Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/4.7.4
4.7.4 §823 I BGB: Verkehrspflichten
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713098:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Teichmann, in: Jauernig Kommentar BGB, §823 BGB 2021, nr. 1.
Voor een rechtsinbreuk is aldus vereist een schending van een van de in dit artikel genoemde subjectieve rechten (Tatbestandmäßigkeit); de onrechtmatigheid van deze schending (Rechtswidrigkeit) en toerekenbaarheid (Verschulden). De onrechtmatige schending van een subjectief recht is toerekenbaar indien zij opzettelijk is geschied (Vorsatz) of verwijtbaar nalatig (Fahrlässigkeit). De Fahrlässigkeit wordt nader omschreven in §276 BGB: ‘‘Fahrlässig handelt, wer die im Verkehr erforderliche Sorgfalt außer Acht lässt.’’
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §823 BGB 2020, nr. 433. Veel van deze zorgplichten zien tegenwoordig niet alleen meer op veiligheidsnormen en worden daarom ook wel aangeduid met de meer algemene term Verkehrspflichten. Een vroeg voorbeeld is: RG 30 oktober 1902, RGZ 52, 373.
Bijvoorbeeld: Markesinis, Bell & Janssen 2019, p. 55 e.v. Anders: Von Bar 1980, p. 157 e.v.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §823 BGB 2020, nr. 433.
Kleindiek 1997, p. 127-129; Von Bar 1992, p. 279, 286 e.v.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §823 BGB 2020, nr. 107.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §823 BGB 2020, nr. 126.
Ten derde kan de rechtspersoon aansprakelijk zijn voor schending van een persoonlijke zorgplicht (Verkehrspflicht) op grond van §823 I BGB. Het BGB kent, anders dan het BW, geen ‘Generalklausel’ voor foutaansprakelijkheid (Verschuldenshaftung).1 Als Generalklausel fungeren drie ‘allgemeine Deliktstatbestände’: de Rechtsgutverletzung van §823 I BGB, de schending van een wettelijke plicht, opgenomen in §823 II BGB (Schutzgesetzverletzung) en de onzedelijke opzettelijke schadetoebrenging, geregeld in §826 BGB (sittenwidrige vorsätzliche Schädigung). Op grond van §823 I BGB is diegene aansprakelijk die “vorsätzlich oder fahrlässig das Leben, den Körper, die Gesundheit, die Freiheit, das Eigentum oder sein sonstiges Recht eines anderen widerrechtlich verletzt.”2 Daarnaast zijn in de rechtspraak de zogenaamde Verkehrs(sicherungs)pflichten ontwikkeld.3 De positie van deze Verkehrspflichten binnen het wettelijk systeem is omstreden. De heersende leer gaat ervan uit dat de Verkehrspflichten passen binnen het eerste lid van §823 BGB.4 Het stelsel van deze Verkehrspflichten is tegenwoordig erg omvangrijk en is nogal casuïstisch van aard. Deze Verkehrspflichten hebben in de Duitse rechtspraktijk een dominante plek weten te bemachtigen.5
Hoewel de Duitse wetgever het individu voor ogen had als schender van de verplichtingen uit §823 I en II BGB, wordt algemeen erkend dat de rechtspersoon ook drager van de plichten uit §823 I en II kan zijn.6 Wagner kenmerkt de Verkehrspflichten als “Motor der Rechtsfortbildung“ voor de Unternehmenshaftung.7 Het meest in het oog springende kenmerk van deze grondslag van Unternehmenshaftung is dat de norm niet is gericht tot een individu behorende tot de organisatie, maar tot de organisatie zelf. Het bestaan, de inhoud en de reikwijdte van deze normen zijn geënt op het gevarenpotentieel van de onderneming en niet op het risicovolle gedrag van de organen en werknemers.8 Schending van een Verkehrspflicht bewerkstelligt aansprakelijkheid vanwege schending van een persoonlijke gedragsnorm van de ondernemer. Hierin verschilt toepassing van §823 van toepassing van §831 BGB.