Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.4.2.1:1.4.2.1 Hulpzaken en onroerend door bestemming
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.4.2.1
1.4.2.1 Hulpzaken en onroerend door bestemming
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485503:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het lezen van dit arrest is het belangrijk te realiseren dat dit een casus onder het oude recht betrof. Art. 1405 regelde de aansprakelijkheid voor de eigenaar van een gebouw voor gehele of gedeeltelijke instorting ervan. Het dispuut tussen de Hoge Raad en Advocaat-generaal Ten Kate betreft in feite een discussie over de reikwijdte van het begrip ‘gebouw’ in art. 1405 BW. De Hoge Raad besliste dat (in beginsel roerende) zaken, die naar oud recht onroerend door bestemming waren, onder de aansprakelijkheid van art. 1405 vallen, tenzij er zo een ver verwijderd verband is tussen de zaak en het gebouw dat het niet als onderdeel1 van het gebouw te beschouwen is.
Met het Nieuw BW zijn de begrippen ‘hulpzaak’ en ‘onroerend door bestemming’ echter komen te vervallen, waardoor de situatie als in het Kraanbalkarrest zich onder het huidige recht niet meer voor kan doen.2 Art. 1405 werd hierdoor ingeperkt en juist vanwege deze inperking, ontstond het belang van ontwerpartikel 6.3.12. dat een aansprakelijkheid opwierp voor bepaalde gebrekkige roerende zaken, als machines, nu in het huidige BW de hulpzaak afgeschaft werd.