Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/5.2.15:5.2.15 Gemeenschappelijk landbouwbeleid
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/5.2.15
5.2.15 Gemeenschappelijk landbouwbeleid
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305319:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 34 lid 3 EG.
HvJ EG 23 januari 1975, nr. 51/74, P.J. van der Hulst & Zonen vs. Produktschap voor Siergewassen, Jur. 1975, p. 0079, r.o. 32.
HvJ EG 1 april 1982, nrs. 141/81, 142/81 en 143/81, officier van justitie vs. Gerrit Holdijk, Lubbartus Mulder, Veevoederbedrijf Alpuro BV, r.o. 14 (cursief auteur).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening voor de land- en tuinbouw heeft volgens het HvJ EG in het arrest-Van der Hulst (1975) niet tot gevolg dat landbouwproducenten worden onttrokken aan nationale regelingen die andere doeleinden nastreven dan die gemeenschappelijke ordening. Het verbod van iedere discriminatie tussen de producenten van de gemeenschap1 betreft de door de gemeenschappelijke ordening nagestreefde doeleinden en niet de verschillende productievoorwaarden die voortvloeien uit nationale regelingen waarmee andere doeleinden worden nagestreefd; het HvJ EG overweegt, ‘dat tot de discriminatieverboden die ten deze van belang zijn, enerzijds behoort het beginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 95 [artikel 90 EG] betreffende de binnenlandse belastingen, en anderzijds het bepaalde in artikel 40, lid 3 [artikel 34 lid 2 EG], tweede alinea, uit hoofde waarvan de gemeenschappelijke marktordeningen elke discriminatie tussen producenten en verbruikers van de Gemeenschap moeten uitsluiten’.2
Het gemeenschapsrecht en meer in het bijzonder de algemene bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen en de gemeenschappelijke marktordeningen in de landbouwsector, beletten een lidstaat bijvoorbeeld niet ‘om, met het oog op de bescherming van dieren, eenzijdige voorschriften te handhaven of in te voeren inzake de bij de inrichting van de ruimten voor mestkalveren in acht te nemen normen, die zonder onderscheid van toepassing zijn, onverschillig of de kalveren voor de binnenlandse markt dan wel voor de export bestemd zijn’.3