Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/5.2.11
5.2.11 Ontmoediging bepaalde goederen en diensten
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS299312:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 3 maart 1988, nr. 252/86, Gabriel Bergandi vs. Directeur Général des Impôts (Direction des Services Fiscaux de La Manche) (ontmoediging gebruik speelautomaten), Jur. 1988, p. 1343, r.o. 30.
HvJ EG 3 maart 1988, nr. 252/86, Gabriel Bergandi vs. Directeur Général des Impôts (Direction des Services Fiscaux de La Manche) (ontmoediging gebruik speelautomaten), Jur. 1988, p. 1343, r.o. 19.
HvJ EG 3 maart 1988, nr. 252/86, Gabriel Bergandi vs. Directeur Général des Impôts (Direction des Services Fiscaux de La Manche) (ontmoediging gebruik speelautomaten), Jur. 1998, p. 1343, r.o. 32.
Een belastingregeling met corrigerende tariefsdifferentiatie zonder onderscheid toegepast naar herkomst van goederen en gegrondvest op sociaal-economisch beleid is een geoorloofde maatregel. Zo’n corrigerend belastinginstrument werd in Frankrijk om sociale motieven ingezet om het bezit en het gebruik van speelautomaten te beperken.
Het bezit van speelautomaten was in Frankrijk aan twee belastingen onderworpen.
Een gemeentelijke belasting, de Taxe sur les spectacles, en een belasting van de centrale overheid, de Taxe d’Etat. Beide belastingen kenden gedifferentieerde tarieven om het gebruik van bepaalde soorten spelen te ontmoedigen, vanuit ‘het verlangen om, naargelang van het publiek en de plaats van opstelling, het gebruik van bepaalde categorieën apparaten te bevorderen en het gebruik van andere af te remmen’.1 Uit het na de invoering van de belasting uitgevaardigde algemene verbod op de vervaardiging en het bezit van de apparaten waarvan het gebruik het zwaarst was belast, blijkt volgens het HvJ EG in het arrest-Gabriël Bergandi (1988) duidelijk dat de tariefsdifferentiatie was ingegeven door sociale overwegingen, namelijk het ontmoedigen van het gebruik van bepaalde soorten apparaten.2 Wat de verschillen in tarief betreft, overwoog het HvJ EG dat een stelsel waarbij ‘de progressie van de belasting verband houdt met de verschillende categorieën van speelautomaten, waarmee wettige sociale doelen worden nagestreefd en dat de binnenlandse produktie niet fiscaal bevoordeelt ten koste van de soortgelijke of concurrerende ingevoerde produktie’ niet in strijd is met het fiscaal discriminatieverbod.3 Het beleid om een bepaald gebruik van bepaalde apparaten te ontmoedigen was wettelijk vastgelegd. Dit beleid kon, omdat het zonder onderscheid naar herkomst van de apparatuur gestalte was gegeven, een expliciet sociaal beleidsoogmerk vormen, dat de beperking van het vrije handelsverkeer van speelautomaten die er het gevolg van was, rechtvaardigt.