De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.4.3:I.3.4.3 De grondwetsherziening van 1953
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.4.3
I.3.4.3 De grondwetsherziening van 1953
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285053:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De VVD-fractie verweet haar eigen minister Stikker dat hij zich niet had verzet tegen het beleid van minister Van Maarsseveen (KVP) inzake Nieuw-Guinea. Een door de VVD ingediende motie (met het karakter van een motie van wantrouwen) gaf aanleiding voor Stikker om af te treden. Het aftreden van Stikker leidde tot de val van het kabinet, waardoor de kwestie over Nieuw-Guinea vooralsnog onopgelost bleef.
Handelingen I 1951/52, 41, p. 839 - 859.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De grondwetsherziening van 1953 is (groten)deels als een mislukte operatie te beschouwen, ook omdat de ambities bij de regering groot waren. Deze mislukking werd vooral zichtbaar in de Eerste Kamer. Ook hier is een kleine voorgeschiedenis nodig om de gang van zaken te kunnen duiden. Het kabinet-Drees/Van Schaik (1948-1951) stelde in april 1950 een Staatscommissie in onder leiding van Van Schaik om een ruime en algehele grondwetsherziening voor te bereiden. Deze commissie rondde in de juli 1951 een interim-rapport af; een eindrapportage bleek nog niet haalbaar. De rapportage van deze Staatscommissie viel samen met een kabinetscrisis. In januari speelde er namelijk een conflict tussen het kabinet en de VVD-fractie (destijds coalitiepartij) over het beleid over de soevereiniteitsoverdracht inzake Nieuw-Guinea.1 De VVD wilde een andere opstelling van het kabinet. De soevereiniteitsoverdracht moest zoveel mogelijk beperkt blijven: Nieuw-Guinea mocht niet worden prijsgegeven. Deze kabinetscrisis leidde tot de val van het kabinet in januari 1951. Dezelfde partijen formeerden een nieuw kabinet. Juist in deze periode van formatie werd de eindrapportage verwacht, maar er volgde een interim-rapport. De periodieke verkiezingen stonden gepland in juni 1952, zodat er betrekkelijk kort de tijd was - minder dan een jaar - om de voorstellen op basis van deze interimrapportage door de Tweede en Eerste Kamer te krijgen.
In totaal diende de regering acht voorstellen in bij de Tweede Kamer, waarvan er slechts vijf bij de Eerste Kamer aankwamen. Op 20 februari 1952 nam de Tweede Kamer de vijf voorstellen aan. De datum van kandidaatstelling voor de periodieke verkiezingen van de Tweede Kamer was al gesteld op 13 mei 1952. Aangezien de datum van kandidaatstelling toen nog leidend was als termijn voor afronding van de eerste lezing, restten er minder dan drie maanden om de voorstellen in de Eerste Kamer te behandelen. De Eerste Kamer verwierp drie van deze vijf voorstellen. Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer gaven enkele senatoren aan niet blij te zijn met de korte tijd die zij hadden om de behandeling van het voorstel af te kunnen ronden in verband met de op handen zijnde verkiezingen. Op 7 mei 1952 was het bijltjesdag en verwierp de Eerste Kamer drie voorstellen.2
Zo lag er een voorstel om uitdrukking te geven aan de nieuwe rechtsorde, die was ontstaan nu Indonesië onafhankelijk was geworden. Veel senatoren achtten een grondwetsherziening – o.a. een eliminatie van Indonesië uit de Grondwet - op dit punt niet urgent. Bovendien stonden er al grotere plannen op stal i.v.m. de ontwikkeling van het Koninkrijksrecht (denk aan het Statuut van 1954) en was het beter deze grondwetsherziening bij die op handen zijnde ontwikkelingen te betrekken.
Het tweede voorstel dat die dag sneuvelde ging over een uitbreiding van het aantal leden in de Eerste Kamer van 50 naar 75 zetels. Het derde voorstel betrof een voorstel om de minimumleeftijd van het passieve kiesrecht voor de Tweede Kamer en de Provinciale Staten te verlagen naar 23 jaar.
De Eerste Kamer verwierp deze voorstellen omdat er een gebrek aan urgentie was om deze voorstellen snel te behandelen. Bovendien hielp niet mee dat er betrekkelijk weinig tijd was om de voorstellen serieus te behandelen.