Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/5.2.18
5.2.18 Verboden goederen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305320:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Evenmin in de btw-heffing en de heffing van invoerrechten. Zie bijvoorbeeld: M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer 2005, p. 124-126.
HvJ EG 5 februari 1981, nr. 50/80, Joszef Horvath vs. Hauptzollamt Hamburg-Jonas (douanewaarde, smokkelwaren), Jur. 1981, 385. HvJ EG 26 oktober 1982, nr. 221/81, Wilfried Wolf vs. Hauptzollamt Düsseldorf (douanerechten – als smokkelgoed ingevoerde verdovende middelen), Jur. 1982, p. 3681. HvJ EG 28 februari 1984, nr. 294/82, Senta Einberger vs. Hauptzollamt Freiburg, (omzetbelasting bij invoer – als smokkelgoed ingevoerde verdovende middelen), Jur. 1984, p. 1177. HvJ EG 5 juli 1988, nr. 269/86, W.J.R. Mol vs. Inspecteur der invoerrechten en accijnzen (btw op illegale levering van amfetamine binnen een lidstaat), Jur. 1988, p. 03627. HvJ EG 5 juli 1988, nr. 289/86, Vereniging Happy Family vs. Inspecteur der omzetbelasting, Jur. 1988, p. 3655. HvJ EG 6 december 1990, nr. C-343/89, Max Witzemann vs. Hauptzollamt München-Mitte, Jur. 1990, p. I-4477, r.o. 20.
Conclusies A-G Wattel voor HR 3 januari 2001, nrs. 34.781, 35.609, en 35.787, BNB 2001/193-195.
HvJ EG 28 mei 1998, nr. C-3/97, Strafzaak tegen John Charles Goodwin en Edward Thomas Unstead, Jur. 1998, p. I-3257.
HvJ EG 11 juni 1998, nr. C-283/95, Karlheinz Fischer vs. Finanzamt Donaueschingen, Jur. 1998, p. I-03369.
HvJ EG 29 juni 2000, nr. C-455/98, Tullihallitus (Finse douaneadministratie) vs. K. Salumets e.a., Jur. 2000, p. I-04993, r.o. 24.
Hof ’s-Hertogenbosch 15 november 2001, nr. 98/00911, LJN AD6407, Infobulletin 2000/129.
HvJ EG 2 augustus 1993, nr. C-111/92, Wilfried Lange vs. Finanzamt Fürstenfeldbruck, Jur. 1993, p. I-04677, r.o. 16 en 19. HvJ EG 11 juni 1998, nr. C-283/95, Karlheinz Fischer vs. Finanzamt Donaueschingen, Jur. 1998, p. I-03369, r.o. 28. HvJ EG 28 mei 1998, nr. C-3/97, Strafzaak tegen John Charles Goodwin en Edward Thomas Unstead, Jur. 1998, p. I-3257, r.o. 9. HvJ EG 29 juni 1999, nr. C-158/98, staatssecretaris vs. Coffeeshop Siberië v.o.f., Jur. 1999, p. I-03971, r.o. 14 en 21.
HvJ EG 29 juni 2000, nr. C-455/98, Tullihallitus (Finse douaneadministratie) vs. Kaupo Salumets e.a., Jur. 2000, p. I-4993, r.o. 23-24.
Een andere bevestiging van juridische neutraliteit is de behandeling van verboden goederen. Verboden goederen en diensten moeten omwille van de neutraliteit en het mededingingsaspect gelijk worden behandeld als hun legaal voortgebrachte varianten.
Goederen en diensten die wegens hun aard of bijzondere kenmerken onder alle omstandigheden absoluut verboden zijn en daarom niet in het economisch verkeer terecht mogen komen, worden niet in de accijnsheffing betrokken.1 Volgens het HvJ EG in het Horvath-arrest (1981) zijn verdovende middelen en vals geld dergelijke goederen.2 Terecht wijst A-G Wattel (2000) erop, dat de neutraliteit dan ook niet aangetast wordt door het niet-verschuldigd zijn van accijns.3
Goederen en diensten die niet in absolute zin zijn verboden en daarom gewoon in het economisch verkeer kunnen worden verhandeld, worden op reguliere wijze in de heffing betrokken, ook wanneer deze langs onrechtmatige weg zijn vervaardigd of verkregen, zoals namaakparfums4, illegale exploitatie van kansspelen5, ethylalcohol 6, tabak voor de vervaardiging van joints7 en gestolen auto’s. Dergelijke onrechtmatig verkregen goederen zijn immers substitueerbaar met soortgelijke rechtmatig verkregen goederen, zodat deze goederen op de vrije markt met elkaar concurreren.
Het maken van onderscheid tussen legale en illegale transacties is in strijd met het fiscaal discriminatieverbod en daarom ook met neutraliteitsbeginsel. De omstandigheid dat een bepaalde gedraging een strafbaar feit oplevert of het verhandelen van een goed gebonden is aan een vergunning, brengt nog niet mee dat die gedraging of de vergunningplichtige transactie dan van de belastingheffing moet worden uitgezonderd.
Voor zo’n uitzondering is alleen plaats in specifieke situaties, waarin wegens de bijzondere kenmerken van bepaalde goederen of diensten elke mededinging tussen een legale en een illegale economische sector is of moet zijn uitgesloten.8 Tussen gesmokkelde alcohol en alcohol die in het legale circuit is geproduceerd en wordt verhandeld, bestaat een mededingingsverhouding, omdat voor alcohol een legale markt bestaat waartoe illegale alcohol zich toegang verschaft. Hieruit volgt, aldus het HvJ EG in het Salumets-arrest (2000), dat ethylalcohol niet als een van het economische circuit uitgesloten product kan worden beschouwd. Hiervoor gelden dus de belastingregels en de douanerechten die normaal op grond van de gemeenschapsregeling zijn verschuldigd.9