Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.5.1.1
2.5.1.1 Standpunten die door een belastingrechter in eerdere feitelijke instantie zijn gevolgd
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS567431:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 juli 1988, BNB 1988/271, r.o. 5; HR 2 maart 2012, BNB 2012/123, ECLI:NL:HR:2012:BP3858, r.o. 3.5. In HR 26 november 1986, BNB 1987/31, r.o. 4.2; HR 26 november 1986, BNB 1987/305, r.o. 4.4; HR 13 mei 1992, BNB 1992/242, r.o. 3.4; HR 10 juni 1992, BNB 1992/275, r.o. 3.4; HR 5 januari 2000, BNB 2000/85, ECLI:NL:HR:2000:AA4059, r.o. 3.9; HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091, r.o. 2.3, heeft de belastingkamer van de Hoge Raad niet expliciet overwogen dat het standpunt pleitbaar was, maar heeft zij overwogen dat opzet en grove schuld of alle schuld ontbraken omdat het standpunt over het belastinggeschil door de rechter in feitelijke instantie was gevolgd.
HR 28 oktober 2011, BNB 2012/25, ECLI:NL:HR:2011:BN7194, r.o. 3.3.2.
A-G Wattel, conclusie van 11 augustus 2010, ECLI:NL:PHR:2011:BN7194, r.o. 9.9. De situatie waarin het standpunt van belastingplichtige op andere dan rechtskundige gronden door het hof werd gevolgd, heeft zich naar mijn mening bijvoorbeeld voorgedaan bij HR 26 februari 2010, BNB 2010/137, ECLI:NL:HR:2010:BL5597. In deze zaak was echter geen boete opgelegd.
In zaken waarin de belastingkamer van de Hoge Raad in verband met het belastinggeschil heeft verwezen is het mogelijk dat de rechter na verwijzing pas kan beoordelen of het standpunt pleitbaar is. Zo veronderstel ik dat de belastingkamer van de Hoge Raad in HR 4 februari 2011, BNB 2011/108, ECLI:NL:HR:2011:BL7975, hoewel zowel de rechtbank als het hof het standpunt van belastingplichtige hadden gevolgd, geen oordeel heeft gegeven over de vraag of het standpunt pleitbaar is omdat het antwoord op die vraag nog afhing van de na verwijzing vast te stellen feiten.
Vergelijk A-G Wattel, conclusie van 11 augustus 2010, ECLI:NL:PHR:2011:BN7194, r.o. 9.8.
A-G Overgaauw, conclusie van 16 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2004:AN8721, r.o. 8.1: “Het Hof heeft belanghebbende in het gelijk gesteld. Ik zou menen dat daarmee de vraag of sprake is van een pleitbaar standpunt bevestigend is beantwoord. Dat zou mijns inziens slechts anders zijn in geval van een evidente feitelijke of juridische misslag door het Hof.”
Hof Arnhem 29 juli 2005, V-N 2005/38.4, r.o. 9; Hof Arnhem 10 december 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG9274, r.o. 4.9; Hof Leeuwarden 10 april 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BM3999, r.o. 4.13; Hof ’s-Hertogenbosch 2 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX4437, r.o. 4.7.3. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 juli 2013, BNB 2013/200, ECLI:NL:HR:2013:32 in r.o. 5 de laatstgenoemde uitspraak echter vernietigd. Zie later in dit hoofdstuk paragraaf 6.2.
HR 28 oktober 2011, BNB 2012/25, ECLI:NL:HR:2011:BN7194, r.o. 3.3.2.
Zie ter illustratie Hof Amsterdam 28 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4642, r.o. 4.2.8.
Hof ’s-Hertogenbosch 25 april 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6625, r.o. 4.13. Zo ook A-G Overgaauw, conclusie van 30 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2004:AI0755, r.o. 3.4.2: “Alleen al het gegeven dat in deze zaak wordt geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen impliceert mijns inziens dat er sprake is van een pleitbaar standpunt.”
Hof Amsterdam 20 maart 2006, gepubliceerd in BNB 2008/249, r.o. 6.10 (strafmaatverweer). Zie ook A-G Van Hilten, conclusie van 17 juli 2008, ECLI:NL:PHR:2009:BD9223, r.o. 7.15: “Voorbeelden van gevallen waarin een standpunt door de Hoge Raad pleitbaar werd geacht omdat de advocaat-generaal het standpunt huldigde heb ik niet gevonden… In de literatuur wordt dat overigens wel aangenomen”. Voorts H.H.M. Maathuis en W.E.C.A. Valkenburg, Bestuurlijke boeten in het fiscale recht, Deventer: Kluwer 1995, p. 64, Haas 2015, p. 28.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw in een aantal arresten geoordeeld dat standpunten van de belastingplichtige in het belastinggeschil die door het hof zijn gevolgd, pleitbaar zijn.1 In het hiervoor in paragraaf 2.4.1. besproken arrest uit 2011 heeft de belastingkamer daarbij aangetekend dat dit niet altijd geldt. Het door het hof gevolgde standpunt moet, om pleitbaar te kunnen zijn, wel een rechtskundig standpunt vormen.2 Aan deze voorwaarde wordt bij standpunten die door het hof zijn overgenomen en vervolgens zijn gecasseerd meestal wel voldaan; de Hoge Raad toetst immers voornamelijk de interpretatie en toepassing van het recht.3,4
Onder de conclusie dat een rechtskundig standpunt van de belastingplichtige dat door het hof is gevolgd steeds pleitbaar is, schuilt de veronderstelling dat een onjuiste beslissing van een hof steeds het gevolg is van een weliswaar onjuiste, maar voldoende verdedigbare interpretatie of toepassing van het recht.5 Deze veronderstelling is naar mijn mening niet helemaal correct. Rechters zijn niet onfeilbaar, ook een hof zal het recht weleens gewoonweg onjuist interpreteren of toepassen.6 Dit neemt niet weg dat de conclusie dat rechtskundige standpunten van de belastingplichtige die door het hof als voorafgaande feitelijke instantie zijn gevolgd pleitbaar zijn, een werkbaar uitgangspunt vormt, zolang uitzonderingen op dit uitgangspunt maar mogelijk zijn.
Uit de jurisprudentie van de gerechtshoven is op te maken dat standpunten van de belastingplichtige in het belastinggeschil die door de rechtbank zijn gevolgd, maar die door het hof toch onjuist zijn bevonden, ook pleitbaar zijn.7 Impliciet is dit uitgangspunt naar mijn mening ook op te maken uit het hiervoor besproken arrest uit 2011.8 Omdat het hof als tweede feitelijke instantie tot een volledige herbeoordeling van het geschil kan overgaan, speelt de voorwaarde dat alleen van een pleitbaar standpunt kan worden gesproken in zaken waarin de belastingplichtige op rechtskundige gronden in het gelijk is gesteld hier een grotere rol.9 Daarnaast geldt ook hier de kanttekening dat rechters niet onfeilbaar zijn.
In de rechtspraak in feitelijke instantie is ook een rechtskundig standpunt van de belastingplichtige in het belastinggeschil dat in de onderliggende zaak aanleiding heeft gegeven tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie als pleitbaar beschouwd.10 Voorts is volgens een hofuitspraak na verwijzing en volgens de literatuur een standpunt dat een A-G in een conclusie heeft onderschreven pleitbaar.11 De belastingkamer van de Hoge Raad heeft zich hier nog niet over uitgelaten. Het komt ook niet zo vaak voor dat er een boete is opgelegd in verband met een standpunt waarover later prejudiciële vragen worden gesteld of een conclusie wordt genomen.
In de inleiding van dit hoofdstuk is opgemerkt dat het pleitbaar standpunt begrip ook relevant zou moeten worden in het fiscale strafrecht. In aansluiting daarop kan de vraag worden gesteld of de strafkamer van een hof of de Hoge Raad ook zou moeten concluderen dat een standpunt pleitbaar is als een strafrechter in eerdere feitelijke instantie de verdachte belastingplichtige heeft vrijgesproken, omdat hij op grond van het door die belastingplichtige ingenomen rechtskundige standpunt er niet van overtuigd is geraakt dat de aangifte onjuist is, terwijl de strafkamer van het hof of de Hoge Raad wel overtuigd is van de onjuistheid van die aangifte.
Deze vraag komt erop neer of de zojuist besproken veronderstelling dat onjuiste rechtskundige beslissingen van de belastingrechter in beginsel pleitbare beslissingen vormen, ook geldt bij onjuiste rechtskundige beslissingen van de strafrechter. Aan de ene kant ligt het voor de hand om niet alleen bij belastingrechters maar ook bij strafrechters van deze veronderstelling uit te gaan. Aan de andere kant is het oordeel van de strafrechter over de interpretatie en toepassing van het belastingrecht anders dan het oordeel van de belastingrechter. De strafrechter oordeelt, in tegenstelling tot de belastingrechter, niet dat het standpunt van de verdachte belastingplichtige in het belastinggeschil juist is, hij oordeelt immers niet over het belastinggeschil. De strafrechter oordeelt bovendien slechts dat hij er niet van overtuigd is dat de belastingaangifte met het daarin opgenomen rechtskundige standpunt onjuist is. Alles overwegende ga ik ervan uit dat een vrijspraak van de strafrechter in feitelijke instantie er niet toe hoeft te leiden dat de strafrechter in de volgende instantie tot een pleitbaar standpunt moet concluderen.