép. civ., “Usufruit”, nr. 349, 353-354 (online, laatst bijgewerkt oktober 2014; Mercier, JurisClasseur Civil, art. 582-599, fasc. 10, “Usufruit. Prérogatives de l’usufrutier. Droit de l’usufrutier (usage et jouissance)”, nr. 167-173 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2011).
Cour de cassation, 1re civ. 12 november 1998, D. 1999, p. 167.
Chamoulaud-Trapiers, Rép. civ., “Usufruit”, nr. 359, 363 (online, laatst bijgewerkt oktober 2014); Mercier, JurisClasseur Civil, art. 582-599, fasc. 10, “Usufruit. Prérogatives de l’usufrutier. Droit de l’usufrutier (usage et jouissance)”, nr. 174-180 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2011).
Chamoulaud-Trapiers, Rép. civ., “Usufruit”, nr. 14, 290, 293, 295, 302-307 (online, laatst bijgewerkt oktober 2014).
Chamoulaud-Trapiers, Rép. civ., “Usufruit”, nr. 298, 361-364 (online, laatst bijgewerkt oktober 2014); Mercier, JurisClasseur Civil, art. 582-599, fasc. 10, “Usufruit. Prérogatives de l’usufrutier. Droit de l’usufrutier (usage et jouissance)”, nr. 179-180 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2011); Zenati 1999a.
Mercier, JurisClasseur Civil, art. 582-599, fasc. 10, “Usufruit. Prérogatives de l’usufrutier. Droit de l’usufrutier (usage et jouissance)”, nr. 165 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2011), waar in het kader van de kudde wordt opgemerkt: “(…) il se produit un phénomène de subrogation réelle, de telle sorte que l’usufruitier (…) est tenu de restituer à la fin de l’usufruit un troupeau ayant la même consistance que celui qu’il a reçu et non pas seulement sa valeur.” Zie ook Mercier, JurisClasseur Civil, art. 582-599, fasc. 10, “Usufruit. Prérogatives de l’usufrutier. Droit de l’usufrutier (usage et jouissance)”, nr. 171 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2011); Meiller 2012, nr. 11; Zenati 1999a; Zenati 1999b.
Chamoulaud-Trapiers, Rép. civ., “Usufruit”, nr. 15, 416-419 (online, laatst bijgewerkt oktober 2014); Terré & Simler 2010, nr. 826. Zoals we in paragraaf 3.3.2 hebben kunnen zien, kent het Nederlandse recht in art. 3:222 BW een vergelijkbare regeling ten aanzien van het bijdragen in de schulden.
50. In het Franse recht is het vruchtgebruik van een algemeenheid mogelijk. In de Franse rechtsliteratuur wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen een recht van vruchtgebruik dat rust op één of meerdere afzonderlijk goederen, of op een algemeenheid als zodanig.1 Een recht van vruchtgebruik kan op verschillende wijzen tot stand komen, namelijk op grond van de wet, een rechterlijke uitspraak, bij testament, contract of door verkrijgende verjaring.2 Nu een recht van vruchtgebruik op een algemeenheid wordt onderscheiden van een recht van vruchtgebruik op afzonderlijke goederen, komt de vraag op of er een verschil bestaat in de wijze van vestiging of totstandkoming van de twee soorten vruchtgebruik. Vreemd genoeg (vanuit Nederlands perspectief tenminste) wordt aan deze vraag in de Franse rechtsliteratuur geen aandacht besteed. Nu de algemeenheid van goederen doorgaans wordt gezien als een onlichamelijk goed, zullen de regels die daarvoor gelden van toepassing zijn. Het is echter de vraag of daarnaast, als de algemeenheid bijvoorbeeld vorderingen omvat, ook aan de vereisten voor het vestigen van vruchtgebruik op die vorderingen afzonderlijk moet worden voldaan. Iets vergelijkbaars geldt – zo zal nog blijken – bij het pandrecht op het fonds de commerce.
In het kader van de bespreking van een recht van vruchtgebruik op een kudde, wordt in de literatuur opgemerkt dat de kudde als afzonderlijk rechtsobject wordt gezien: als feitelijke algemeenheid, een ander rechtsobject dan de elementen waaruit het bestaat. Er vindt zaaksvervanging plaats, waarbij de vruchtgebruiker verplicht is aan het einde van het vruchtgebruik hetzelfde aantal en soort dieren terug te geven als waaruit de kudde bij aanvang van het vruchtgebruik bestond.3 Dit wil enerzijds zeggen, dat de vruchtgebruiker niet het recht heeft op de afzonderlijke vruchten van de afzonderlijke goederen, maar op de vruchten van de kudde als geheel. Hierbij worden onder de vruchten slechts de jongen van de dieren verstaan. De jongen van de afzonderlijke dieren dienen om de dieren die uit de kudde verdwenen zijn te vervangen. Het surplus komt de vruchtgebruiker toe. Anderzijds komen de vruchten als melk, wol en mest de vruchtgebruiker direct toe. Ook mag hij dieren uit de kudde vervreemden, mits ze vervangen worden, zodat hij aan het einde van het vruchtgebruik hetzelfde aantal en soort dieren terug kan geven aan de bloot eigenaar.4
Iets vergelijkbaars geldt bij een vruchtgebruik dat rust op een fonds de commerce. Het fonds de commerce wordt gezien als een algemeenheid, waarop het vruchtgebruik als zodanig rust. De vruchtgebruiker exploiteerth et fonds de commerce, er vindt zaaksvervanging plaats en de vruchtgebruiker dient bij het einde van het vruchtgebruik een fonds de commerce van gelijke waarde terug te geven. Is het fonds de commerce in waarde gestegen, dan heeft de vruchtgebruiker geen recht op vergoeding hiervan van de hoofdgerechtigde. Evenmin kan de hoofdgerechtigde van de vruchtgebruiker vergoeding verlangen van een waardedaling, tenzij te wijten aan grove nalatigheid van de vruchtgebruiker. In dit opzicht is dus een verschil aan te wijzen met het vruchtgebruik van een kudde, waarbij het surplus wel aan de vruchtgebruiker toekomt. In de literatuur wordt benadrukt dat het daadwerkelijk gaat om vruchtgebruik dat rust op de algemeenheid als zodanig.5
51. Pas relatief recent lijkt in het Franse recht een effectenportefeuille gezien te worden als zelfstandige eenheid, als een feitelijke algemeenheid. Het Cour de cassation noemt de effectenportefeuille in het arrest Baylet uit 19986 expliciet een algemeenheid en uit het arrest volgt dat het vruchtgebruik daadwerkelijk op de portefeuille als zodanig rust en niet op de individuele effecten binnen de portefeuille. Dit brengt mee dat de vruchtgebruiker gerechtigd is de effecten te vervreemden, voor zover ze vervangen worden door vergelijkbare effecten.7
In het Franse recht wordt gewoonlijk onderscheid gemaakt tussen het eigenlijke vruchtgebruik en oneigenlijk of quasi-vruchtgebruik (quasi-usufruit). Het eigenlijke vruchtgebruik wordt gevestigd op goederen waarvan de substantie (substance) niet verandert door het genot ervan. Oneigenlijk of quasi-vruchtgebruik rust op goederen waarvan het genot ervan het verbruik ervan inhoudt. Hierbij moet gedacht worden aan wijn, graan en geld, maar de werking van het quasi-vruchtgebruik strekt zich ook uit tot handelswaar. Dit oneigenlijke vruchtgebruik is neergelegd in art. 587 Cc. Daarin wordt bepaald dat ingeval van vruchtgebruik van dergelijke goederen, de vruchtgebruiker het recht heeft de goederen te gebruiken, maar onder de verplichting om bij het einde van het vruchtgebruik goederen van dezelfde kwaliteit en kwantiteit of hun geschatte waarde in geld terug te geven. De oneigenlijke vruchtgebruiker heeft daarmee een beschikkingsrecht, hetgeen de eigenlijke vruchtgebruiker niet heeft.
Het is omstreden of dit beschikkingsrecht van de oneigenlijke vruchtgebruiker met zich brengt dat de oneigenlijke vruchtgebruiker ook daadwerkelijk eigenaar wordt van de goederen (zoals bleek uit paragraaf 3.3.3 met betrekking tot het Duitse recht). Vast staat in ieder geval dat de oneigenlijke vruchtgebruiker (tot op zekere hoogte) het recht heeft om te beschikken over de goederen.8
In het zojuist genoemde arrest Baylet oordeelde het Cour de cassation dat effecten (valeurs mobilières) geen verbruikbare goederen (choses consomptibles) zijn en dus niet onderwerp van een oneigenlijk, maar van een eigenlijk recht van vruchtgebruik zijn. Desalniettemin mag de vruchtgebruiker van een effectenportefeuille ingevolge dit arrest tot op zekere hoogte beschikken over de effecten in de portefeuille, namelijk voor zover ze vervangen worden. De vruchtgebruiker van afzonderlijke effecten is hiertoe niet bevoegd. De vruchtgebruiker van een portefeuille is hiertoe wel bevoegd, omdat het object de algemeenheid, de portefeuille, is en niet de afzonderlijke effecten uit de portefeuille. Hij is niet bevoegd te beschikken over de effectenportefeuille als zodanig. De vruchtgebruiker van de effectenportefeuille is, net als overigens alle andere vruchtgebruikers, gehouden tot het in stand houden van de substantie van het goed waarop hij het recht van vruchtgebruik heeft, de effectenportefeuille. Dat wil zeggen dat, aangezien het een feitelijke algemeenheid betreft, de waarde van de portefeuille, beheerd als goed huisvader, in stand dient te blijven. De vruchtgebruiker zal dus bij vervreemding van effecten uit de portefeuille, het als tegenprestatie daarvoor ontvangen bedrag opnieuw dienen te beleggen.9
52. Dat er ingeval van vruchtgebruik van een feitelijke algemeenheid zaaksvervanging plaatsvindt, wordt afgeleid uit de verplichting van de vruchtgebruiker om bij het einde van het vruchtgebruik een vergelijkbare algemeenheid terug te geven. Zaaksvervanging lijkt in dit kader daarom niet aldus te moeten worden begrepen, dat hetgeen dat wordt verkregen doordat over de goederen binnen de algemeenheid wordt beschikt, in de plaats treedt van het vervreemde goed. Veeleer rust juist op de vruchtgebruiker de plicht om zorg te dragen voor het vervangen van de goederen die hij vervreemdt: hij dient de substantie van de algemeenheid in stand te houden en bij het einde van het vruchtgebruik een vergelijkbare algemeenheid terug te geven. Slechts onder die voorwaarde is hij bevoegd tot vervreemding. Pas wanneer door de vruchtgebruiker weer vervangende goederen aan de algemeenheid toegevoegd worden, komen die goederen onder het bereik van het vruchtgebruik. Niet de afzonderlijke goederen zijn immers object, maar de algemeenheid als zodanig.10
53. Ingeval van een recht van vruchtgebruik op een (evenredig deel van een) vermogen, geldt een bijzondere regeling met betrekking tot de schulden van dat vermogen. In art. 611 Cc wordt bepaald dat de vruchtgebruiker die een vruchtgebruik heeft op afzonderlijke goederen niet gehouden is bij te dragen in de schulden. Mocht hij hiertoe feitelijk gedwongen worden, bijvoorbeeld doordat beslag wordt gelegd op de goederen, dan heeft hij regres op de bloot eigenaar. Ingeval van een vruchtgebruik op een algemeenheid daarentegen is de vruchtgebruiker ingevolge art. 610 en 612 Cc gehouden bij te dragen in de schulden.11