Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/4.7.5
4.7.5 Organisationspflichten
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713141:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Matusche-Beckmann 2001, p. 9.
RG 1907, Gruchot 51, 997 e.v. (Graben-Urteil); RG 14 december 1911, RGZ 78, 107 (Kutscher-Urteil); RG 28 november 1913, RG, Warn. Rspr. 1914, nr. 30, p. 50 (Neuzement-Urteil); RG 20 april 1914, RG, JW 1914, 758 (Warenhaus-Urteil); RG 25 februari 1915, RGZ 87, 1; RG 7 november 1916, RGZ 89, 136 (Asphalt-Vertiefungs-Urteil); RG 19 februari 1923, RG JW 1923, 1026 (Fuhrwerk-Urteil); RG 12 januari 1938, RG JW 1938, 1651 (Kleinbahn-Urteil); RG 12 oktober 1938, RG, JW 1938, 3162 (Streupflicht-Urteil I); RG 6 januari 1939, RGZ 159, 283 (Gewehrgranate-Urteil). De Organisationspflicht was mogelijk doordat het RG al in 1902 (RG 20 november 1902, VI 268/02, RGZ 53, 53) oordeelde dat organisaties ook aansprakelijk konden zijn vanwege de schending van een Verkehrssicherungspflicht (§823 I BGB). Zie hierover: Brüggemeier 2006, p. 128.
BGH 25 oktober 1951, BGHZ 4, 1 (Benzinfahrt-Urteil); BGH 4 november 1953, BGHZ 11, 151 (Zinkdach-Urteil); BGH 10 juli 1954, NJW 1956, 1106; BGH 13 mei 1955, BGHZ 17, 214 (Bleiwaggon-Urteil); BGH 6 november 1956, BGH, MDR 1957, 214 (Streupflicht II-Urteil); BGH 10 mei 1957, BGHZ 24, 200 (Spätheimkehrer-Urteil); BGH 28 oktober 1958, BGH, JurionRS 1958, 13697 (Seilschloss-Urteil); BGH 24 april 1959, BGH, JurionRS 1959, 14068 (Gerüst-Urteil); BGH 9 februari 1960, BGHZ 32, 52 (Besitzdiener-Urteil); BGH 13 december 1960, BGH, NJW 1961, 455 (Werbehändler-Urteil); BGH 17 oktober 1967, BGH, NJW 1967, 247 (Schubstreben-Urteil); BGH 20 april 1971, BGH NJW 1971, 1313 (Tiefbauunternehmer-Urteil); BGH 30 mei 1978, BGH, JZ 1978, 475 (Kfz-Werkstatt-Urteil).
Steege 2022, p. 83, 107, 109-110.
De vraag komt op wat het verschil is tussen de Organisationspflicht en het dezentralisierter Entlastungsbeweis van §831 BGB. Moet voor een succesvol beroep op de disculpatiegrond van §831 BGB ook niet zijn voldaan aan het hebben van een goed personeelsbestand? Tot op zekere hoogte klopt dit. Sommige organisatieplichten overlappen met de verplichtingen op grond van §831 BGB. Desalniettemin vallen de organisatieplichten van §823 I en §831 niet geheel samen. Zo is §831 BGB ten eerste toegesneden op het handelen van een individuele ondergeschikte. Dit betekent dat de plicht van de principaal betrekking heeft op het toezicht houden en controleren van deze individuele ondergeschikte(n). §823 I BGB is daarentegen ook van toepassing als het gaat om plichten en risico’s die ontstaan onafhankelijk van het handelen van specifieke ondergeschikten. Het gaat dan om een onrechtmatigheid die is ontstaan als gevolg van een gebrekkig(e) bedrijfsmatig proces of planning. Zie in soortgelijke zin: Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §823 BGB 2020, nr. 34; Wagner 2011, p. 911. Zie ook Steege, p. 160 e.v., voor nadere afbakeningscriteria. Ik laat deze criteria hier verder buiten beschouwing.
Zie ook Brüggemeier 2006, p. 132 e.v.; Spindler 2001 (2011), p. 691.
Wagner, in: Münchener Kommentar BGB, §823 BGB 2020, nr. 125.
Spindler 2001 (2011), p. 696; Steege 2022, p. 110, 126, 128, 142 e.v., met verdere verwijzingen.
Kleindiek 1997, p. 294. Zie over deze Konvergenztheorie ook: Steege 2022, p. 142.
Steege 2022, p. 142-144.
Steege 2022; Matusche-Beckmann 2001.
Steege 2022, p. 142-144. Zie ook: Matusche-Beckmann 2001, p. 87-88.
Steege 2022, p. 159.
Par. 6.4.4.
Spindler 2001 (2011), p. 746 e.v.
Tot slot zijn de Organisationspflichten van belang. Deze plichten worden omschreven als een typische vorm van Unternehmenshaftung.1 De term ‘Organisationspflicht’ heeft betrekking op twee typen organisatieplichten: de betrieblichen Organisationspflicht en de körperschaftlichen Organisationspflicht.
De betrieblichen Organisationspflicht ziet op de plicht om de onderneming zo in te richten dat schade aan derden kan worden voorkomen.2 De betrieblichen Organisationspflicht is al vroeg in de rechtspraak van het RG geïntroduceerd3 en later door het BGH verder ontwikkeld.4 De grondslag van de organisatieplicht is omstreden.5 Deze plicht vloeit voort uit een extensieve uitleg van §823 I en §831 BGB.6 De Organisationspflicht op grond van §831 BGB behelst de Oberaufsichts-verplichting van de Geschäftsherr om iemand aan te stellen die nieuw personeel selecteert en toezicht houdt.7 De Organisationspflicht op grond van §823 I BGB heeft een algemener karakter.
De betriebliche organisatieplicht fungeert als omzeiling van het strikte dezentralisierte Entlastungsbeweis van §831 BGB. Het heeft daardoor een instrumenteel karakter.8 Zoals hierboven is aangegeven, zorgt deze disculpatiegrond ervoor dat een ondernemer in veel gevallen onder aansprakelijkheid uit kan komen, indien hij kan aantonen dat hij de werknemer zorgvuldig heeft geselecteerd. Een succesvol beroep op deze disculpatiegrond leidt ertoe dat de schade blijft liggen waar zij gevallen is, hetgeen in sommige gevallen onwenselijk is. De toepassing van een betriebliche organisatieplicht kan dan uitkomst bieden, aangezien de onderneming alsnog aansprakelijk kan worden gehouden voor de schending van een eigen (gedrags)norm.
In de Duitse doctrine speelt de vraag hoe de betriebliche Organisationspflicht zich verhoudt tot de Verkehrspflichten.9 Volgens Kleindiek vallen de Organisationspflichten en de Verkehrspflichten samen.10 De primaire plicht (de Verkehrspflicht) kan worden nageleefd indien de organisatie op juiste wijze is georganiseerd. Organisationspflichten hebben in die visie geen zelfstandige betekenis.11 Volgens Matusche-Beckmann en Steege zijn de Organisationspflichten en de Verkehrspflichten te onderscheiden.12 Bij de Organisationspflichten gaat het om de gebrekkige organisatie die de laedens verweten wordt, bij de Verkehrspflichten om het gevolg (het niet vermijden van de ingetreden schade).13 Volgens Matusche-Beckmann wordt dit onderscheid in de literatuur niet altijd scherp gemaakt. Zo wordt bijvoorbeeld de plicht van de exploitant van een sportfaciliteit om de sportvoorziening veilig te houden, genoemd als organisatieplicht. Hetzelfde geldt voor de kwalificatie van de plicht van de exploitant van een kinderspeelplaats voor toezicht op de speeltoestellen. In beide gevallen gaat het echter om een schending van een Verkehrspflicht. Dit sluit echter niet uit dat naast deze Verkehrspflicht ook organisatieplichten bestaan. Hoewel de Verkehrspflichten en Organisationpflichten moeten worden onderscheiden, bestaat er wel een zeker verband tussen de twee. Dit uit zich op twee manieren. Ten eerste ontstaan de Organisationspflichten door delegatie van een delictuele plicht (Verkehrspflichten) aan ondergeschikten of volgen zij als ‘Annex’ de zorgplicht. Op het moment van delegatie van een zorgplicht, ontstaan er gelijktijdig voor de ‘principaal’ bijvoorbeeld toezicht- en onderzoeksplichten. Ten tweede is de inhoud van de ‘secundaire’ Organisationspflicht afgestemd op de ‘primaire’ Verkehrspflicht:
“Inhalt der Organisationspflicht ist die Organisation der Rechtssphäre des Geschäftsherrn dergestalt, dass eine Verletzung seiner ihm obliegenden Pflichten vermieden wird.”14
De organisatieplicht gaat verder dan het enkel houden van toezicht. De organisatieplicht valt uiteen in verscheidene ‘sub-plichten’, zoals onder andere het opstellen van richtlijnen en het geven van instructies en training.15
Er bestaat overigens kritiek op de invulling van de Organisationspflichten door de rechters. Zoals blijkt uit de Duitse jurisprudentie, lijkt de Duitse rechter een nogal traditioneel, hiërarchisch begrip van de onderneming voor te staan. Vereist wordt dat de ondernemer duidelijke grenzen aangeeft met betrekking tot de verdeling van taken en verantwoordelijkheid, duidelijke instructies geeft en medewerkers zodoende duidelijke structuren aanreikt. Dit lijkt echter niet helemaal te stroken met hedendaagse vormen van bedrijfsorganisaties, die niet sterk hiërarchisch zijn ingericht. Spindler betwijfelt of op deze wijze de rechter een bepaalde bedrijfsinrichting lijkt voor te schrijven. Toch meent hij dat ‘het vaandel van de ondernemingsvrijheid’ nog steeds hoog wordt gehouden in het aansprakelijkheidsrecht, omdat het in principe aan de ondernemer is om te beslissen op welke wijze hij voldoet aan zijn organisatieplichten en welke middelen hij daarvoor inzet. Zo wordt bijvoorbeeld aangegeven dat het afhankelijk is van de aard, grootte, structuur en doel van de onderneming welke maatregelen toereikend zijn. Van de ondernemer wordt verwacht dat hij op “basis van erkende beginselen van risicobeheersing” zich heeft ingespannen om een effectieve organisatie op te zetten. Spindler merkt terecht op dat niet expliciet wordt gemaakt welke grondslag dit risicomanagement heeft en hoe dit wordt gewaardeerd.16
Naast de betriebliche Organisationspflicht, kent het Duitse recht de körperschaftliche Organisationspflicht. Hoewel deze organisatieplicht een vergelijkbare naam en functie (de omzeiling van het dezentralisierte Entlastungsbeweis uit §831 BGB) heeft als de betriebliche Organisationspflicht, zijn de inhoud, aard en grondslag ervan anders. De körperschaftlichen Organisationspflicht houdt in dat de rechtspersoon zodanig georganiseerd moet zijn dat een Vertreter (in de zin van §30 of §31 BGB) is aangesteld om toezicht te houden op gevaarlijke taken, die kunnen leiden tot schade waarvoor de rechtspersoon aansprakelijk is op grond van §31. Deze Organisationspflicht vormt een uitweg voor het volgende probleem. Indien een ondergeschikte, niet zijnde een Vertreter in de zin van §30 of §31 BGB, schade veroorzaakt, kan de ondernemer alleen aangesproken worden op grond van §831 BGB. In dat geval kan de ondernemer echter een beroep doen op het dezentralisierte Entlastungsbeweis en, indien dit succesvol is, onder aansprakelijkheid uitkomen. De körperschaftliche Organisationspflicht steekt echter een stokje voor deze praktijk. Een belangrijk verschil met een betrieblichen Organisationsmangel is dat ingeval van een körperschaftliche Organisationsmangel, de ondernemer niet het verwijt wordt gemaakt dat de organisatie gebrekkig was, maar dat de voor de schade verantwoordelijke medewerker niet de juiste juridische status heeft. Met andere woorden, omdat een niet-orgaan (of niet-Vertreter) belast is met de taken van toezicht en er dientengevolge geen mogelijkheid is tot verhaal (vanwege toepassing van het dezentralisierte Entlastungsbeweis), is sprake van een gebrek in de organisatie.