Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4.1.5
3.4.1.5 Geen toerekening van opzet en grove schuld
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS569902:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 oktober 1947, B. 8412; HR 20 februari 1952, B. 9174; HR 20 mei 1981, BNB 1981/240; HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, r.o. 4.7. In HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, r.o. 4.7 heeft de belastingkamer van de Hoge Raad wel een uitzondering op de toerekening geformuleerd. Hiervoor was geen plaats als de belastingplichtige aantoonde dat hij in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de fiscale aanvaardbaarheid van de mededelingen of adviezen van zijn gemachtigde.
HR 1 december 2006, BNB 2007/151, ECLI:NL:HR:2006:AU7741, r.o. 3.4. In verband met de beoordeling of er sprake is van kwade trouw in de zin van art. 16 AWR blijft toerekening van de geestesgesteldheid van de gemachtigde echter nog wel mogelijk. HR 23 januari 2009, BNB 2009/80, ECLI:NL:HR:2009:BD3566, r.o. 3.4.
HR 29 februari 2008, BNB 2008/156, ECLI:NL:HR:2008:BC5346, r.o. 3.5.3 (een overweging in verband met kwade trouw).
HR 13 februari 2009, BNB 2009/114, ECLI:NL:HR:2009:BH2586, r.o. 3.4.1, waarin de Hoge Raad een uitspraak van het Hof Arnhem van 4 september 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB4903, met name r.o. 4.17, heeft gecasseerd. Herhaald in HR 23 september 2011, BNB 2011/262, ECLI:NL:HR:2011:BT2215, r.o. 3.2.
In het fiscale boeterecht kon, in tegenstelling tot in het strafrecht, opzet of grove schuld van de gemachtigde lange tijd zonder meer aan de belastingplichtige worden toegerekend.1 In 2006 heeft de belastingkamer van de Hoge Raad afstand genomen van de zogenoemde toerekeningsjurisprudentie, omdat deze in strijd is met de onschuldpresumptie.2 Vanaf dat moment kan de inspecteur niet meer volstaan met het bewijs van opzet of grove schuld van de gemachtigde, maar moet hij opzet of grove schuld van de belastingplichtige zelf bewijzen.
Vervolgens heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in 2008 overwogen dat het inschakelen van een gerenommeerd kantoor het vermoeden rechtvaardigt dat de belastingplichtige aan zijn fiscale verplichtingen wenst te voldoen.3 In 2009 heeft zij geoordeeld dat er bij een belastingplichtige die zich bij het doen van de aangifte heeft laten bijstaan door een gemachtigde die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen, geen aanleiding is tot het stellen van de algemene eis dat die belastingplichtige zich ook zelf in het belastingrecht heeft verdiept.4 Uit dit laatstgenoemde arrest is op te maken dat een belastingplichtige, als het gaat om de interpretatie en toepassing van het belastingrecht, in beginsel mag vertrouwen op zijn gemachtigde.