Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/5.2.3
5.2.3 Verbod op heffingen van gelijke werking als een douanerecht
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS299309:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
In Nederland zijn de tollinies die om alle steden liggen waar gemeentelijke belastingen worden geheven in 1865 geslecht. Kamerstukken II 1862/63, CV, nr. 17, p. 1372 rk. Handelingen II 1863/64, 12 mei 1863, p. 6363-6364.
HvJ EG 16 maart 1983, nr. 266/81, Societa Italiana per l'Oleodotto Transalpino (SIOT) vs. Italiaanse Ministeries van Financiën en van Koopvaardij, douanedistrict Triëst en Havenbedrijf Triëst (belastingregeling transitogoederen – werking van GATT in gemeenschapsrechtelijk kader), Jur. 1983, p. 731-782, r.o. 18, 19 en 23.
Art. 23 lid 2 EG.
Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Algerije van 26 april 1976 en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978. Vgl. conclusie A-G Léger van 5 oktober 2006 voor HvJ EG 21 juni 2007, nr. C-173/05, EC vs. Italië, www.curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl.
HvJ EG 28 juni 1978, nr. 70/77, Simmenthal SpA vs. Italiaanse administratie der staatsfinancien (Simmenthal III) (keuringsheffingen), Jur. 1978, p. 1453, r.o. 26 en 27.
HvJ EG 13 december 1973, nrs. 37/73 en 38/73, Sociaal fonds voor de diamantarbeiders vs. NV Indiamex en feitelijke vereniging De Belder, Jur. 1973, p. 1609-1626, r.o. 10-18. HvJ EG 16 maart 1983, nr. 266/81, Societa Italiana per l'Oleodotto Transalpino (SIOT) vs. Italiaanse Ministeries van Financiën en van Koopvaardij, douanedistrict Triëst en Havenbedrijf Triëst (belastingregeling transitogoederen – werking van GATT in gemeenschapsrechtelijk kader), Jur. 1983, p. 731-782, r.o. 18. HvJ EG 5 oktober 1995, nr. C-125/94, aprile srl, in liquidatie vs. Amministrazione delle finanze dello stato, Jur. 1995, p. I-02919, r.o. 32-42.
HvJ EG 1 juli 1969, nr. 24/68, EC vs. Italië, Jur. 1969, p. 193, r.o. 7. HvJ EG 14 september 1995, nrs. C-485/93 en C-486/93, Maria Simitzi vs. Gemeente Kos (heffing op uitgevoerde goederen wegens verlaten van een regio van het Griekse grondgebied), Jur. 1995, p. I-2655, r.o. 14.
HvJ EG 14 september 1995, nrs. C-485/93 en C-486/93, Maria Simitzi vs. Gemeente Kos (heffing op uitgevoerde goederen wegens verlaten van een regio van het Griekse grondgebied), Jur. 1995, p. I-2655, r.o. 20.
HvJ EG 22 april 1999, nr. C-109/98, Société CRT France International vs. Directeur régional des impôts de Bourgogne, Jur. 1999 p. I-02237. HvJ EG 21 september 2000, nrs. C-441/98 en C-442/98, Kapniki Michaïlidis AE vs. Idryma Koinonikon Asfaliseon (IKA), Jur. 2000, p. I-07145.
HvJ EG 16 juli 1992, nr. C-163/90, Administration des Douanes et Droits Indirects vs. Léopold Legros Louise Brun, née Alidor Armand Joseph Payet Henri Michel Techer, Jur. 1992, p. I-4625. HvJ EG 9 augustus 1994, nrs. C-363/93, C-407/93, t/m C-411/93, René Lancry SA, Dindar Confort SA, Ch. Ah-Son, P. Chevassus-Marche, Conforéunion SA en Dindar Autos SA vs. Direction générale des douanes, en Conseil régional de la Réunion, Direction régionale des douanes de la Réunion, Jur. 1994, p. I-03957. r.o. 25 en 29. HvJ EG 9 september 2004, nr. C-72/03, Carbonati Apuani Srl vs. Comune di Carrara (heffing van gelijke werking als douanerecht – accijns van marmer dat op grondgebied van gemeente wordt gewonnen, die wordt toegepast wanneer marmer het grondgebied van die gemeente verlaat), Jur. 2004, p. I-08027, r.o. 29.
HvJ EG 31 mei 1979, nr. 132/78, Denkavit Loire S.à.r.l. vs. Administration des Douanes, Jur. 1979, p. 1923, r.o. 8. HvJ EG 21 september 2000, nrs. C-441/98 en C-442/98, Kapniki Michaïlidis AE vs. Idryma Koinonikon Asfaliseon (IKA), Jur. 2000, p. I-07145, r.o. 23.
HvJ EG 9 september 2004, nr. C-72/03, Carbonati Apuani Srl vs. Comune di Carrara (heffing van gelijke werking als douanerecht – heffing op marmer dat op grondgebied van gemeente wordt gewonnen, die wordt toegepast wanneer marmer het grondgebied van die gemeente verlaat), Jur. 2004, p. I-08027, r.o. 35.
HvJ EG 14 september 1995, nrs. C-485/93 en C-486/93, Maria Simitzi vs. Gemeente Kos (heffing op uitgevoerde goederen wegens verlaten van een regio van het Griekse grondgebied), Jur. 1995, p. I-2655, r.o. 17.
Idem, r.o. 22.
Aan de binnengrenzen van de Gemeenschap worden sedert de instelling van de interne markt (1993) geen douanerechten meer geheven.1 Op douanerechten aan de binnengrenzen bestaat een strikt verbod, dat even expliciet geldt voor het douanerecht in verkapte vorm: de heffing van gelijke werking als een douanerecht. Het verbod op douanerechten binnen de Gemeenschap krijgt pas reliëf wanneer niet alleen de maatregelen verboden zijn die duidelijk in de voor douanerechten gebruikelijke vorm zijn gegoten, maar ook maatregelen die veelal onder andere benamingen worden gepresenteerd of op andere wijze worden geïntroduceerd, maar tot dezelfde discriminerende of protectionistische resultaten leiden als douanerechten zelf. Het doel van het HGW-verbod is de volstrekte neutraliteit tussen uit andere lidstaten binnengebrachte goederen en binnenlandse goederen van de lidstaten te waarborgen, teneinde het vrije goederenverkeer en de instelling van de interne markt te optimaliseren. Het HGW-verbod ziet op verboden belastingheffing ter zake van binnengrensoverschrijding en omvat ook douanerechten van fiscale aard. Voorts mag een lidstaat geen doorvoerrechten of andere met de doorvoer in verband staande heffingen opleggen op goederen die via zijn grondgebied worden vervoerd.2 Het verbod geldt ongeacht de hoogte van de heffing voor goederen die uit andere lidstaten dan wel uit derde landen afkomstig zijn en zich binnen de lidstaten in het vrije verkeer bevinden.3
Zo komt Italië zijn verdragsverplichtingen niet na door een milieuheffing in te voeren op aardgas afkomstig uit Algerije dat op basis van een samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Algerije bestemd is om op het grondgebied van Sicilië in het vrije verkeer te worden gebracht dan wel naar andere lidstaten te worden doorgevoerd.4 Het HGW-verbod is met betrekking tot het handelsverkeer met derde landen niet absoluut en de gemeenschapsautoriteiten kunnen uitzonderingen en afwijkingen daarvan vaststellen, mits de aldus opgelegde geldelijke lasten zich als zodanig in alle lidstaten gelijkelijk doen gevoelen in het betrokken handelsverkeer met derde landen.5 Invoering van nieuwe heffingen van gelijke werking ten aanzien van goederen die rechtstreeks uit derde landen worden ingevoerd is verboden.6 Het HGW-verbod geldt onafhankelijk van het al dan niet bestaan van een soortgelijke binnenlandse goederenproductielijn, ongeacht het doel waarmee de heffing is ingevoerd, ongeacht de bestemming van de opbrengst ervan7, ongeacht of de last ook drukt op goederen die uit een regio van een lidstaat worden uitgevoerd naar een andere regio van die lidstaat8, en ongeacht de heffing op één of meerdere bepaalde soorten goederen wordt toegepast9 dan wel op goederen die het grondgebied van de betrokken lokale, provinciale of nationale gemeenschap verlaten.10 Ook een last die is opgelegd ter zake van het overschrijden van een grens tussen lidstaten of een binnenlandse grens van een lidstaat ter compensatie van een locale last die op een soortgelijk nationaal goed drukt, wordt aangemerkt als een HGW.11
De gemeente Carrara (Italië) past krachtens een gemeentelijke verordening een heffing toe op marmerblokken, die op het gemeentelijk grondgebied worden gewonnen en buiten haar grondgebied worden gebracht. Het HvJ EG acht deze heffing in het Carrara-arrest (2004) een HGW; een aan het gewicht van een goed gerelateerde heffing, die slechts in één gemeente van één lidstaat en met betrekking tot één soort goederen wordt toegepast wegens het feit dat deze goederen het grondgebied van die gemeente verlaten, is een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht, ook al wordt de heffing ook toegepast op goederen waarvan de eindbestemming binnen het grondgebied van die lidstaat is gelegen.12 Eerder al besliste het HvJ EG in zijn Gemeente Kos-arrest (1995), dat (1) een heffing die door Griekenland op uit andere lidstaten afkomstige goederen wordt toegepast wegens hun binnenkomst in een regio van het Griekse grondgebied, een HGW is, ook al is die heffing tevens gelegd op uit een ander deel van Griekenland afkomstige goederen die in die regio worden binnengebracht, en worden ook de uit die regio uitgevoerde goederen ook in de heffing betrokken13, en dat (2) een heffing die door Griekenland op naar andere lidstaten uitgevoerde goederen wordt toegepast wegens het verlaten van een regio van het Griekse grondgebied, een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht is, ook al wordt zij tevens gelegd op goederen die uit die regio worden uitgevoerd naar een ander deel van Griekenland.14