De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.4.5:I.3.4.5 Ingetrokken voorstellen bij de Eerste Kamer
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.4.5
I.3.4.5 Ingetrokken voorstellen bij de Eerste Kamer
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284977:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het voorstel had het oogmerk om een periode zonder parlement te voorkomen. De bedoeling was dat de oude Kamer aanbleef tot er een nieuwe Kamer was verkozen, ook wanneer het niet mogelijk is om binnen de wettelijke termijn een nieuwe Kamer te verkiezen.
Kamerstukken I 1955/56, 4248, 153 en 153b.
Zie verder hoofdstuk 3, paragraaf 10.
Kamerstukken I 1998/99, 25443, nr. 40d. Zie hierover ook: Kummeling & Zwart 2001, p. 4-7.
Eindrapport Staatscommissie-Elzinga 2000, p. 410.
Zie bijlage I en V.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vijf voorstellen zijn ingetrokken door de indiener in de fase bij de Eerste Kamer in eerste lezing. Ik behandel deze kort. In april 1956 trok de Tweede Kamer een voorstel in. Het betreffende initiatiefvoorstel-Oud c.s. had het oogmerk om een parlementair vacuüm te voorkomen.1 Deze intrekking vond plaats vanwege technische fouten in het voorstel welke bij de Eerste Kamer aan het licht kwamen.2 Een nieuw initiatiefvoorstel van Oud c.s. doorstond wel de eerste lezing, maar strandde in tweede lezing bij de Eerste Kamer.3
De regering diende in juli 1997 ten tijde van Paars-I een voorstel in omtrent de modernisering van artikel 13 Gw aangaande het brief-, telegraaf- en telefoongeheim.4 In sterk geamendeerde vorm ging het voorstel in januari 1998 naar de Eerste Kamer. Op 6 mei 1998 zouden er verkiezingen plaatsvinden, waardoor er slechts weinig tijd restte voor de behandeling van het voorstel (de datum voor kandidaatstelling stond gepland op 24 maart). De Eerste Kamer bleek niet bereid het voorstel zo spoedig te bespreken. Hierdoor liep de behandeling geruime vertraging op. De verslaglegging in de Eerste Kamer, die pas ná de verkiezingen voor de Tweede Kamer plaatsvond was kritisch. In maart 1999 gaf de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken in overweging om het voorstel in te trekken. Bovendien was er al een Staatscommissie-Franken geïnstalleerd die met voorstellen zou komen gelet op de ontwikkelingen in de digitalisering. Eind mei 1999 trok de regering het voorstel in.5
In november 2000 trok de regering een voorstel in over de deconstitutionalisering van de kroonbenoeming van de burgemeester en de Commissaris van de Koningin.6 Eerder bracht de Staatsommissie-Elzinga een rapport uit waarin stond dat een dergelijke schrapping vergezeld zou moeten gaan van een bepaling waarin staat dat de wetgever de aanstellingswijze bepaalt.7 De regering trok om die reden het voorstel in.8 Verder zijn in 1922 twee voorstellen in eerste lezing ingetrokken die bij de Eerste Kamer lagen. Het ging om voorstellen betreffende het vijfde hoofdstuk over justitie en een voorstel betreffende de additionele bepalingen.9