Dit thema behandelt de fiscale vestigingsplaats van vennootschappen. Hierin wordt uiteengezet op grond van welke criteria de fiscale vestigingsplaats wordt bepaald en welke gevolgen dit heeft voor de belastingplicht in Nederland. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan begrippen als de feitelijke leiding, de plaats van werkelijke leiding, vestigingsplaatsfictie en dual-resident situaties.
In dit thema krijgt u onder meer antwoord op de volgende vragen:
•
Welke factoren spelen een rol bij het bepalen van de vestigingsplaats?
•
Welke van deze factoren zijn bepalend en welke ondersteunend?
•
Wat houdt het begrip feitelijke leiding in en hoe wordt dit begrip ingevuld?
•
Hoe verhoudt de feitelijke leiding zich tot de begrippen ‘feitelijke hoofdleiding’, ‘werkelijk leiding, ‘effective management’ en ‘geleid en bestuurd’?
•
Welke gevolgen zijn er als een vennootschap toch in Nederland blijkt te zitten?
•
Wat zijn de consequenties wanneer sprake is van een dubbele vestigingsplaats?
•
Hoe wordt bepaald welk land heffingsrecht heeft bij een dubbele vestigingsplaats?
De fiscale vestigingsplaats van een vennootschap speelt een centrale rol binnen het belastingrecht, omdat zij bepaalt in welk land een vennootschap belastingplichtig is en welk land heffingsrecht heeft. In Nederland wordt de vestigingsplaats vastgesteld aan de hand van een open norm in artikel 4 AWR, waarbij niet één doorslaggevend criterium geldt, maar een beoordeling plaatsvindt op basis van alle relevante feiten en omstandigheden. In de praktijk neemt de plaats van de feitelijke leiding daarbij een sleutelpositie in.
In een internationale context is deze beoordeling complex. Het komt regelmatig voor dat een vennootschap volgens de nationale wetgeving van meerdere landen als inwoner wordt aangemerkt. Een vaak voorkomende situatie is dat Nederland, op basis van de vestigingsplaatsfictie, een vennootschap als hier gevestigd aanmerkt, terwijl deze haar feitelijke leiding later naar een andere staat verplaatst. In zulke dual-resident gevallen bieden belastingverdragen een oplossing om dubbele belastingheffing te voorkomen. Traditioneel werd daarbij vaak aangeknoopt bij de plaats van werkelijke leiding, de zogenoemde tie-breaker. Sinds 2017 is echter in het OESO-modelverdrag gekozen voor een onderlinge overlegprocedure tussen staten (Mutual Agreement Procedure oftewel de MAP). Via het Multilateraal Instrument (MLI) kan deze regeling ook doorwerken in oudere belastingverdragen. Staten kunnen overigens in hun bilaterale verdrag van het OESO-modelverdrag afwijken.
De beoordeling van de vestigingsplaats is sterk feitelijk van aard. Formele kenmerken zoals de statutaire zetel zijn van ondergeschikt belang. Doorslaggevend is waar de kernbeslissingen worden genomen en waar de eindverantwoordelijkheid ligt. Een onjuiste inschatting van de vestigingsplaats kan verstrekkende gevolgen hebben, zoals belastingheffing over het wereldinkomen, BTW-verplichtingen en het mislopen van verdrags- of EU-voordelen. Dit fiscale thema biedt inzicht in de belangrijkste aandachtspunten en risico’s die daarbij een rol spelen.
Richtlijn 2003/49/EEG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003, betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling voor interest- en royaltybetalingen tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten
Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van de Europese Unie van 30 november 2011, betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, V-N 2012/13.5
Mr. Percy J. Draijer
Advocaat bij Vierhoff Advocaten
Meer over Percy Draijer
Dit thema behandelt de fiscale vestigingsplaats van vennootschappen. Hierin wordt uiteengezet op grond van welke criteria de fiscale vestigingsplaats wordt bepaald en welke gevolgen dit heeft voor de belastingplicht in Nederland. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan begrippen als de feitelijke leiding, de plaats van werkelijke leiding, vestigingsplaatsfictie en dual-resident situaties.
In dit thema krijgt u onder meer antwoord op de volgende vragen:
Welke factoren spelen een rol bij het bepalen van de vestigingsplaats?
Welke van deze factoren zijn bepalend en welke ondersteunend?
Wat houdt het begrip feitelijke leiding in en hoe wordt dit begrip ingevuld?
Hoe verhoudt de feitelijke leiding zich tot de begrippen ‘feitelijke hoofdleiding’, ‘werkelijk leiding, ‘effective management’ en ‘geleid en bestuurd’?
Welke gevolgen zijn er als een vennootschap toch in Nederland blijkt te zitten?
Wat zijn de consequenties wanneer sprake is van een dubbele vestigingsplaats?
Hoe wordt bepaald welk land heffingsrecht heeft bij een dubbele vestigingsplaats?
De fiscale vestigingsplaats van een vennootschap speelt een centrale rol binnen het belastingrecht, omdat zij bepaalt in welk land een vennootschap belastingplichtig is en welk land heffingsrecht heeft. In Nederland wordt de vestigingsplaats vastgesteld aan de hand van een open norm in artikel 4 AWR, waarbij niet één doorslaggevend criterium geldt, maar een beoordeling plaatsvindt op basis van alle relevante feiten en omstandigheden. In de praktijk neemt de plaats van de feitelijke leiding daarbij een sleutelpositie in.
In een internationale context is deze beoordeling complex. Het komt regelmatig voor dat een vennootschap volgens de nationale wetgeving van meerdere landen als inwoner wordt aangemerkt. Een vaak voorkomende situatie is dat Nederland, op basis van de vestigingsplaatsfictie, een vennootschap als hier gevestigd aanmerkt, terwijl deze haar feitelijke leiding later naar een andere staat verplaatst. In zulke dual-resident gevallen bieden belastingverdragen een oplossing om dubbele belastingheffing te voorkomen. Traditioneel werd daarbij vaak aangeknoopt bij de plaats van werkelijke leiding, de zogenoemde tie-breaker. Sinds 2017 is echter in het OESO-modelverdrag gekozen voor een onderlinge overlegprocedure tussen staten (Mutual Agreement Procedure oftewel de MAP). Via het Multilateraal Instrument (MLI) kan deze regeling ook doorwerken in oudere belastingverdragen. Staten kunnen overigens in hun bilaterale verdrag van het OESO-modelverdrag afwijken.
De beoordeling van de vestigingsplaats is sterk feitelijk van aard. Formele kenmerken zoals de statutaire zetel zijn van ondergeschikt belang. Doorslaggevend is waar de kernbeslissingen worden genomen en waar de eindverantwoordelijkheid ligt. Een onjuiste inschatting van de vestigingsplaats kan verstrekkende gevolgen hebben, zoals belastingheffing over het wereldinkomen, BTW-verplichtingen en het mislopen van verdrags- of EU-voordelen. Dit fiscale thema biedt inzicht in de belangrijkste aandachtspunten en risico’s die daarbij een rol spelen.
Documenten bij dit thema
Wetgeving
Artikel 4 AWR
Artikel 47 AWR
Artikel 52 AWR
Artikel 53 AWR
Artikel 67f AWR
Artikel 69 AWR
Artikel 2 Wet VPB 1969
Artikelen 15c en 15d Wet VPB 1969
Artikel 1 Wet DB 1965
Artikel 1 Wet BB 2021
Artikel 4 OESO-modelverdrag 1992
Artikel 25 OESO-modelverdrag 1992
Artikel 37e Wet OB 1968
Richtlijn 2003/49/EEG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003, betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling voor interest- en royaltybetalingen tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten
Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van de Europese Unie van 30 november 2011, betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, V-N 2012/13.5
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 maart 2019, 2019-30576, V-N 2019/19.10
Standaardarrest
Hoge Raad 23 september 1992, nr. 27293, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105, BNB 1993/193, V-N 1993/1151, 5, FED 1993/655
Hoge Raad 19 januari 2018, nr. 16/03321, ECLI:NL:HR:2018:47, BNB 2018/68, V-N 2018/6.5, FED 2018/75
Hoge Raad 2 juli 2021, nr. 20/01212, ECLI:NL:HR:2021:1044, BNB 2021/156, V-N 2021/30.12, FED 2022/1
Belangrijkste uitspraken
Conclusies Advocaat-Generaal (A-G)
Conclusie A-G Verburg 29 oktober 1987, nr. 24 252, ECLI:NL:PHR:1987:7
Conclusie A-G Pauwels 7 juli 2023, nrs. 22/01351 en 22/01347, ECLI:NL:PHR:2023:665, V-N 2023/36.25
Hoge Raad
Hoge Raad 24 november 1982, nr. 21 286, ECLI:NL:HR:1982:AW9043, BNB 1983/103, V-N 1983/16, 8, FED 1983/605
Hoge Raad 27 april 1988, nr. 24 252, ECLI:NL:HR:1988:ZC3811, BNB 1988/181, V-N 1988/1250, 12, FED 1989/23
Hoge Raad 1 juli 1987, nr. 23 877, ECLI:NL:HR:1987:AW7634, BNB 1987/306, V-N 1987/1996, 8, FED 1987/492
Hoge Raad 1 februari 1989, nr. 24 983, ECLI:NL:HR:1989:BH7238, V-N 1989/752, 4
Hoge Raad 23 september 1992, nr. 27 293, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105, BNB 1993/193, V-N 1993/1151, 5, FED 1993/655
Hoge Raad 28 februari 2001, nr. 35 557, ECLI:NL:HR:2001:AB0296, BNB 2001/295, V-N 2001/15.11, FED 2001/315
Hoge Raad 17 december 2004, nr. 39 719, ECLI:NL:HR:2004:AP5230, BNB 2005/105, V-N 2005/5.5, FED 2005/44
Hoge Raad 10 augustus 2012, nr. 11/04558, ECLI:NL:HR:2012:BW0196, BNB 2013/11, V-N 2012/40.17, FED 2012/103
Hoge Raad 27 februari 2015, nr. 13/05185, ECLI:NL:HR:2015:465, BNB 2015/126, V-N 2015/14.7
Hoge Raad 19 januari 2018, nr. 16/03321, ECLI:NL:HR:2018:47, BNB 2018/68, V-N 2018/6.5, FED 2018/75
Hoge Raad 1 juli 2022, nr. 20/03826, ECLI:NL:HR:2022:974, BNB 2022/130, V-N 2022/30.9, FED 2023/95
Hoge Raad 1 juli 2022, nr. 20/02384, ECLI:NL:HR:2022:976, V-N 2021/20.6
Hoge Raad 2 juli 2021, nr. 20/01212, ECLI:NL:HR:2021:1044, BNB 2021/156, V-N 2021/30.12, FED 2022/1
Hoge Raad 6 september 2024, nr. 22/01347, ECLI:NL:HR:2024:1131, V-N Vandaag 2024/1783, NTFR 2024/1431
Hoge Raad 6 september 2024, nr. 22/01351, ECLI:NL:HR:2024:1133, V-N 2024/40.20, NJB 2024/1895
Hoge Raad 25 oktober 2024, nr. 22/02956, ECLI:NL:HR:2024:1556, V-N 2024/48.14
Hoge Raad 17 oktober 2025, nr. 22/00855, ECLI:NL:HR:2025:1568, BNB 2026/24, V-N 2025/46.10, FED 2026/10
Hoge Raad 21 november 2025, 23/01375, ECLI:NL:HR:2025:1735, BNB 2026/26, V-N 2025/52.7, FED 2026/11
Gerechtshoven
Hof Amsterdam 19 juli 1994, nr. 93/0824, ECLI:NL:GHAMS:1994:AW2908, V-N 1994/3742, 6
Hof Den Haag 19 februari 2020, nrs. BK-18/00981, BK-18/00982 en BK-18/00983, ECLI:NL:GHDHA:2020:281, V-N 2020/25.10
Hof Den Haag 24 juni 2020, nrs. BK-19/00301, BK-19/00302, BK-19/00303 en BK-19/00304, ECLI:NL:GHDHA:2020:1044, V-N 2020/45.1.5, NTFR 2020/2268
Hof Den Haag 2 maart 2022, nr. BK-19/00476, ECLI:NL:GHDHA:2022:314, V-N 2022/24.1.5
Hof Amsterdam 14 juni 2022, nr. 21/00495, ECLI:NL:GHAMS:2022:1816, V-N 2022/42.21
Hof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2025, nr. 23/1590, ECLI:NL:GHSHE:2025:2017, V-N 2025/47.19
Rechtbanken
Rechtbank Gelderland 12 december 2025, nr. AWB 24_6699, ECLI:NL:RBGEL:2025:10887, V-N Vandaag 2026/359
Rechtbank Gelderland 12 december 2025, nr. AWB 23_4531, ECLI:NL:RBGEL:2025:10888, V-N Vandaag 2026/237
Literatuur
E.A. Brood, ‘Enige aspecten van de plaats van vestiging in belastingverdragen’, WFR 1993/332
C. van Raad, T. Bender en S.C.W. Douma, ‘De Hoge Raad op een drielandenpunt’, WFR 2001/527
S.C.W. Douma, ‘De vestigingsplaatsfictie in de vennootschapsbelasting’, WFR 2003/644
A.S. Cools, ‘Hoge Raad geeft invulling aan tie breaker in het verdrag met Singapore’, WFR 2018/116
A.A. Feenstra & A.J.C. Perdaems, ‘De jacht op buitenlands vermogen, anno 2018’, WFR 2019/7
C. Presilli, ‘De gevolgen van de nieuwe MAP-tiebreaker voor grensoverschrijdende omzettingen’, WFR 2019/16
A.J.C. Perdaems & Y. Ameziane, ‘Rechtsbescherming bij vestigingsplaatsonderzoeken’, WFR 2019/246
I.M. de Groot & B. Suvaal, ‘De MAP-tiebreaker in het MLI en voeging in de fiscale eenheid VPB’, WFR 2020/31
J. Kamell & W. Dekker, ‘Buitenlandse belastingplicht en het belang van vestigingsplaats’, WFR 2022/98
L.C. van Hulten & F.A. Spiekerman, ‘De vestigingsplaatsfictie: enkele aandachtspunten’, WFR 2023/112
M. Merkx, ‘De woon- en vestigingsplaats in de btw: blijvend relevant’, WFR 2025/274
Naslag
Vakstudie Algemeen Deel, art. 4 AWR, aant. 2.3
Cursus Belastingrecht VPB.1.0.2.a
Cursus Belastingrecht VPB.1.0.2
Cursus Belastingrecht VPB.1.0.2.c
Cursus Belastingrecht VPB.1.0.2.d
Cursus Belastingrecht VPB.1.0.2.e
Cursus Belastingrecht IBR.2.2.1.B.c
Cursus Belastingrecht IBR.3.2.4.B.d2
Cursus Belastingrecht IBR.3.2.4.B.e
Cursus Belastingrecht IBR.3.2.4.B.h
Verwante onderwerpen
Thema: Bronbelasting op dividenden
Thema: Bronbelasting op renten en royalty’s
Thema: Buitenlandse belastingplicht in de VPB
Thema: Emigratie en (conserverende) eindafrekening
Thema: Vaste inrichting: grensoverschrijdende activiteiten belast in het buitenland