Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.1.0:1.1.0 Introductie
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.1.0
1.1.0 Introductie
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481908:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Overigens geldt dit alleen in een puur nationale casus, waar ik in deze dissertatie vanuit zal gaan. Bartels wees er terecht op dat het denkbaar is dat zaken die naar Nederlands recht onroerend zijn, naar Europees recht roerend zouden kunnen zijn. Zie: S.E. Bartels ‘Een hermafrodiet in het zakenrecht’, NTBR 2013/14.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:3 BW onderscheidt zaken in roerend en onroerend. Lid 2 van art. 3:3 BW bepaalt:
“Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.”
Om te bepalen of een zaak roerend of onroerend is, dient men zich de vraag te stellen of een zaak onder de definitie valt van een onroerende zaak, zoals gegeven in lid 1. Indien het antwoord op deze vraag ontkennend is, is het op grond van lid 2 van art. 3:3 BW een roerende zaak.1Art. 3:3 lid 1 BW bepaalt:
“Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.”