Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/4.7.2
4.7.2 §831 BGB
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713180:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
§831 BGB luidt: “(1) Wer einen anderen zu einer Verrichtung bestellt, ist zum Ersatz des Schadens verpflichtet, den der andere in Ausführung der Verrichtung einem Dritten widerrechtlich zufügt. Die Ersatzpflicht tritt nicht ein, wenn der Geschäftsherr bei der Auswahl der bestellten Person und, sofern er Vorrichtungen oder Gerätschaften zu beschaffen oder die Ausführung der Verrichtung zu leiten hat, bei der Beschaffung oder der Leitung die im Verkehr erforderliche Sorgfalt beobachtet oder wenn der Schaden auch bei Anwendung dieser Sorgfalt entstanden sein würde. (2) Die gleiche Verantwortlichkeit trifft denjenigen, welcher für den Geschäftsherrn die Besorgung eines der im Absatz 1 Satz 2 bezeichneten Geschäfte durch Vertrag übernimmt.’’
Een uitvoerige vergelijking tussen beide bepalingen ligt buiten het bestek van dit proefschrift. Een belangrijk verschil dat ik hier nog wil noemen, is dat voor toepassing van §831 BGB alleen een ‘onrechtmatig handelen’ van de ondergeschikte is vereist en niet het bredere ‘fout’ van art. 6:170 BW. Over de invulling van ‘onrechtmatigheid’ naar Duits recht bestaat veel discussie. Zie hierover bijv.: Markesinis, Bell & Janssen 2019, p. 49 e.v., en meer specifiek in het kader van §831 BGB: p. 123-125.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §831 BGB 2020, nr. 34; Förster, in: BeckOK BGB, §831 BGB 2022, nr. 1. Zie ook: Brüggemeier, Archiv für die civilistische Praxis 1991, p. 38. Volgens Wilhelmi is §831 BGB een uiting van een “individualistischen Konzeption”, waarbij uitdrukkelijk ook de fout van de principaal getoetst moet worden. Een garantieplicht of een respondeat superior-constructie strookt niet met een dergelijke individualistische interpretatie. Zie: Wilhelmi, in: Erman Handkommentar BGB, §831 BGB 2020, nr. 1. Teichmann gaat zelfs verder: “§831 begründet entgegen einer weitläufigen Meinung keine Haftung für das Handeln des Gehilfen, sondern einen selbständigen Anspruch gegen den Geschäftsherrn wegen eigenen Auswahl-, Ausrichtungs- oder Überwachungsverschuldens mit einer Beweislasterleichterung für den Geschädigten”. Zie: Teichmann, in: Jauernig Kommentar BGB, §831 BGB 2021, nr. 1, p. 1574.
Hoewel de Duitse wetgever in eerste instantie een vorm van respondeat superior naar Angelsaksisch en Frans voorbeeld wilde invoeren, kreeg uiteindelijk – onder invloed van de Pandektenwetenschap – het denken in individuele verantwoordelijkheid de overhand, waardoor een aansprakelijkheid van de werkgever zonder eigen plichtsverzuim niet werd aangenomen. Zie ook Spindler 2001 (2011), p. 689; Markesinis, Bell & Janssen 2019, p. 118. In de praktijk past de rechtspraak dit verweer streng toe, zodat deze werkgeversaansprakelijkheid een vorm van risicoaansprakelijkheid benadert. Bovendien is als gevolg van de introductie van Organisationspflichten het resultaat wel gelijk aan het Engelse en Franse recht. Zie: Wagner 2003, p. 298. De ratio van de bewijslastomkering is ten eerste gelegen in een zekere slachtofferbescherming: voor de benadeelde partij is het doorgaans lastig om bewijs aan te dragen, aangezien de bewijsmiddelen veelal zien op de “Innenverhältnis” tussen principaal en ondergeschikte(n). Verder is ook de verhoging van het gevaarspotentieel als gevolg van arbeidsdeling een reden voor de bewijslastomkering.
BGH 28 april 1987, NJW-RR 1987, 1048: “§831 BGB als die im Streitfall für eine Deliktshaftung der bekl. Bundesbahn allein in Betracht kommende Vorschrift knüpft die Einstandspflicht des Geschäftsherrn für eine widerrechtliche Schädigung durch seinen Verrichtungsgehilfen zwar an ein eigenes Verschulden des Geschäftsherrn an, läßt aber zugunsten des Verletzten eine doppelte Vermutung eingreifen: Hat der Verletzte eine rechtswidrige Schädigung durch den Verrichtungsgehilfen dargetan, dann besteht eine vom Geschäftsherrn zu widerlegende Vermutung dafür, daß er seinen Gehilfen nicht ausreichend ausgewählt, angewiesen, beaufsichtigt oder mit den erforderlichen Vorrichtungen oder Gerätschaften versehen hat (Verschuldensvermutung) und daß die Verletzung dieser Pflichten für die Schädigung ursächlich geworden ist (Kausalitätsvermutung).” Zie ook: Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §831 BGB 2020, nr. 36; Förster, in: BeckOK BGB, §831 BGB 2022, nr. 2; Markesinis, Bell & Janssen 2019, p. 125 e.v.; Wilhelmi, in: Erman Handkommentar BGB, § 831 BGB 2020, nr. 2; Van Dam 2013, nr. 1606-1.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §831 BGB 2020, nr. 55, met verwijzingen naar relevante oude rechtspraak; Steege 2022, p. 64. Zie ook: BGB 24 juni 1996, NJW 1994, 2756.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §831 BGB 2020, nr. 56; Wagner 2003, p. 298. Volgens Wagner is de benadeelde niet gehouden de concrete persoon te identificeren die het delictueel relevante handelen heeft uitgevoerd. Zie ook: Steege 2022, p. 64.
Förster, BeckOK BGB, §831 BGB 2022, nr. 67-78; Van Dam 2013, p. 503-504; Steege 2022, p. 66.
Spindler 2001 (2011), p. 689.
Spindler 2001 (2011), p. 689. Door de invoering van de Organisationspflicht in het kader van §823 BGB (en soms in kader van §831) is de reikwijdte van het dezentralisierter Entlastungsbeweis teruggedrongen. Zo is het niet meer toereikend om alleen maar een toezichthouder aan te stellen. De gehele organisatie moet van dien aard zijn dat schade aan derden voorkomen kan worden (bijvoorbeeld door het invoeren van voldoende controlemomenten, het geven van instructies en aanwijzingen, scholing en training van personeel, en monitoring). Zie ook Spindler 2001 (2011), p. 691.
Technisch gezien zijn het er vier. Een route die ik niet behandel is van arbeidsrechtelijke aard en ziet op de verhaalsmogelijkheden die de werknemer heeft op de werkgever, indien de werkgever zich succesvol kan disculperen en de werknemer vervolgens door de laedens wordt aangesproken. Zie hierover ook: Markesinis, Bell & Janssen 2019, p. 126. Een andere omzeilingsroute vormt §278 BGB, waarin de aansprakelijkheid voor “fremdes Verschulden” wordt geregeld. Ik laat deze grondslag buiten beschouwing, omdat dit artikel van contractenrechtelijke aard is. §278 BGB is overigens geen ‘Anspruchsgrundlage’, maar alleen belangrijk voor de ‘Zurechnung’. Zie uitgebreid: Markesinis, Bell & Janssen 2019, p. 128 e.v.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §831 BGB 2020, nr. 12.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §831 BGB 2020, nr. 11-12.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §831 BGB 2020, nr. 11.
§831 BGB1 regelt de aansprakelijkheid van de Geschäftsherr (meester) voor schadeveroorzakend handelen van Verrichtungsgehilfen (werknemers of hulppersonen). De ingangseisen van §831 vertonen overlap met de eisen van art. 6:170 BW.2 Anders dan bij art. 6:170 BW, wordt bij aansprakelijkstelling op grond van §831 de principaal een verwijt gemaakt:3 die had zijn ondergeschikte niet goed geselecteerd en/of had onvoldoende toezicht gehouden op zijn ondergeschikte. Daarmee komt het belangrijkste onderscheid bloot te liggen tussen de Nederlandse aansprakelijkheid voor ondergeschikten en het Duitse equivalent: waar art. 6:170 BW een risicoaansprakelijkheid is met schuldelementen, is §831 BGB een schuldaansprakelijkheid met een bewijsvermoeden.4 Dit bewijsvermoeden houdt in dat de ‘meester’ zijn personeel niet zorgvuldig heeft geselecteerd, geïnstrueerd en opgeleid, en dat de schade met een zorgvuldige selectie, instructie en/of opleiding van het personeel niet zou zijn ontstaan.5
Voor een succesvol beroep op §831 BGB dient de gelaedeerde te bewijzen dat de oorzaak van de schade is gelegen in het handelen van een ondergeschikte,6 dat die ondergeschikte handelingsbekwaam was en dat hij heeft gehandeld in de uitoefening van zijn taak.7 Daarmee is in beginsel gegeven dat de ondergeschikte onrechtmatig heeft gehandeld. Het volstaat als de gelaedeerde aanwijst wat de aard, het tijdstip en de omstandigheden waren van het ongeval en dat gelet op deze aard en omstandigheden tussenkomst van een hulppersoon aannemelijk is. Niet vereist is dat de benadeelde de concrete ondergeschikte als schadeveroorzaker aanwijst.8 De werkgever kan dit vermoeden ontzenuwen door te bewijzen dat de ondergeschikte de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij de uitoefening van zijn taak.9 Daarnaast kan de werkgever zich disculperen door aan te tonen dat hem zelf geen verwijt valt te maken, omdat hij voldoende zorg heeft betracht bij de selectie en het toezicht van de ondergeschikte en dat de schade ondanks zijn inspanningen is ontstaan (§831 I, tweede volzin BGB). Voorts kan de principaal het Entlastungsbeweis voeren dat de schade ook was ontstaan bij inachtneming van alle vereiste zorgvuldigheid.10 Indien de principaal een grootonderneming is, is niet vereist dat de principaal bewijst dat hij de ondergeschikte persoonlijk heeft geselecteerd en geïnstrueerd, omdat dit niet verwacht kan worden van een eigenaar van een grootbedrijf. Het is toegestaan dat de principaal aantoont dat hij werknemers in dienst heeft genomen die nieuw personeel op zorgvuldige wijze selecteren en die toezicht houden op het handelen van de werknemers en de arbeidsprocessen in het bedrijf.11 Dit wordt het dezentralisierter Entlastungsbeweis genoemd.12 Het dezentralisierter Entlastungsbeweis is in de literatuur veelvuldig bekritiseerd, omdat het voor grootondernemingen vrij eenvoudig is om onder aansprakelijkheid op grond van §831 BGB uit te komen.13 Ofschoon veel stemmen opgaan om dit dezentralisierter Entlastungsbeweis af te schaffen, omdat het onrechtvaardig en achterhaald zou zijn, blijven de wetgever en de rechtspraak vasthouden aan deze disculpatiegrond.14 Er zijn echter verschillende mogelijkheden voor de benadeelde om deze disculpatiegrond te omzeilen. Ik bespreek er twee:15 de toepassing van §31 BGB (paragraaf 4.7.3) en toepassing van Organisationspflichten (paragraaf 4.7.5).
Een succesvol beroep op §831 BGB leidt tot aansprakelijkheid van de Geschäftsherr voor onrechtmatig handelen van de aangestelde. Dit laat onverlet dat de werknemer en de principaal ook op grond van de algemene onrechtmatigedaadsbepaling (§823 I of II BGB) aansprakelijk kunnen zijn.16 Is dit het geval, dan kan de gelaedeerde zowel de principaal als de aangestelde aanspreken voor zijn schade.
Zoals aangegeven, is §831 BGB van wezenlijk andere aard dan art. 6:170 BW. Terwijl bij art. 6:170 BW alleen de daad – en daarmee het daderschap – van de werknemer een rol speelt, is bij §831 BGB sprake van twee gedragingen: de (onrechtmatige) gedraging van de ondergeschikte en de (onrechtmatige) gedraging van de werkgever. De inhoud van de gedragingen verschillen. De gedraging van de ondergeschikte ziet op de handeling die de schade ‘primair’ heeft veroorzaakt. Te denken valt aan het verkeerd instellen van een machine of het niet opruimen van verpakkingsmateriaal. De gedraging van de werkgever ziet op het selecteren, monitoren en opleiden van personeel. Hoewel zowel de gedraging van de ondergeschikte als de gedraging van de principaal wordt getoetst aan §823 I BGB,17 zijn de toepasselijke normen verschillend. Ten aanzien van de werkgever gaat het namelijk om specifieke organisatieverplichtingen, zoals selectieverplichtingen, toezichtverplichtingen en instructieverplichtingen. Het gaat om een specifieke concretisering van de “allgemeinen deliktischen Pflicht zur gefahrvermeidenden Unternehmensorganisation.”18 De literatuur gaat bij mijn weten niet in op de vraag hoe die handeling van de werkgever wordt geconstrueerd.