De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.4.2:I.3.4.2 De grondwetsherziening van 1922
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.4.2
I.3.4.2 De grondwetsherziening van 1922
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284973:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Eindrapport Staatscommissie Ruijs de Beerenbrouck 1918, p. 4-5.
Handelingen II 1921/22, 43, p. 1248.
Handelingen I 1921/22, 37, p. 733.
Op 5 juli 1922 volgden er verkiezingen. De tweede lezing leidde niet tot problemen. Eind november 1922 was de grondwetsherziening van 1922 gepubliceerd in het Staatsblad: Wet van 30 november 1922, Stb. 1922, 644.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in 1922 verwierp de Eerste Kamer een voorstel. Dit keer stond de positie van de Eerste Kamer zelf op het spel. Plannen om de Eerste Kamer af te schaffen deden sinds 1918 regelmatig de ronde. Afschaffing was één van de revolutionaire ambities geweest van Troelstra in het rumoerige najaar van 1918. Ruijs de Beerenbrouck achtte het in 1918 (vlak na de grondwetsherziening van 1917) nodig weer een staatscommissie in te stellen.
De Staatscommissie-Ruijs de Beerenbrouck pleitte voor het behoud van de Eerste Kamer, maar dan wel met inachtneming van het beginsel van de evenredige vertegenwoordiging.1 De regering diende in lijn met de rapportage van de Staatscommissie-Ruijs de Beerenbrouck een voorstel (waaronder veel andere voorstellen) in op 22 maart 1921; dat voorstel beoogde de zittingsperiode van de leden van de Eerste Kamer terug te brengen tot vier jaar in plaats van negen jaar. De leden zouden verder gelijktijdig aftreden. Voorts zou er een mogelijkheid komen om de Provinciale Staten (als kiescollege) te ontbinden bij een ontbinding van de Eerste Kamer.
De Tweede Kamer aanvaardde het voorstel op 22 december 1921 met een ruime meerderheid van 74 stemmen tegen 18.2 Bij de behandeling van het voorstel in de Eerste Kamer strandde het voorstel. De belangrijkste kritiek was dat de Eerste Kamer al te zeer een doublure van de Tweede Kamer zou worden (qua ontbinding, zittingstijd en het losraken van de band met de provincies). De Eerste Kamer had niet veel op met het voorstel en verwierp het op 20 april 1922 met 24 stemmen tegen 21.3
Met het verwerpen van het regeringsvoorstel torpedeerde de Eerste Kamer het gehele voorstel over de hervormingen van de Staten-Generaal, aangezien veel onderdelen in dit voorstel waren verenigd. Op 26 april 1922 diende de regering met spoed een geheel nieuw voorstel in. Dit voorstel kwam wel tegemoet aan de bezwaren van de Eerste Kamer: de Eerste Kamer kreeg een zittingsperiode van zes jaar, waarbij om de drie jaar de helft werd vervangen. Wel werd het stelsel van evenredige vertegenwoordiging voor de Eerste Kamer opgenomen. Minder dan drie weken later was dit voorstel al door de Tweede en Eerste Kamer. Nog in 1922 vond er een wijziging van de Grondwet plaats. In totaal nam deze procedure een half jaar in beslag van het moment van indiening in eerste lezing tot aan de publicatie van de grondwetsherziening in het Staatsblad.4