Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.2.1
7.2.1 Inleiding
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85879:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Men denke hieraan dat de Ondernemingskamer bij (mede) een onderliggende vennootschap een spoedvoorziening heeft getroffen – waartoe zij slechts kan overgaan indien naar haar voorlopige oordeel de verzoeker ontvankelijk is en er gegronde redenen aanwezig zijn – onder aanhouding van de beslissing op het verzoek om een onderzoek dan wel dat ten aanzien van (mede) de onderliggende vennootschap oordeelt dat er geen gegronde redenen aanwezig zijn.
De door mij geselecteerde beschikkingen zijn hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000 OK, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw); hof Amsterdam (OK) 20 juli 2000, rekestnr. 592/2000 (Nedco); hof Amsterdam (OK) 2 november 2000, JOR 2001/6 (Cohere); hof Amsterdam (OK) 16 november 2000, JOR 2001/9 (MUS); hof Amsterdam (OK) 23 januari 2001, JOR 2001/56 (Tactron); hof Amsterdam (OK) 29 maart 2001, rekestnr. 306/2001 (Incore); hof Amsterdam (OK) 31 augustus 2001, JOR 2001/207 (Easy World Airline) en hof Amsterdam (OK) 31 december 2002, ARO 2003/8 (Easy World Airline); hof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, JOR 2002/192, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Janson); hof Amsterdam (OK) 31 juli 2002, ARO 2002/128 (Polyplus); hof Amsterdam (OK) 1 augustus 2002, ARO 2002/129 (Mali Zevenaar); hof Amsterdam (OK) 31december 2002, ARO 2003/9 (Kruisheer Elffers); hof Amsterdam (OK) 26 maart 2003, ARO 2003/60 (Callas); hof Amsterdam (OK) 6 juni 2003, ARO 2003/98 (McVeldt); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2003, ARO 2003/110 (B&S Heiloo); hof Amsterdam (OK) 27 juni 2003, ARO 2003/113 (Johnny Hoes); hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (Landis); hof Amsterdam (OK) 13 april 2004, ARO 2004/54 (Cebepe); hof Amsterdam (OK) 4 januari 2005, ARO 2005/5 (Bouwburo); hof Amsterdam (OK) 28 februari 2005,ARO 2005/34 (Dodo); hof Amsterdam (OK) 24 maart 2005, ARO 2005/55 (ACI); hof Amsterdam (OK) 25 maart 2005, ARO 2005/59 (Euroyal); hof Amsterdam (OK) 25 mei 2005, ARO 2005/84 (Florimarx); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2005, ARO 2005/97 (’t Hart); hof Amsterdam (OK) 21 juni 2005, ARO 2005/98 (Knapen) en hof Amsterdam (OK) 11 oktober 2005, ARO 2005/188 (Knapen); hof Amsterdam (OK) 20 juli 2005, ARO 2005/119 (BKV); hof Amsterdam (OK) 22 juli 2005, ARO 2005/121 (Arthromed); hof Amsterdam (OK) 1 augustus 2005, ARO 2005/150 (Curamedical); hof Amsterdam (OK) 22 maart 2006, ARO 2006/70, Ondernemingsrecht 2006/145, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Van Doorn); hof Amsterdam (OK) 7 april 2006, ARO 2006/72 (Punching) en hof Amsterdam (OK) 11 juli 2006,ARO 2006/139 (Punching); hof Amsterdam (OK) 30 mei 2006, ARO 2006/105 (BWI); hof Amsterdam (OK) 28 juni 2006, ARO 2006/114 (Van Lennep); hof Amsterdam (OK) 26 juli 2006, ARO 2006/142 (K&H); hof Amsterdam (OK) 9 mei 2006, ARO 2006/99 (TriQorp) en hof Amsterdam (OK) 28 juli 2006, ARO 2006/145 (TriQorp); hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2006, ARO 2006/172 (Hartevelt); hof Amsterdam (OK) 24 november 2006, ARO 2006/192 (De Leeuw); hof Amsterdam (OK) 24 november 2006, ARO 2006/193 (Masselink); hof Amsterdam (OK) 27 december 2006, ARO 2007/4 (Woudwood) en hof Amsterdam (OK) 3 juli 2007, ARO 2007/128 (Woudwood); hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, ARO 2007/46 (ITpreneurs); hof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, JOR 2007/143, m.nt. M.P. Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2007/103, m.nt. M.J. van Ginneken (ABN AMRO) en hof Amsterdam (OK) 17 april 2008, JOR 2008/157, m.nt. A. Doorman (ABN AMRO); hof Amsterdam (OK) 22 juni 2007,ARO 2007/102 (Micam); hof Amsterdam (OK) 13 juli 2007, ARO 2007/121 (Villa Happ); hof Amsterdam (OK) 27 december 2007, ARO 2008/8 (Pool); hof Amsterdam (OK) 26 februari 2008,ARO 2008/49 (MBV); hof Amsterdam (OK) 4 maart 2008, ARO 2008/51 (ICTrack); hof Amsterdam (OK) 5 maart 2008, ARO 2008/53 (Kalf-Valk); hof Amsterdam (OK) 9 mei 2008, ARO 2008/91 (D&G); hof Amsterdam (OK) 3 december 2008, ARO 2008/191 (Graphic); hof Amsterdam (OK) 17 december 2008, ARO 2009/3 (MCEG) en hof Amsterdam (OK) 31 juli 2009, ARO 2009/133 (MCEG); hof Amsterdam (OK) 26 januari 2009, ARO 2009/19 (E&M Horeca); hof Amsterdam (OK) 16 maart 2009,ARO 2009/56 (Nedelko); hof Amsterdam (OK) 19 november 2009, ARO 2009/180 (FazandtGroep); hof Amsterdam (OK) 8 maart 2010, ARO 2010/44 (Allround Cargo); hof Amsterdam (OK) 29 april 2010,ARO 2010/72 (Celco); hof Amsterdam (OK) 3 mei 2010, ARO 2010/82 (Mulix); hof Amsterdam (OK) 20 mei 2010, ARO 2010/88 (UPA); hof Amsterdam (OK) 29 juni 2010, ARO 2010/104 (Posttate); hof Amsterdam (OK) 16 juli 2010, ARO 2010/112 (Boon); hof Amsterdam (OK) 16 november 2010, ARO 2010/170 (2Link); hof Amsterdam (OK) 18 november 2010, ARO 2010/171 (Weerts & Van Rooij); hof Amsterdam (OK) 10 februari 2011, ARO 2011/33 (MEI); hof Amsterdam (OK) 17 maart 2011, ARO 2011/55 (A&T Van Beek); hof Amsterdam (OK) 11 mei 2011, ARO 2011/82 (Proxy); hof Amsterdam (OK) 21 juni 2011, ARO 2011/104 (Markerink); hof Amsterdam (OK) 8 september 2011, ARO 2011/ 139 (Induna); hof Amsterdam (OK) 27 december 2011, ARO 2012/6 (Hein Schilder); hof Amsterdam (OK) 10 april 2012, ARO 2012/56 (Sequoia); hof Amsterdam (OK) 1 juni 2012, ARO 2012/82 (Callas); hof Amsterdam (OK) 14 juni 2012, ARO 2012/98 (RVDD); hof Amsterdam (OK) 28 augustus 2012,ARO 2012/119 (Pierson & Pierson); hof Amsterdam (OK) 3 september 2012, ARO 2012/130 (Pebblestone); hof Amsterdam (OK) 26 november 2012, ARO 2012/165 (Via Parva); hof Amsterdam (OK) 8 januari 2013, ARO 2013/24 (BHC); hof Amsterdam (OK) 17 januari 2013, ARO 2013/26 (Thermen); hof Amsterdam (OK) 2 april 2013, ARO 2013/68 (New Look); hof Amsterdam (OK) 30 mei 2013, ARO 2013/98 (Meditaxi) en hof Amsterdam (OK) 1 juli 2013, ARO 2013/119 (Meditaxi); hof Amsterdam (OK) 4 juli 2013, ARO 2013/120 (Slotervaartziekenhuis); hof Amsterdam (OK) 31 juli 2013, ARO 2013/127 (Jimm); hof Amsterdam (OK) 24 oktober 2013, JOR 2014/159, m.nt. W.H. van Baren (Staat); hof Amsterdam (OK) 12 december 2013, ARO 2014/6 (Three Ships); hof Amsterdam (OK) 20 december 2013, ARO 2014/9 (Agri); hof Amsterdam (OK) 10 februari 2014, ARO 2014/40 (Wikkelbok); hof Amsterdam (OK) 13 maart 2014, ARO 2014/60 (S&R); hof Amsterdam (OK) 17 maart 2014, ARO 2014/61 (Fuhler); hof Amsterdam (OK) 31 maart 2014, ARO 2014/64 (Plat Edam); hof Amsterdam (OK) 8 mei 2014, ARO 2014/85 (De Jong); hof Amsterdam (OK) 4 augustus 2014, ARO 2014/173 (Best Green); hof Amsterdam (OK) 21 augustus 2014, ARO 2014/175 (Depron); hof Amsterdam (OK) 11 november 2014, ARO 2015/18 (Iszgro); hof Amsterdam (OK) 22 januari 2015,ARO 2015/70 (DPS); hof Amsterdam (OK) 21 april 2015, ARO 2015/117 (Penta Properties); hof Amsterdam (OK) 11 mei 2015, ARO 2015/136 (Barendregt’s); hof Amsterdam (OK) 16 juni 2015, ARO 2015/165 (Clifden); hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/171 (Phanos Reit); hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/173 (Lansinkveste); hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/181 (Eshuis); hof Amsterdam (OK) 8 juli 2015, JOR 2015/260, m.nt. C.D.J. Bulten, Ondernemingsrecht 2015/92, m.nt. P.M. Storm, AA 2015/9, m.nt. B.F. Assink (SNS) en hof Amsterdam (OK) 26 juli 2018,JOR 2018/275, m.nt. S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2019/41, m.nt. F. Eikelboom, JIN 2018/184, m.nt. P. Haas (SNS); hof Amsterdam (OK) 11 september 2015, ARO 2015/191 (RTC); hof Amsterdam (OK) 25 september 2015, ARO 2015/214 (Metrical); hof Amsterdam (OK) 17 december 2015, ARO 2016/7 (4Apps); hof Amsterdam (OK) 5 februari 2016, ARO 2016/58 (Strara); hof Amsterdam (OK) 13 mei 2016, ARO 2016/139 (Meijbon); hof Amsterdam (OK) 22 september 2016, ARO 2017/24 (Blue); hof Amsterdam (OK) 14 november 2016, ARO 2017/51 (WiSH IP); hof Amsterdam (OK) 6 april 2017,ARO 2017/104 (New Company Investments); hof Amsterdam (OK) 18 mei 2017, ARO 2017/128 (Roessen & Roessen); hof Amsterdam (OK) 14 juli 2017, ARO 2017/147 (TCO); hof Amsterdam (OK) 17 juli 2017, ARO 2017/148 (Bakery Initiatives); hof Amsterdam (OK) 28 september 2017, ARO 2018/5 (Readen Retail); hof Amsterdam (OK) 14 december 2017, ARO 2018/38 (Cosijn & Visser); hof Amsterdam (OK) 21 december 2017, ARO 2018/49 (Ager); hof Amsterdam (OK) 21 december 2017,ARO 2018/50 (IHP); hof Amsterdam (OK) 1 februari 2018, ARO 2018/90 (Setay); hof Amsterdam (OK) 1 maart 2018, ARO 2018/79 (Trinity); hof Amsterdam (OK) 28 maart 2018, ARO 2018/108 (Baars); hof Amsterdam (OK) 6 april 2018, ARO 2018/83 (ADW); hof Amsterdam (OK) 6 april 2018, ARO 2018/110 (Monitor); hof Amsterdam (OK) 26 april 2018, ARO 2018/114 (Sturio); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2018, ARO 2018/144 (Harderwijk); hof Amsterdam (OK) 27 augustus 2018, ARO 2018/185 (Hoeve Holland); hof Amsterdam (OK) 24 september 2018, ARO 2018/194 (Monitus); hof Amsterdam (OK) 27 november 2018, ARO 2019/29 (JBNT); hof Amsterdam (OK) 28 november 2018, ARO 2019/32 (RAB); hof Amsterdam (OK) 4 december 2018, ARO 2019/41 (Korsten); hof Amsterdam (OK) 19 december 2018, ARO 2019/64 (Steelframe); hof Amsterdam (OK) 31 januari 2019, ARO 2019/73 (Monmar); hof Amsterdam (OK) 19 februari 2019, ARO 2019/83 (Treffers); hof Amsterdam (OK) 19 februari 2019, ARO 2019/84 (Lap); hof Amsterdam (OK) 5 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1603 (Cavari). Het gros van deze beschikkingen valt onder (i), een kleiner deel daarvan onder (iii) en het kleinste deel ervan onder (ii). Een aantal van de hierboven genoemde beschikkingen, behoudens de eerste twee hierna te noemen beschikkingen, behoeft toelichting. Ten eerste de Nedco-beschikking. Daarin werd verzocht om een onderzoek bij Nedco Holding B.V. (hierna: Holding), Nedco Kunststoffen B.V. (hierna: Kunststoffen) en bij Nedco Display B.V. (hierna: Display). Deze verweersters, en een belanghebbende, hadden zich gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer met betrekking tot onder meer de ontvankelijkheid van de verzoekster voor zover haar verzoek gericht was op Kunststoffen en Display. Zijdens de verzoekster was gesteld, hetgeen door onder meer de verweersters was erkend, dat er sprake was van een patstelling in de algemene vergadering van aandeelhouders van Holding ‘en daarmee in haar (klein)dochtervennootschap’, welke patstelling niet zonder rechterlijk ingrijpen kon worden doorbroken. Reeds uit dien hoofde moest er naar het oordeel van de Ondernemingskamer worden getwijfeld aan de juistheid van het beleid van de (te enquêteren) vennootschappen, zodat het (enquête)verzoek voor toewijzing vatbaar was. Volgens haar mocht de te benoemen onderzoeker het tot zijn taak rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven, welke eruit kon bestaan dat de ene aandeelhouder zijn aandelen in het geplaatste kapitaal van Holding aan de andere overdroeg. Tegen deze achtergrond ga ik er veronderstellenderwijs van uit dat (a) de verzoekster louter aandelen in het geplaatste kapitaal van Holding hield en (b) Holding (in)direct de aandelen in het geplaatste kapitaal van Kunststoffen en Display hield (in de zin van een A-B-C- verhouding), reden waarom deze beschikking alhier is opgenomen. Ten tweede de Sturio-beschikking. Daarin werd blijkens r.o. 1.2 de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Sturio ‘en bij dat [curs. RPJ] onderzoek’ de gang van zaken in bepaalde deelnemingen te betrekken. Gelet daarop, alsmede gezien het feit dat die deelnemingen niet in de kop van de beschikking staan, zou ik menen dat dit geen concerngenotenenquêteverzoek betrof. Echter, in r.o. 3.4 overwoog de Ondernemingskamer dat er geen grond was de vorenbedoelde deelnemingen in het onderzoek bij Sturio te betrekken, nu ‘aan de vereisten voor een concernenquête’ niet was voldaan. Tegen die achtergrond ga ik er veronderstellenderwijs van uit dat zij het verzoek opvatte als een concerngenotenenquêteverzoek. Ten derde de beschikkingen inzake Incore, Johnny Hoes, Knapen, Arthromed, Punching, ABN AMRO, MCEG, Nedelko, Allround Cargo, Celco, Hein Schilder, Meditaxi, Agri, Penta Properties, TCO, Ager, Trinity, Baars en Harderwijk. Daarin (i) oordeelde de Ondernemingskamer, al dan niet na de verzoek(st)er(s) (impliciet of expliciet) – al dan niet naar aanleiding van een of meer door (een van) de wederpartij(en), buiten de context van (het bepaalde in) art. 2:346 BW met betrekking tot de onderliggende vennootschap(pen), opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweren – ontvankelijk te hebben verklaard, dat er géén gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid en/of de de gang van zaken van (kennelijk) (een deel van) de te enquêteren vennootschappen te twijfelen, zodat het enquêteverzoek, en daarmee ook het eventuele verzoek om onmiddellijke voorzieningen, werd afgewezen, of (ii) trof de Ondernemingskamer, al dan niet na de verzoek(st)er – al dan niet naar aanleiding van een (of meer) op niet-ontvankelijkheid gericht(e), en buiten de context van (het bepaalde in) art. 2:346 BW met betrekking tot de onderliggende vennootschap(pen) vallend(e), verwe(e)r(en) van (een van) de wederpartij(en) – (voorshands) ontvankelijk te hebben verklaard in zijn (haar) verzoek en al dan niet na (met zoveel woorden) te hebben vastgesteld dat er (voorshands) gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid van de te enquêteren vennootschappen te twijfelen, bij zowel de vennootschap in wier geplaatste kapitaal de verzoek(st)er aandelen hield, als bij (een deel van) de daaronder hangende vennootschap(pen) onmiddellijke voorzieningen. Tegen deze achtergrond ga ik er veronderstellenderwijs van uit dat, nu uit de zoeven genoemde beschikkingen niet blijkt dat de ontvankelijkheid van de verzoek(st)er(s) ter zake van de hier bedoelde (mede) te enquêteren onderliggende vennootschap(pen) in de sfeer van (het bepaalde in) art. 2:346 BW werd bestreden en evenmin daaruit blijkt dat die ontvankelijkheidsvraag door de Ondernemingskamer in het midden werd gelaten, alsmede in aanmerking nemende dat het ontvankelijkheidsstation als bedoeld in dat artikel voor het kunnen treffen van onmiddellijke voorzieningen, het kunnen gelasten van een onderzoek en in beginsel ook voor het kunnen toekomen aan de materiële beoordeling van het verzoek met succes gepasseerd moet worden (de wet is duidelijk: de Ondernemingskamer kan slechts een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon op (schriftelijk) verzoek van degene die daartoe uit hoofde van art. 2:346 of 347 BW ‘bevoegd’ is; Vide art. 2:345, eerste lid, eerste volzin, BW, alsmede zij verwezen naar art. 2:346, aanhef, BW), de Ondernemingskamer ofwel veronderstelde (lijdelijke rol), (al dan niet) op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, dat de verzoek(st)er(s) (mede) in het licht van (het bepaalde in) art. 2:346 BW (voorshands) (mede) in zijn (haar of hun) verzoek kon(den) worden ontvangen voor zover dat betrekking had op de (te enquêteren) vennootschap(pen) in wier geplaatste kapitaal hij (zij) geen (certificaten van) aandelen hield(en), ofwel zulks ex officio, aan de hand van art. 2:346 BW- jurisprudentie ter zake van verzoeken als hier aan de orde en van de ingekomen stukken en ter terechtzitting verstrekte inlichtingen, toetste (actieve rol). Daarom zijn de voormelde beschikkingen eveneens alhier opgenomen. Cf., wat die ambtshalve toetsing aangaat, ’s Ondernemingskamer rechtspraak ter zake van op stichting administratiekantoren gerichte enuêteverzoeken, waartoe ik ter illustratie aandraag hof Amsterdam (OK) 20 mei 2010, ARO 2010/88, r.o. 3.12 (UPA), waarin zij met betrekking tot de verzoeker zijn verzoek om een onderzoek bij zulk een stichting – naar het lijkt: ambtshalve – overwoog dat een dergelijk onderzoek ingevolge de wettelijke regeling van het enquêterecht niet mogelijk is en zij hem ‘conform haar bestendige rechtspraak’ te dier zake dan ook niet- ontvankelijk verklaarde in zijn verzoek voor zover dat ertoe strekte tot het gelasten van een onderzoek als evenbedoeld. Vide ook hof Amsterdam (OK) 14 juni 2012, ARO 2012/98, r.o. 3.7 (RVDD), waarin eveneens sprake lijkt van een ambtshalve toetsing van de ontvankelijkheid van een verzoekster ten aanzien van een (mede) op een stichting administratiekantoor gericht enquêteverzoek. Cf. eveneens hof Amsterdam (OK) 24 april 2008, ARO 2008/86, r.o. 3.2 (Van Loon); hof Amsterdam (OK) 30 maart 2011, ARO 2011/63, r.o. 3.7 (i.f.) (Muntal); hof Amsterdam (OK) 28 oktober 2011, ARO 2011/167, r.o. 3.1 (Twister Media); hof Amsterdam (OK) 29 oktober 2015, ARO 2015/228, r.o. 3.1 (Slutter en Van Leijden). Daarin lijkt de Ondernemingskamer in het licht van (kennelijk) art. 2:346 BW (een of meer van) de verzoek(st)er(s) ambtshalve – zulks mogelijkerwijs hiermee verband houdende dat in alle vier voornoemde beschikkingen de verweersters niet waren verschenen, maar zeker is dat niet nu er wél belanghebbenden waren verschenen – (geheel of gedeeltelijk) niet-ontvankelijk te hebben verklaard in zijn (hun) verzoek(en). Ten vierde de beschikking inzake Woudwood. Daarin werd het verweer, houdende dat onmiddellijke voorzieningen niet konden worden getroffen omdat te dezen niet van een zogeheten concern(genoten)enquête sprake kon zijn nu niet was voldaan aan de voorwaarde dat bij alle rechtspersonen waarop die enquête zich richtte, gegronde redenen bestonden om aan de juistheid van het beleid te twijfelen, door de Ondernemingskamer verworpen, aangezien de evenbedoelde gronden ten aanzien van beide gerekestreerde vennootschappen wel degelijk waren aangevoerd. Dat een concern- (genoten)enquête op zichzelf mogelijk was, hadden de te enquêteren vennootschappen onderschreven, zodat dat punt naar het oordeel van de Ondernemingskamer verder geen behandeling behoefde. Bij beide vennootschappen trof zij onmiddellijke voorzieningen. Tegen deze achtergrond ga ik er veronderstellenderwijs van uit dat de Ondernemingskamer veronderstelde (Vide ook supra) dat te dezen (het bepaalde in) art. 2:346 BW niet aan de ontvankelijkheid van de verzoekster in de weg stond, zodat laatstgenoemde in het verzoek kon worden ontvangen. Ten vijfde de Allround Cargo-beschikking. Daarin werd verzocht om een onderzoek bij Allround Cargo Holding en bij Allround Cargo Handling. Eerstgenoemde hield in het geplaatste kapitaal van laatstgenoemde alle gewone aandelen. Er waren echter ook tien prioriteitsaandelen uitgegeven. Daarvan hield de verzoekster er vijf. Ik ga er veronderstellenderwijs van uit dat daarmee de verzoekster niet voldeed aan het bepaalde in art. 2:346 BW. Daarom heb ik deze beschikking alhier opgenomen. Ten zesde de WiSH IP-beschikking. Daarin had WiSH IP twee volle dochtermaatschappijen, te weten WE Projects en SK Projects. WE Projects had samen met OKami, een aandeelhouder van WiSH IP, verzocht om een onderzoek bij WiSH IP en haar twee dochtermaatschappijen. Ik ga er veronderstellenderwijs van uit dat het verzoek voor zover gedaan door OKami, ertoe strekte een onderzoek te doen gelasten bij WiSH IP en bij SK Projects en dat het verzoek voor zover gedaan door WE Projects, ertoe strekte een onderzoek te gelasten bij zichzelf. Ten zevende de beschikking inzake Cosijn & Visser, waarin op moeder- en dochternivau – kennelijk: voorshands – gegronde redenen werden vastgesteld (Vide r.o. 3.3 iuncto r.o. 2.3 iuncto r.o. 1.2 iuncto r.o. 1.1), waarna op het eerstbedoelde niveau een spoedvoorziening werd getroffen. Een beslissing op het enquêteverzoek is er niet meer gekomen; in verband met een tussen partijen getroffen minnelijke regeling werd het enquêteverzoek namelijk ingetrokken, waarop niet-ontvankelijkheid volgde. Vide hof Amsterdam (OK) 21 februari 2019, ARO 2019/92 (Cosijn & Visser). In aanmerking nemende dat, strikt genomen, de formele beoordeling vóór de materële beoordeling komt en bijgevolg aan dat laatste niet wordt toegekomen indien dat eerste negatief uitpakt (Vide ter illustratie hof Amsterdam (OK) 28 november 2018, ARO 2019/32, r.o. 3.5, i.f. (RAB)), dan ligt in ’s Ondernemingskamers oordeel dat er (mede) gegronde waren op dochternivau (kennelijk) besloten dat de verzoekster (voorshands) ontvankelijk, daaronder begrepen enquêtegerechtigd, was in haar verzoek voor zover dat zich richtte op de onderliggende vennootschap. Ten achtste de Korsten-beschikking. Daarin werd verzocht om een onderzoek bij ‘Holding c.s.’ (r.o. 1.2), waaronder (mede) begrepen werd Korsten Holding en haar volle vennootschappen Bakkerij Korsten en Korsten Onroerend Goed (Vide r.o. 1.1 en 2.3). Volgens de Ondernemingskamer waren er geen gegronde redenen. Zij specificeerde zulks niet. Gezien het veelvuldige gebruik van de naam ‘Holding c.s.’ (Vide r.o. 3.6-3.7 en 3.9-3.11), lijken de gegronde redenen impliciet betrekking te hebben gehad op het beleid en de gang van zaken van de voornoemde vennootschappen. Daarvan uitgaande, dan ligt, bij gebreke van andere aanwijzingen, in het toekomen aan het vellen van een gegronde redenen-oordeel (kennelijk) besloten dat de verzoekster (mede) enquêtegerechtigd was met betrekking tot de twee onderliggende vennootschappen. Ten negende de Treffers-beschikking. In r.o. 3.6, laatste volzin, daarvan – waarin, voor zover hier van belang, werd overwogen dat in het handelen van Beheer c.s., waarmee wordt bedoeld de boven- en onderliggende te enquêteren vennootschap (Vide in samenhang r.o. 1.1-1.3 en 2.1), ten opzichte van Piet Treffers onvoldoende was gebleken van gegronde redenen om aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken te twijfelen – ligt (kennelijk) opgesloten dat er ten aanzien van beide vennootschappen niet van die redenen waren. Voeg daarbij de slotsom van de Ondernemingskamer dat de op hen gerichte verzoeken werden afgewezen (r.o. 3.14), dan ligt ook in de voorliggende beschikking (kennelijk) besloten dat, bij gebreke van andere aanwijzingen, de verzoekers (mede) bevoegd waren tot het uitlokken van een enquête op dochterniveau.
Vide hof Amsterdam (OK) 24 januari 2002, ARO 2002/3 (Grote Hoef) en hof Amsterdam (OK) 31 januari 2002, JOR 2002/154 (Grote Hoef); hof Amsterdam (OK) 26 november 2002, ARO 2002/ 178 (De Ark); hof Amsterdam (OK) 10 maart 2006, ARO 2006/60 (Eleveld); hof Amsterdam (OK) 13 juli 2016, ARO 2016/177 (Dijkstra Beaumont); hof Amsterdam (OK) 8 september 2016, ARO 2017/6 (NB Holding); hof Amsterdam (OK) 15 september 2016, ARO 2017/11 (Celebration); hof Amsterdam (OK) 17 oktober 2018, ARO 2019/8 (ICC); hof Amsterdam (OK) 21 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1720 (Kinderopvang Wageningen). In de eerstgenoemde beschikking waren er drie (gezamenlijke) verzoeksters, te weten OMB Nederland B.V. (hierna: OMB), Beleggingsmaatschappij De Ark Nijkerk B.V. (hierna: De Ark Nijkerk) en De Ark Groep B.V. (hierna: De Ark Groep). OMB hield 55% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van De Ark Nijkerk en deze hield, op haar beurt, 100% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van De Ark Groep, die tevens een van de vier verweersters was. Laatstgenoemde hield 100% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van (de) drie (overige) gerekestreerde vennootschappen. Hieruit volgt dat De Ark Nijkerk en De Ark Groep ten aanzien van alle verweersters voldeden aan de vereisten als neergelegd in art. 2:346, aanhef en onderdeel b, (oud) BW: De Ark Nijkerk was uit hoofde daarvan enquêtebevoegd bij De Ark Groep en deze was uit dien hoofde enquêtebevoegd bij haar drie 100%- dochtermaatschappijen. In dat licht, en gelet hierop dat OMB zelf geen aandelen in het geplaatste kapitaal van ten minste een der verweersters hield, had OMB mijns inziens niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Deze situatie doet denken aan die waarin A én zijn persoonlijke houdstermaatschappij B om een enquête verzoeken bij C, in wier geplaatste kapitaal niet A maar B aandelen houdt, en bij D, de volle dochtermaatschappij van C. Alsdan wordt A veelal door de Ondernemingskamer niet-ontvankelijk verklaard. Vide e.g. hof Amsterdam (OK) 24 april 2008, ARO 2008/ 86, r.o. 3.2 (Van Loon); hof Amsterdam (OK) 4 juni 2018, ARO 2018/138, r.o. 3.2 (TGC). Vide ook hof Amsterdam (OK) 31 augustus 2001, JOR 2001/207 (Easy World Airline) en hof Amsterdam (OK) 31 december 2002, ARO 2003/8, r.o. 3.5 (Easy World Airline). Overigens een paar woorden over de Eleveld-beschikking. Daarin werd door een aandeelhouder en FNV Bondgenoten (gezamenlijk) verzocht, voor zover hier van belang, om een onderzoek bij J.J.C. Eleveld Holding B.V. (hierna: Holding), Eleveld Meubelen B.V. (hierna: Meubelen) en bij Eleveld Trading B.V. (hierna: Trading). De eerstbedoelde verzoeker was (enig) aandeelhouder van Holding, die, op haar beurt, (enig) aandeelhouder van zowel Meubelen als Trading was. Laatstgenoemden dreven beide een onderneming. Bij Meubelen waren ca. twintig werknemers werkzaam die op detacheerbasis ook werkzaamheden ten behoeve van Trading verrichtten. De werknemers waren, althans een deel van hen was, lid van FNV Bondgenoten. Tegen deze achtergrond, alsmede in het licht van het SER-advies 1989, p. 12, alwaar wij – over het begrip ‘werkzaam’ als bedoeld in art. 2:347 BW – onder andere lezen dat (i) het niet relevant is op basis van welke overeenkomst de, bij de (enquêteverzoekende) vereniging van werknemers als lid aangesloten, werknemers in de onderneming van de (te enquêteren) rechtspersoon werkzaam zijn, noch met wie die is gesloten, (ii) het moet gaan om (het verrichten van) werkzaamheden ‘in’ een onderneming, hetgeen meer is dan enkel werkzaamheden ‘voor’ of ‘ten behoeve van’ een onderneming, en (iii) een redelijke interpretatie meebrengt dat iedere ‘werkzaamheid’ in aanmerking mag worden genomen en dat het begrip ‘werkzaam’ in ruime zin moet worden verstaan, ga ik er veronderstellenderwijs van uit dat FNV Bondgenoten art. 2:347 BW-bevoegd was ten aanzien van Meubelen en Trading.
Een verzoeker van zulk een verzoek die in het geplaatste kapitaal van geen enkele te enquêteren vennootschap aandelen, of certificaten daarvan, houdt, moet vanzelfsprekend niet-ontvankelijk worden verklaard. Vide ook voetnoot 313 supra.
Vide bijvoorbeeld de in voetnoot 313 supra opgenomen beschikkingen inzake Eleveld en Dijkstra Beaumont, die ik versta als op meerdere (bevoegdheids)grondslagen gebaseerde (gezamenlijke) verzoeken.
Vide de in voetnoot 313 supra aangehaalde jurisprudentie en voetnoot 317 infra.
Cf. hof Amsterdam (OK) 26 november 2002, ARO 2002/178 (De Ark). Daarin werd door, inter alia, De Ark Nijkerk en De Ark Groep verzocht om, onder meer, het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van De Ark Groep, Translift Nederland B.V., Translift B.V. en van A.A. van den Pol Dronten B.V. Eerstgenoemde hield 100% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van tweedegenoemde, die, op haar beurt, 100% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van de drie laatstgenoemden hield. De Ondernemingskamer begreep het verzoek, voor zover gedaan door De Ark Groep, aldus (Vide r.o. 3.1) dat het slechts de strekking had een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van die drie 100%-dochtermaatschappijen van De Ark Groep, waardoor zich geen strijd voordeed met het bepaalde in art. 2:346 (oud) BW (de zelfenquête als bedoeld in art. 2:346, eerste lid, onderdeel d, BW was toen nog niet in de wet opgenomen).
Vide hof Amsterdam (OK) 18 mei 2004, ARO 2004/195 (Esteves-DWD); hof Amsterdam (OK) 5 oktober 2005, JOR 2005/296, m.nt. A.F.J.A. Leijten, Ondernemingsrecht 2006/35, m.nt. H.M. de Mol van Otterloo (Smit Transformatoren); hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2007, ARO 2007/166 (e-Traction); hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, JOR 2008/39, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2008/37, m.nt. Ch.E. Honée (PCM); hof Amsterdam (OK) 12 april 2010, ARO 2010/62 (DIC Almatis); hof Amsterdam (OK) 14 april 2010, JOR 2010/185, m.nt. S.M. Bartman (Meavita) en hof Amsterdam (OK) 30 mei 2011, JOR 2011/219, m.nt. S.M. Bartman (Meavita); hof Amsterdam (OK) 15 april 2010, ARO 2010/64 (Seerden); hof Amsterdam (OK) 27 februari 2014, ARO 2014/57 (TICA); hof Amsterdam (OK) 19 oktober 2018, ARO 2019/11 (Ambulance Amsterdam).
Hof Amsterdam (OK) 17 maart 2011, ARO 2011/57 (Spaarnwoude).
Vide hof Amsterdam (OK) 10 januari 2002, ARO 2002/7 (Broadnet); hof Amsterdam (OK) 19 januari 2004, ARO 2004/22 (Virtual Affairs); hof Amsterdam (OK) 18 augustus 2005, ARO 2005/161 (Dubbelhuis); hof Amsterdam (OK) 28 april 2006, ARO 2006/73 (Drukkerij Bevrijding); hof Amsterdam (OK) 23 januari 2007, ARO 2007/23 (Van de Steege); hof Amsterdam (OK) 29 juni 2007, ARO 2007/103 (2H Media); hof Amsterdam (OK) 22 november 2007, ARO 2007/189 (Zondervan); hof Amsterdam (OK) 19 februari 2008, ARO 2008/48 (Ambaflex); hof Amsterdam (OK) 24 april 2008, ARO 2008/86 (Van Loon); hof Amsterdam (OK) 31 juli 2008, ARO 2008/132 (Welsi); hof Amsterdam (OK) 24 april 2009, ARO 2009/64 (Allstar Consulting); hof Amsterdam (OK) 28 oktober 2009, ARO 2009/160 (DWS); hof Amsterdam (OK) 28 april 2010, ARO 2010/71 (Cancun); hof Amsterdam (OK) 31 januari 2011, ARO 2011/22 (Markeur); hof Amsterdam (OK) 24 maart 2011, ARO 2011/62 (Ulyanovsk); hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Synpact); hof Amsterdam (OK) 29 september 2011, ARO 2011/148 (RVDD); hof Amsterdam (OK) 7 mei 2013, ARO 2013/84 (Viadata); hof Amsterdam (OK) 3 december 2014, ARO 2015/29 (Phanos Reit); hof Amsterdam (OK) 22 september 2015, ARO 2015/211 (Schoenaker); hof Amsterdam (OK) 29 oktober 2015, ARO 2015/228 (Slutter en Van Leijden); hof Amsterdam (OK) 12 mei 2017, ARO 2017/118 (Sequoia); hof Amsterdam (OK) 1 november 2017, ARO 2018/32 (HASBOS). In het merendeel van deze beschikkingen zijn de verzoeken (reeds) afgewezen omdat er geen gegronde redenen waren om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van de vennootschap in wier geplaatste kapitaal de verzoek(st)er(s) (certificaten van) aandelen hield(en), te twijfelen, waarbij, volledigheidshalve, opmerking verdient dat in de voorlaatste beschikking ook een aangevoerd punt een gegronde reden – ten aanzien van de bovenliggende vennootschap, waarvan de verzoekster aandeelhouder was – opleverde, maar zulks naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet doorslaggevende was om een onderzoek te gelasten, waarna zij verderop oordeelde, voor zover hier van belang en kort gezegd, dat zulk een onderzoek ‘geen of nauwelijks’ toegevoegde waarde had en er bij dat onderzoek ‘onvoldoende belang’ bestond. Twee beschikkingen zijn in dit verband relevant om even de aandacht op te vestigen: Welsi en Synpact. Daarin overwoog de Ondernemingskamer namelijk, voor zover hier van belang en kort gezegd, dat het verzoek om een onderzoek bij Welsi Holding B.V. werd afgewezen en dat zulks betekende dat het verzoek om een onderzoek bij Welsi B.V., haar 100%-dochtermaatschappij, evenmin voor toewijzing vatbaar was respectievelijk dat het verzoek om een onderzoek bij Synpact Project Management Groep B.V. werd afgewezen en (mede) om die reden het verzoek voor zover gericht op Synpact Project Management B.V. en op InternetSelekt Punt NL B.V., beide volle dochtermaatschappijen van de eerdergenoemde vennootschap, eveneens werd afgewezen. Overigens behoeft een beschikking, die inzake Zondervan, enige toelichting. Daarin werd door de (andere) belanghebbenden betwist dat de verzoekers in hun verzoek konden worden ontvangen, aangezien zij geen (certificaten van) aandelen in het geplaatste kapitaal van de moedermaatschappij (i.e. Zondervan Beheer B.V. (hierna: Zondervan Beheer)) hielden en ook anderszins niet daartoe gerechtigd waren. De Ondernemingskamer overwoog te dier zake dat nu de beslechting van de tussen partijen bestaande geschillen op het terrein van het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht was voorgelegd aan de bevoegde rechter te Leeuwarden en de uitkomst van die procedure voor de beslissing te dezen niet van belang was, zij voor het vervolg er veronderstellenderwijs van uitging dat het verzoek ontvankelijk was. Hoewel zij in r.o. 3.9 overwoog dat een bepaald bezwaar niet kon leiden tot twijfel aan een juist beleid van Zondervan Beheer ‘(dan wel Bouwbedrijf Zondervan, haar 100%-dochtermaatschappij, toev. RPJ)’, kwam de Ondernemingskamer in r.o. 3.11 tot de slotsom dat het verzoek moest worden afgewezen, waarop direct volgde dat van redenen tot twijfel aan een juist beleid van ‘Zondervan Beheer’ niet was gebleken. Ook in r.o. 3.12 werd enkel – in de context van de gegronde redenen-toets – gesproken van ‘Zondervan Beheer’. Tegen deze achtergrond, alsmede in aanmerking nemende dat de voornoemde dochtermaatschappij niet als verweerster in de kop van de beschikking staat, laat ik deze beschikking vallen in de catergorie van beschikkingen waarin het verzoek reeds op het moederniveau vastliep. In een kleiner deel van de hierboven genoemde beschikkingen is de ontvankelijkheid (mede) ten aanzien van de vennootschap in wier geplaatste kapitaal de verzoek(st)er geen (certificaten van) aandelen hield, in het midden gelaten. Ik zal die beschikkingen – kort – bespreken. In de Van de Steege-beschikking oordeelde de Ondernemingskamer dat er geen gegronde redenen waren om te twijfelen aan de juistheid van het beleid van de gerekestreerde (dochter)vennootschappen, zodat het verzoek om een onderzoek werd afgewezen. Gelet daarop, behoefde het door een der wederpartijen opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer geen bespreking; bij de behandeling en beoordeling daarvan had deze geen in rechte te respecteren belang (meer), aldus de Ondernemingskamer. Wat dat verweer precies inhield, blijkt niet uit de beschikking. Eerder had de Ondernemingskamer – zonder dat daartoe verweer was gevoerd, althans zulks blijkt niet uit de onderhavige beschikking – de verzoekster in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat betrekking had op een stichting administratiekantoor. Ik houd het er dan ook voor dat het (wél) opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer als bovenbedoeld in ieder geval niet daarop zag. In haar 2H Media-beschikking kwam de Ondernemingskamer tot de slotsom dat verzoeksters verzoek – naar ik begrijp: voor zover betrekking hebbende op 2H Media B.V. – moest worden afgewezen. Ter zake van haar (aanvankelijk) 100%-dochtermaatschappij SLAM!FM B.V. had de verzoekster geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die gegronde redenen aangaande het beleid daarvan konden opleveren, reden waarom zij geen belang bij haar (enquête)verzoek voor zover op die vennootschap gericht, had, waarbij de Ondernemingskamer in aanmerking nam dat het een en ander niet kon leiden tot het oordeel dat er sprake was van een onjuist beleid van voornoemde in de zin van het enquêterecht. Vervolgens – en daar gaat het mij om – overwoog de Ondernemingskamer dat bij die stand van zaken de beoordeling van de ontvankelijkheid van ‘dit onderdeel’ – waarmee zij, naar ik begrijp, bedoelde het (enquête)verzoek voor zover dat zag op SLAM!FM B.V. – van het verzoek onbesproken kon blijven. In de Van Loon-beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat, nu het verzoek door afwezigheid van gegronde redenen ter zake van twijfel aan de juistheid van beleid van de gerekestreerde vennootschappen werd afgewezen, in het midden kon blijven of sprake was van een ‘dusdanige economische en organisatorische eenheid tussen Assurantiën Beheer en Assurantiën dat Van Loon Holding, als aandeelhouder van Assurantiën Beheer, ook bevoegd is een onderzoek te verzoeken met betrekking tot Assurantiën’. Ook in haar Markeur-beschikking liet zij de beantwoording van de bevoegdheidsvraag (i.e. een species van het genus de ontvankelijkheidsvraag), i.c. ter zake van twee onderliggende vennootschappen, in het midden nu er geen gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid van de gerekestreerde vennootschappen te twijfelen en, zo voeg ik toe, mitsdien de verzoeken werden afgewezen. In de RVDD-beschikking behoefden de door een aantal wederpartijen opgeworpen gronden met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van de verzoekster – naar ik begrijp: in de context van art. 2:349 BW (Vide r.o. 3.7 iuncto r.o. 3.2) – geen nadere beoordeling meer, omdat het naar voren gebrachte en geblekene niet kon leiden tot het oordeel dat een onderzoek bij de (twee) verweersters geboden was. Overigens noem ik de Schoenaker- beschikking, waarin de Ondernemingskamer in het midden liet of aan de vereisten voor een concern(genoten)enquête was voldaan, en de Slutter en Van Leijden-beschikking, waarin de Ondernemingskamer de ‘positie’ van gerekestreerde sub 3, een 100%-dochtermaatschappij van de vennootschap in wier geplaatste kapitaal de verzoeker aandelen hield, (verder) onbesproken liet. Het kleinste deel van de buiten beschouwing gelaten beschikkingen bestaat uit beschikkingen waarin verzoeken ten dele afstuitten op het bepaalde in (kennelijk) art. 2:344 BW omdat de (mede) te enquêteren (onderliggende) vennootschappen overeenkomstig vreemd recht waren opgericht. Uitzondering daarop vormt echter de Phanos Reit-beschikking. Daarin werden – hoogst uitzonderlijk – de verzoekers, naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer, in hun verzoek om een onderzoek bij een moedermaatschappij en haar twee volle dochtermaatschappijen niet-ontvankelijk verklaard vanwege het jegens hen hadden geschonden van het bepaalde in art. 2:349 BW.
Vide hof Amsterdam (OK) 6 januari 2006, JOR 2006/69, m.nt. R.G.J. Nowak (Mondoor); hof Amsterdam (OK) 27 november 2007, ARO 2007/190 (B&A); hof Amsterdam (OK) 10 september 2008, ARO 2008/155 (Janssen); hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2009/13, m.nt. S.M. Bartman (Fortis); hof Amsterdam (OK) 20 januari 2009, ARO 2009/15 (Barcofra); hof Amsterdam (OK) 30 maart 2011, ARO 2011/63 (Muntal); hof Amsterdam (OK) 28 oktober 2011, ARO 2011/167 (Twister Media); hof Amsterdam (OK) 21 januari 2014, ARO 2014/35 (Polderland); hof Amsterdam (OK) 9 december 2016, ARO 2017/60, r.o. 1.2 en 3.3 (Vos); hof Amsterdam (OK) 24 februari 2017, ARO 2017/72 (Care); hof Amsterdam (OK) 4 juni 2018, ARO 2018/138 (TGC). In deze beschikkingen overwoog de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang en kort gezegd, het volgende. In haar Mondoor- beschikking zag zij geen aanleiding voor het doen uitstrekken van het onderzoek tot de met Mondoor Beheer B.V. verbonden rechtspersonen nu de verzoekster daartoe geen redengevende feiten of omstandigheden had aangevoerd. In de B&A-beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat niet viel in te zien dat van twijfel aan een juist beleid van een aantal verweersters gesproken kon worden nu de verzoekster niets had aangevoerd dat zulk een oordeel kon dragen (Vide r.o. 3.20). Bij deze twee beschikkingen sluit aan de Muntal-beschikking. Evenzo de Twister Media-beschikking, waarin de Ondernemingskamer overwoog dat een verzoekster geen enkel bezwaar tegen het beleid en de gang van zaken van een aantal dochtermaatschappijen had aangevoerd en ook overigens niets had gesteld waaruit kon worden afgeleid dat en waarom er sprake was van gegronde redenen om aan dat beleid en die gang van zaken te twijfelen, waardoor het verzoek (in zoverre) werd afgewezen vanwege (in zoverre) onvoldoende feitelijke grondslag (Vide r.o. 3.12). In haar beschikkingen inzake Polderland en Care overwoog zij dat de verzoekster geen stellingen had ingenomen die zelfstandig zagen op het beleid of de gang van zaken in (bedoeld zal worden: van) de onderliggende (personen)vennootschap(pen) respectievelijk dat de (aangevoerde) gegronde redenen niet tevens zagen op het beleid en de gang van zaken van een aantal deelnemingen. In de Fortis-beschikking hadden de verzoekers in het petitum van hun verzoekschrift verzocht om een onderzoek bij Fortis N.V. en de met haar in een groep verbonden vennootschappen, vermeldde het verzoekschrift echter slechts Fortis N.V. als gerekestreerde en was als zodanig niet gericht tegen andere vennootschappen, en waren bezwaren – naar ik begrijp: in de context van de stelling dat er gegronde redenen waren (Vide bijvoorbeeld r.o. 3.4 iuncto r.o. 3.1) – tegen de andere vennootschappen dan de meergenoemde niet geuit, zodat de Ondernemingskamer enkel een onderzoek bij Fortis N.V. beval (Vide r.o. 3.17). Een (in zekere mate) vergelijkbaar geval deed zich voor in de Janssen-beschikking. Hetzelfde geldt voor de Barcofra-beschikking. Verder schaar ik onder de lege verzoeken ook ’s Ondernemingskamers Vos- beschikking. Daarin overwoog de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang en kort gezegd, dat voor zover de verzoekster haar verzoek mede had beoogd te richten tot deelnemingen van Vos Groep B.V., het daartoe geen relevante gronden bevatte, om welke reden het verzoek werd beoordeeld voor zover dat zich richtte op het gelasten van een onderzoek bij de evengenoemde vennootschap. Met die ‘gronden’ doelde de Ondernemingskamer kennelijk, gezien r.o. 3.4, waarin, kort gezegd, werd gesproken van de in het kader van art. 2:350, eerste lid, BW vruchteloos aangevoerde ‘gronden’, hierop dat de verzoekster in het kader van het evengenoemde artikel niets relevants had aangevoerd met betrekking tot de vorenbedoelde deelnemingen. Anders gezegd: zo er al sprake van het stellen dat er sprake was van gegronde redenen om aan de juistheid van het beleid en/of de gang van zaken daarvan te twijfelen, dan was die stelling niet geschraagd door daartoe aangevoerde relevante gronden. Opmerkelijk is, overigens, dat alleen Vos Groep B.V. als verweerster in het hoofd van de beschikking staat en onder ‘Het verloop van het geding’ het verzoek aldus werd weergegeven dat deze (slechts) gericht was op die verweerster. Hekkensluiter betreft de TGC-beschikking, waarin de Ondernemingskamer overwoog dat zij ‘geen aanleiding’ zag (eveneens) een onderzoek te bevelen bij de onderliggende vennootschap (Trifier), nu dat ‘zonder nadere motivering’ was verzocht.
Vide hof Amsterdam (OK) 16 mei 2017, ARO 2017/120 (Parlevliet). Daarin speelde, zeer kort weergegeven, het volgende. De verzoeker verzocht om een onderzoek bij de vennootschap waarvan hij aandeelhouder was, en bij de daaronder hangende 25%-vennootschap. De verweersters betwistten de ontvankelijkheid met betrekking tot die onderliggende vennootschap, nu hij daarvan geen aandeelhouder was. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kon de beoordeling van de vraag of het ‘economisch belang van Dirk [de verzoeker] op één lijn geplaatst kan worden gesteld met dat van een aandeelhouder van MPB [de onderliggende vennootschap]’ echter in het midden worden gelaten, aangezien zij tot de slotsom zou komen dat het verzoek werd afgewezen.
Hof Amsterdam (OK) 4 mei 2017, ARO 2017/115 (Kors).
Vide hof Amsterdam (OK) 26 oktober 2000, JOR 2001/5 (Paalman) en hof Amsterdam (OK) 20 april 2001, rekestnr. 835/2000 (Paalman); hof Amsterdam (OK) 15 maart 2001, rekestnrs. 182/2001 en 204/2001, JOR 2001/108 (Skagerak); hof Amsterdam (OK) 8 mei 2002, JOR 2002/112, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Broadnet) en de noot (i.f.) erbij; hof Amsterdam (OK) 25 maart 2005, ARO 2005/ 62 (Karst); hof Amsterdam (OK) 1 oktober 2018, ARO 2019/1 (MTP); hof Amsterdam (OK) 30 januari 2019, ARO 2019/72 (Verhoef). Bij vier van deze beschikkingen geef ik een toelichting. Ten eerste de Karst-beschikking. Daarin werd verzocht om een onderzoek bij Karst Beheer B.V. (hierna: Beheer) alsook dat het te bevelen onderzoek zich diende uit te strekken tot het beleid en de gang van zaken van Hypomatch Internationale Financiële Diensten B.V. (hierna: HIFD) en van Hypomatch Internationale Vastgoed B.V. (hierna: HIV), twee volle dochtermaatschappijen van Beheer. Verder werd er verzocht om onmiddellijke voorzieningen. Dat verzoek werd als eerste behandeld. De Ondernemingskamer trof alleen een onmiddellijke voorziening bij Beheer. Over de vraag of de verzoekster (voorshands) kon worden ontvangen in haar op HIFD en HIV gerichte verzoek, liet zij zich niet uit, noch liet zij zich (al) uit over de vraag of er te hunnen aanzien (voorshands) gegronde redenen tot twijfel aan de juistheid van beleid waren. De behandeling van het verzoek om een onderzoek bij Beheer, HIFD en HIV werd aangehouden. Een beschikking dienaangaande is er evenwel, bij mijn weten, niet (meer) gekomen. Gezien dit een en ander, laat ik de Karst- beschikking buiten beschouwing. Ten tweede de Paalman-beschikking. Daarin werd verzocht om een onderzoek bij G.R. Paalman Beheer B.V. (hierna: Beheer), G.R. Paalman B.V. (hierna: Paalman) en bij Lavarko B.V. (hierna: Lavarko), en wel door G. Paalman (hierna: Gerard) en, bij wijze van zelfstandig verzoek, door B.J. Paalman (hierna: Berend/Bennie). De Ondernemingskamer overwoog dat er gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid van alle drie de vennootschappen te twijfelen, trof bij ieder van hen onmiddellijke voorzieningen en beval een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van al deze vennootschappen. In de algemene vergadering van aandeelhouders zowel als in het bestuur van de (drie) respectieve vennootschappen was namelijk sprake van een patstelling. Teneinde deze patstellingen te doorbreken werd Bennie Paalman als bestuurder daarvan geschorst, zodat Gerard Paalman enig bestuurder van die vennootschappen werd, er, mede met het oog op de belangen van Bennie Paalman als ‘medeaandeelhouder in de vennootschappen’, een commissaris van die vennootschappen benoemd en werd er door de Ondernemingskamer bepaald dat die commissaris deel zou nemen aan de bijeenkomsten van de algemene vergadering van aandeelhouders van die vennootschappen en dat hij daarin een doorslaggevende stem zou hebben indien de stemmen staakten. Uit de (eerste Paalman-)beschikking blijkt dat Paalman en Lavarko ‘dochtervennootschappen’ van Beheer waren. Niettemin blijkt daaruit niet (ook niet uit de tweede Paalman-beschikking) hoevéél aandelen Beheer in het geplaatste kapitaal van Paalman en van Lavarko hield, noch blijkt hoeveel aandelen Bennie Paalman in hun geplaatste kapitaal hield. Evenmin blijkt of Gerard Paalman óók medeaandeelhouder van Paalman en Lavarko was en, zo ja, hoe groot zijn aandelenbelang daarin was (ik ga ervan uit dat hij in ieder geval aandeelhouder van Beheer was). Nu, zelfs met het doorbreken van de patstelling in het bestuur van de vennootschappen in voege als hierboven bedoeld, de stemmen in de algemene vergadering van aandeelhouders van (een of meer van) de verweersters konden staken als de benoemde commissaris niet gebruik zou maken van zijn doorslaggevende stem, ligt het in ieder geval niet in de rede dat – ondanks het feit dat er werd gesproken van ‘dochtervennootschappen’ – Beheer een ≥ 51%-belang in het geplaatste kapitaal van Paalman en Lavarko had, noch dat zij daar samen met Gerard Paalman over beschikte, nu alsdan de stemmen, in beginsel (1 aandeel = 1 stem), niet konden staken. Veeleer had Beheer alleen of tezamen met Gerard Paalman een 50%-belang. Voorts lijkt het er dan op dat Bennie Paalman een 50%-aandeelhouder van zowel Paalman als Lavarko was. Uitgaande van deze twee (hoofd)scenario’s, namelijk (i) Beheer en Bennie Paalman met ieder een 50%-belang of (ii) Beheer en Gerard Paalman die tezamen beschikten over een 50%-belang en Bennie Paalman die eveneens een 50%-belang had, dan was in ieder geval Bennie Paalman zelfstandig en rechtstreeks uit hoofde van art. 2:346, aanhef en onderdeel b, (oud) BW enquêtegerechtigd met betrekking tot Paalman en Lavarko. Wat Gerard Paalman betreft, valt niet uit te sluiten dat hij eveneens te hunnen aanzien zelfstandig en rechtstreeks de daarin bedoelde kapitaaldrempel haalde. Om redenen als hiervoor genoemd laat ik de Paalman-beschikkingen buiten beschouwing. Ten derde de MTP-beschikking. Daarin overwoog de Ondernemingskamer in r.o. 3.5 dat de ‘hierboven geschetste situatie’ gegronde redenen opleverde om aan de juistheid van het beleid en de gang van zaken te twijfelen, een en ander zonder te specificeren op welke vennootschap(pen) dit oordeel betrekking had. In r.o. 3.4 komt zowel de naam ‘Kuunders Groep’ als de naam ‘MTP Holding’ voor. Blijkens r.o. 2.1 wordt met dat eerste een ‘agrarisch familiebedrijf’ bedoeld. MTP Holding was de bovenliggende vennootschap (Vide r.o. 2.1-2.2). Er was verzocht om een onderzoek bij ‘MTP Holding c.s.’ (Vide r.o. 1.1-1.2). Dit verzoek werd bij gebrek aan voldoende aanleiding afgewezen (Vide r.o. 3.6 et seq.). Weliswaar valt in dat kader de naam ‘MTP Holding c.s.’ (Vide e.g. r.o. 3.6, onder d), maar dan nog is voor mij niet duidelijk met betrekking tot welk(e) enquêtesubject(en) er gegronde redenen waren. Daarom laat ik de onderhavige beschikking eveneens buiten beschouwing. Ten slotte de Verhoef-beschikking. In die beschikking oordeelde de Ondernemingskamer dat er gegronde redenen waren met betrekking tot Verhoef Beheer B.V. en beval zij bij die vennootschap een onderzoek. Ten aanzien van Verhoef Investments B.V., waarbij ook was verzocht om een onderzoek (Vide r.o. 1.1-1.2), overwoog de Ondernemingskamer in het kader van art. 2:345, 346 en 350 BW niets. Het waarom is mij niet duidelijk. In r.o. 3.1, eerste volzin, wordt (louter) van ‘Verhoef Beheer’ en van ‘vennootschap’ gesproken. Over een vermindering van het verzoek (beperking tot die vennootschap) lees ik echter niets. Gelet hierop, laat ik de voorliggende beschikking eveneens buiten beschouwing.
De onderstaande – buiten beschouwing latende – beschikkingen zijn bij de categorie ‘overig’ ondergebracht, nu zij niet (goed) bij de andere categorieën konden worden ingedeeld. Ik zal deze beschikkingen thans, kort en voor zover hier van belang, bespreken. Ten eerste hof Amsterdam (OK) 21 december 2001, JOR 2002/57 (Egbouw). Daarin werd verzocht om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Egbouw Holding B.V. en om dit onderzoek ‘zonodig [sic]’ te doen uitstrekken over het beleid en de gang van zaken van een drietal 100%-dochtermaatschappijen van haar. Kennelijk vond de Ondernemingskamer dat niet nodig, nu zij een onderzoek beval naar het beleid en de gang van zaken van eerstgenoemde, welk onderzoek zich mede diende uit te strekken naar het door deze ten aanzien van laatstgenoemden gevoerde beleid. Ten tweede hof Amsterdam (OK) 29 augustus 2002, JOR 2002/215, m.nt. R.G.J. Nowak (CPS), waarin de verzoekster tijdens de mondelinge behandeling had verzocht haar verzoek te mogen uitbreiden tot de (klein)dochtermaatschappijen van de gerekestreerde vennootschap, waartegen deze zich had verzet. De Ondernemingskamer wees dat verzoek echter af, nu het in een zodanig laat stadium van het geding was gedaan dat toewijzing ervan in strijd zou komen met de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans zeker nu die vennootschappen niet als belanghebbenden waren opgeroepen en evenmin eigener beweging in het geding waren verschenen. Ten derde hof Amsterdam (OK) 24 februari 2006, ARO 2006/58 (CDG), waarin werd verzocht om een onderzoek bij CDG Holding B.V. (hierna: CDG) en bij Behace B.V. en Communication Distribution Group Europe B.V., welke laatste haar 100%- kleindochtermaatschappij, namelijk via tweedegenoemde, was. Niettemin overwoog de Ondernemingskamer dat het, bij CDG te gelasten, onderzoek zich diende uit te strekken tot het beleid van CDG ‘ten aanzien van’ haar (klein)dochtermaatschappij. Ten vierde hof Amsterdam (OK) 12 juli 2006, ARO 2006/131 (Becq & Millan), waarin werd verzocht om een onderzoek bij Becq & Millan Europe B.V. en om de te benoemen onderzoeker aan te merken als ‘commissaris’ in de zin van een bepaald verdrag ter zake van het onderzoek dat zich richtte op Becq & Millan Deutschland GmbH, haar dochtermaatschappij, welke verzoeken de Ondernemingskamer aldus verstond dat haar verzochte onderzoek zich mede diende uit te strekken tot het door eerstgenoemde als aandeelhouder van laatstgenoemde bepaalde beleid van deze, hetwelk zonder meer voorwerp van onderzoek kon zijn. Voor zover de verzoekster mocht hebben bedoeld te verzoeken om een onderzoek bij de buitenlandse vennootschap te doen gelasten, overwoog de Ondernemingskamer dat art. 2:344 BW zich daartegen verzet. Ten vijfde hof Amsterdam (OK) 13 juli 2006, ARO 2006/132 (Selles), waarin werd verzocht om een onderzoek bij Selles Beheer B.V. en haar dochtervennootschappen, maar de Ondernemingskamer enkel een onderzoek bij eerstgenoemde beval en het verzoek ten aanzien van laatstgenoemden (kennelijk) viel onder ‘wijst af het meer of anders verzochte’. Zulks geldt m.m. ook voor de zesde beschikking, te weten hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2006, ARO 2006/171 (Makelaarskantoor H. Post). Ten zevende hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2006, ARO 2006/173 (Doorzand), waarin (ook) om een onderzoek werd verzocht bij de moedermaatschappij en haar dochtermaatschappijen, alsmede werd er verzocht om onmiddellijke voorzieningen. Laatstgenoemd verzoek werd als eerste behandeld. De Ondernemingskamer trof slechts voorzieningen bij de moedermaatschappij. De behandeling van het vorenbedoelde verzoek om een onderzoek werd aangehouden. In hof Amsterdam (OK) 29 oktober 2007, ARO 2007/184 (Doorzand) lezen wij echter dat het geding werd beëindigd in verband met een tot stand gekomen minnelijke regeling. Ten achtste hof Amsterdam (OK) 18 juni 2007, ARO 2007/98 (Rubalas). Daarin werd verzocht om een onderzoek bij Rubalas Holding B.V. en bij de twee onder haar hangende dochtermaatschappijen, alsmede werd verzocht om onmiddellijke voorzieningen, welk verzoek als eerste werd behandeld, maar vervolgens werd afgewezen. Blijkens hof Amsterdam (OK) 7 januari 2010, ARO 2010/16 (Rubalas) in samenhang gelezen met hof Amsterdam (OK) 20 januari 2010, ARO 2010/17 (Rubalas) werd er een minnelijke regeling getroffen, waarvan deel uitmaakte een bindend adviseur aan te wijzen, hetgeen de Ondernemingskamer inwilligde en daarmee het geding beëindigde, zodat de behandeling van het evenbedoelde enquêteverzoek niet meer aan bod kwam. Ten negende hof Amsterdam (OK) 3 augustus 2007, ARO 2007/135 (Callisto), waarin werd verzocht om een onderzoek bij Callisto B.V. (hierna: Callisto) en bij een trits andere vennootschappen. Daartoe overwoog de Ondernemingskamer dat eerstgenoemde terecht had gesteld dat, nu noch zijzelf, noch de verzoekster aandelen in het geplaatste kapitaal van de laatstbedoelde vennootschappen hield, en de verzoekster ook jegens hen ook anderszins niet voldeed aan een van de in art. 2:346 BW genoemde vereisten, zij in zoverre niet bevoegd was tot het doen van het onderhavige verzoek. Nu voorts geen feiten waren gesteld die tot het oordeel konden leiden dat Callisto en de andere vennootschappen een concern vormden en ook anderszins geen gronden waren angevoerd die het gelasten van een concern(genoten)enquête konden rechtvaardigden, diende de verzoekster niet- ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek voor zover het op de meerbedoelde vennootschappen gericht was. Ten tiende hof Amsterdam (OK) 6 februari 2009, ARO 2009/34 (Dutch Megapower), waarin door twee verzoeksters werd verzocht om een onderzoek bij drie verweersters ‘en haar respectieve (klein-)dochtervennootschappen, althans van Megapower en Twee B als bestuurder van de (klein-)dochtervennootschappen’ (r.o. 1.1). De verzoeksters konden zich ten aanzien van die verweersters rechtstreeks baseren op art. 2:346 BW. De Ondernemingskamer trof een spoedvoorziening bij een van de verweersters en hield iedere verdere beslissing aan (r.o. 3.5). Deze kwam er evenwel niet meer, nu een minnelijke regeling werd bereikt; Vide hof Amsterdam (OK) 1 deccember 2010, ARO 2010/180 (Dutch Megapower). Ten elfde hof Amsterdam (OK) 21 april 2010,ARO 2010/66 (Pebblestone), waarin werd verzocht om een onderzoek bij twee vennootschappen en bij hun respectieve dochtermaatschappijen. De Ondernemingskamer overwoog dat in het licht van het een en ander de eerderbesproken tegen het beleid en de gang van zaken van de tot de Pebblestone Groep behorende vennootschappen (dat waren alle vorenbedoelde vennootschappen) gerichte bezwaren van ‘onvoldoende gewicht’ waren om te kunnen leiden tot het oordeel dat een onderzoek naar dat beleid en die gang van zaken geboden was. Het verzoek werd afgewezen. Het komt mij voor dat het te dezen in essentie ging om de twee moedermaatschappijen (Vide ook r.o. 3.5). Ik kan de bezwaren niet herleiden tot de individuele dochtermaatschappijen. Voorts blijkt uit de voorliggende beschikking niet dat de Ondernemingskamer bij alle gerekestreerde vennootschappen (dat waren er acht) toetste aan de maatstaf als bedoeld in art. 2:350, eerste lid, BW. Ten twaalfde hof Amsterdam (OK) 26 juli 2011, ARO 2011/127 (MacMountain), in samenhang te lezen met hof Amsterdam (OK) 26 augustus 2011, ARO 2011/128 (MacMountain), waartoe m.m. hetzelfde geldt als opgemerkt ten aanzien van de hogergenoemde Doorzand-beschikkingen. Ten dertiende hof Amsterdam (OK) 5 april 2012, ARO 2012/55 (Zadeko), waarin door een certificaathouder werd verzocht om een onderzoek bij een vennootschap en bij haar STAK (die hield een 30%-belang) – die, aldus de verzoekster, een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden en er, wat de samenstelling van hun respectieve besturen betreft, feitelijk sprake was van een personele unie – welk verzoek, op beide onderdelen, niet voor toewijzing in aanmerking kwam (Vide r.o. 3.1-3.3). Reeds omdat ik mij focus op vennootschappen, valt deze beschikking buiten de gemaakte selectie. Ten veertiende hof Amsterdam (OK) 16 juli 2013, ARO 2013/124 (Erstad Den Heijhof), waarin werd verzocht om een onderzoek bij Holding Erstad Den Heijhof B.V. en, ‘voor zover het onderzoek dit vereist’, bij de dochtermaatschappijen Erstad B.V. en Den Heijhof B.V. De Ondernemingskamer zag evenwel geen grond om dat laatste in te willigen (Vide r.o. 3.11). Ten vijftiende hof Amsterdam (OK) 18 mei 2015, ARO 2015/138 (Pharma Feed), waarin werd verzocht om een onderzoek bij een vennootschap en bij een viertal vennootschappen in wier geplaatste kapitaal zij alle aandelen hield. Dit verzoek werd afgewezen, nu er voor een onderzoek ‘onvoldoende aanleiding’ was. Nergens werd in de onderhavige beschikking gesproken van (geen of onvoldoende) gegronde redenen voor twijfel aan de juistheid van het beleid en/of de gang van zaken van de vorenbedoelde vier vennootschappen. De (in beginsel) aanwezige gegronde reden alsmede het gebrek aan aanleiding zag, naar ik begrijp, op de eerstbedoelde vennootschap. Ten zestiende hof Amsterdam (OK) 21 mei 2015, ARO 2015/139 (Proov), in samenhang te lezen met hof Amsterdam (OK) 23 september 2015, ARO 2015/213 (Proov), waartoe m.m. hetzelfde geldt als opgemerkt ten aanzien van de meergenoemde Doorzand-beschikkingen. Ten zeventiende hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010/10, m.nt. A. Doorman (TESN), waarin (mede) bij wege van concern (genoten)enquête was verzocht om een onderzoek bij één vennootschap (TESN), welk verzoek, kort gezegd, stukliep op de afgeleideleer (Vide r.o. 3.9). Ten achttiende hof Amsterdam (OK) 10 oktober 2017, ARO 2018/12 (Maja Investments). Daarin trof de Ondernemingskamer enkel een spoedvoorziening bij de bovenliggende vennootschap, na impliciet bij haar (voorshands?) gegronde redenen te hebben vastgesteld. Een beslissing op het enquêteverzoek ben ik niet meer tegengekomen. Ten negentiende hof Amsterdam (OK) 1 februari 2018, NJ 2019/134, m.red.aant., JOR 2018/93, m.nt. F. Eikelboom, (Europa Leasing), waarin een concern(genoten)enquête eveneens niet aan de orde kon komen vanwege het vastlopen op de afgeleideleer (Vide r.o. 3.22).
Hof Amsterdam (OK) 19 oktober 1989, rekestnr. 28/89 OK, NJ 1990/372, m.nt. J.M.M. Maeijer,TVVS 1990, p. 205-207, m.nt. A.F.M. Dorresteijn (Van Gelder en Van Os).
Die foutieve verwijzing naar art. 2:349 BW treffen wij ook aan in hof Amsterdam (OK) 22 maart 1990, rekestnr. 46/89, r.o. 4.1.1 (Vertimart); hof Amsterdam (OK) 21 januari 1993, rekestnr. 46/92, r.o. 4.2 (Houdijker); hof Amsterdam (OK) 16 februari 1995, rekestnr. 791/94, r.o. 5.4 (Ras).
In hof Amsterdam (OK) 12 november 1998, rekestnr. 554/98, Ondernemingsrecht 1999/15, m.nt. P.G.F. A. Geerts, r.o. 4.3 (De Zuider Ster); hof Amsterdam (OK) 21 oktober 1999, rekestnr. 901/99, r.o. 3.2 (Burggraaff); hof Amsterdam (OK) 30 december 1999, rekestnr. 816/99, r.o. 4.8 (Naaykens); hof Amsterdam (OK) 9 maart 2000, rekestnr. 468/99 OK, JOR 2000/99, r.o. 3.11 (Willem III) en in hof Amsterdam (OK) 2 november 2000, JOR 2001/6 (Cohere), welke laatste beschikking, opvallend genoeg, na die inzake Bot Bouw was gegeven, machtigde de Ondernemingskamer de onderzoeker evenwel op voorhand. Aan deze praktijk kwam een einde met de komst van HR 6 juni 2003,NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2003/37, m.nt. P.D. Olden en C.C. Borgart, r.o. 3.8 (Scheipar), waarin de Hoge Raad, voor zover hier van belang en kort gezegd, overwoog dat de Ondernemingskamer niet ambtshalve, of op verzoek van een partij, een art. 2:351, tweede lid, BW-machtiging kan verlenen, maar alleen op (een met redenen omkleed) verzoek van de onderzoeker zelf.
Gesteld of gebleken kan zijn dat ten aanzien van de vennootschap(pen) in wier geplaatste kapitaal de verzoeker geen (certificaten van) aandelen houdt, sprake is van een geval als bedoeld in art. 2:346, aanhef en onderdeel c, (oud) BW. Vide ook hof Amsterdam (OK) 14 september 1995, rekestnr. 446/95, r.o. 4.1.1 (Dintelmond).
Vide omtrent die (alternatieve) route ook Geerts 2004, op.cit., p. 129-130. In hof Amsterdam (OK) 11 maart 1993, rekestnr. 57/92, r.o. 4.4-4.5 (Alpha Milkpowders) kwam zulks duidelijk naar voren. Daarin werd verzocht om een onderzoek bij een moedermaatschappij en bij haar 100%-dochtermaatschappij. Tegen dat laatste keerden de verweersters zich met een niet-ontvankelijkheidsverweer. De Ondernemingskamer overwoog dienaangaande dat nu de verzoeker alleen aandelen in (het geplaatste kapitaal van) de moedermaatschappij hield en niet (mede) in (dat) van haar dochtermaatschappij, hij krachtens art. 2:346 (oud) BW slechts ten aanzien van die moedermaatschappij bevoegd was een ‘vordering’ tot het instellen van een onderzoek in te dienen; de verzoeker miste die bevoegdheid met betrekking tot die dochtermaatschappij en moest dan ook in zoverre in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. Hierbij merkte de Ondernemingskamer op dat het alleszins gerechtvaardigd was het onderzoek ook tot de hier bedoelde dochtermaatschappij te laten ‘uitstrekken’. Nu de verzoeker evenwel de bevoegdheid miste om ‘een dergelijk onderzoek’ te (kunnen) vorderen, was ‘dat’ slechts mogelijk indien de te benoemen onderzoeker ex art. 2:351, tweede lid, BW de Ondernemingskamer verzocht hem te machtigen tot ‘uitbreiding’ van het onderzoek tot de meergenoemde dochtermaatschappij.
Vide in hof Amsterdam (OK) 22 maart 1990, rekestnr. 46/89, r.o. 4.1.1 (Vide ook r.o. 4.2.6) (Vertimart); hof Amsterdam (OK) 21 januari 1993, rekestnr. 46/92, r.o. 4.2 (Houdijker); hof Amsterdam (OK) 11 maart 1993, rekestnr. 57/92, r.o. 4.4 (Vide ook r.o. 4.5) (Alpha Milkpowders); hof Amsterdam (OK) 20 oktober 1994, rekestnr. 452/94, r.o. 4.4 (Sintelmolen); hof Amsterdam (OK) 16 februari 1995, rekestnr. 791/94, r.o. 5.4 (Ras); hof Amsterdam (OK) 14 september 1995, rekestnr. 446/95, r.o. 4.1.1 (Dintelmond); hof Amsterdam (OK) 30 december 1999, rekestnr. 816/99, r.o. 4.3 (Naaykens); hof Amsterdam (OK) 9 maart 2000, rekestnr. 468/99, JOR 2000/99, r.o. 3.11 (Willem III). Aangenomen mag mijns inziens worden dat, in het licht van de ervoor en erna gegeven beschikkingen, hof Amsterdam (OK) 12 november 1998, rekestnr. 554/98, Ondernemingsrecht 1999/15, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.3 (De Zuider Ster), waarin de Ondernemingskamer nadat de moedermaatschappij en haar volle dochtermaatschappij hadden aangevoerd dat de verzoekster – naar kennelijk werd bedoeld: in haar enquêteverzoek voor zover dat gericht was op laatstgenoemde – niet- ontvankelijk was, overwoog dat dat verweer op zichzelf doel trof, ook in dat rijtje thuishoort. Vide ook hof Amsterdam (OK) 21 oktober 1999, rekestnr. 901/99, r.o. 3.1-3.2 (Burggraaff), waarin werd verzocht om een onderzoek bij Burggraaff Beheer B.V. en bij haar dochtermaatschappijen, de Ondernemingskamer louter een onderzoek bij eerstgenoemde beval, zij de onderzoeker – op voorhand – een art. 2:351, tweede lid, BW-machtiging verleende ten aanzien van laatstbedoelden en van de (niet-)ontvankelijkheid van de verzoeker(s) te hunnen aanzien met geen woord repte. Cf. hof Amsterdam (OK) 16 maart 2000, rekestnr. 1065/99, r.o. 4.4 (Bungalowpark Het Grootslag), waarin een aantal leden van de coöperatieve vereniging Coöperatief Bungalowpark Het Groorslag U. A. verzochten om een onderzoek bij zowel deze als bij haar 100%-dochtermaatschappij Facilitairbedrijf Andijk B.V. De Ondernemingskamer verklaarde hen echter niet-ontvankelijk in hun verzoek voor zover dat gericht was op die vennootschap, aangezien zij te haren aanzien niet voldeden aan de vereisten van art. 2:346 (oud) BW.
Vide hof Amsterdam (OK) 21 januari 1993, rekestnr. 46/92, onder 1 (‘Het geding’) alsmede wijs ik op r.o. 3.1-3.2 en 4.3 (Houdijker); hof Amsterdam (OK) 20 oktober 1994, rekestnr. 452/94, r.o. 1.2 (Sintelmolen); hof Amsterdam (OK) 16 februari 1995, rekestnr. 791/94, r.o. 3.2.1-3.2.6 en 4.1-4.3 (Ras); hof Amsterdam (OK) 9 maart 2000, rekestnr. 468/99, JOR 2000/99 (Willem III). Hierbij hoort, naar het lijkt, ook hof Amsterdam (OK) 30 december 1999, rekestnr. 816/99, r.o. 4.2-4.4 (Naaykens).
Hof Amsterdam (OK) 9 december 1999, rekestnr. 1054/99, JOR 2000/33, Ondernemingsrecht 2000/ 28, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Sito Distributiecentrum).
Cf. hof Amsterdam (OK) 29 maart 2001, rekestnr. 306/2001 (Incore). Daarin werd verzocht om het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij een moedermaatschappij en bij haar volle dochetrmaatschappij. Dit – separaat behandelde – verzoek werd door de Ondernemingskamer gehonoreerd. Anders dan in de Sito Distributiecentrum-beschikking, lezen wij in de onderhavige beschikking dat naar haar voorlopige oordeel de verzoekers in hun verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de ‘verweersters’ ontvankelijk waren, reden waarom zij ook ontvankelijk waren in hun verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
Bij tijd en wijle beoordeelt de Ondernemingskamer eerst of er gegronde redenen in de zin van art. 2:350, eerste lid, BW aanwezig zijn om vervolgens, bij gebreke daarvan, het verzoek af te wijzen, bij welke stand van zaken een formele beoordeling van het verzoek niet meer van node is, terwijl, strikt genomen, de volgorde net andersom is.
Vide daaromtrent ook Geerts 2004, op. cit., para 5.2.1.
Naar mijn opvatting dient de ontvankelijkheidsbeslissing in het kader van de behandeling van het verzoek om onmiddellijke voorzieningen in beginsel gelijkluidend te zijn aan die in het kader van de behandeling van het verzoek om een enquête. In de regel zal het gaan om de vraag of een verzoeker uit hoofde van art. 2:346, eerste lid, BW enquêtegerechtigd is (los van art. 2:344 BW, leiden andere ontvankelijkheidskwesties, zoals art. 2:349, eerste lid, BW, namelijk bijna nooit ertoe dat de verzoeker niet in zijn verzoek(en) kan worden ontvangen). Wij raken daarmee aan een fundamentele vraag. De Ondernemingskamer moet zich daar dan ook al tijdens de eerstbedoelde behandeling van vergewissen. Doet zij dat niet en blijkt bij een nadere beoordeling van de ontvankelijkheid dat de verzoeker niet in zijn verzoek kan – en kon – worden ontvangen, dan hadden de spoedvoorzieningen namelijk nooit getroffen mogen worden. Van een andere orde is mijns inziens de gegronde redenentoets. Dat is een materiële beoordeling. Deze kan vóór en na het treffen van de spoedvoorzieningen anders uitvallen, nu die voorzieningen de gegronde redenen zouden kunnen opheffen, zodat de beoordeling van de vraag of daarvan (nog steeds) sprake is, in het kader van de behandeling van het enquêteverzoek anders kan uitvallen dan die in het kader van de behandeling van het verzoek om onmiddellijke voorzieningen. Zulk is nou eenmaal inherent aan de mogelijkheid om het verzoek om onmiddellijke voorzieningen separaat te behandelen. Het gevolg is in deze situatie (i.e. het treffen van spoedvoorzieningen die de gegronde redenen opheffen) niet dat het verzoek nooit voor toewijzing in aanmerking had mogen komen, maar dat het verzoek wordt afgewezen. Vide ook de noot, onder 3, van Geerts bij hof Amsterdam (OK) 9 december 1999, rekestnr. 1054/99, JOR 2000/ 33, Ondernemingsrecht 2000/28, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Sito Distributiecentrum).
Hof Amsterdam (OK) 14 september 1995, rekestnr. 446/95 (Dintelmond).
Vide hof Amsterdam (OK) 30 december 1999, rekestnr. 816/99, r.o. 4.3 (Naaykens); hof Amsterdam (OK) 9 maart 2000, rekestnr. 468/99, JOR 2000/99, r.o. 3.11 (Willem III).
Hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh,Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw).
Evenzo, naar ik begrijp, Geerts 2004, op. cit., p. 125, alwaar hij schreef dat de Ondernemingskamer uiteindelijk is omgegaan en dat zij de beslissende stap naar een concernrechtelijke uitleg van de enquêtebevoegdheid van kapitaalverschaffers heeft gezet in haar Bot Bouw-beschikking. Vide ook zijn noot, onder 1 (bovenaan), bij hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw), waarin hij opmerkte dat dat de eerste beschikking is waarin de Ondernemingskamer een ‘aandeelhoudersconcernonderzoek’ heeft toegewezen.
Dat zij alle volle dochtermaatschappijen van Bot Bouw Groep waren, veronderstel ik op grond van r.o. 2.1. Geerts kennelijk ook; Vide zijn noot (onder het kopje ‘Feiten’) bij hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw).
Vide hof Amsterdam (OK) 17 maart 1994, rekestnr. 67/94, TVVS 1994, p. 164-166, m.nt. Th.S. IJsselmuiden, r.o. 5.1 iuncto r.o. 4.1 (Janssen Pers); hof Amsterdam (OK) 10 september 1999, JOR 1999/228, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 1999/84, m.nt. M.L. Lennarts en P.G.F.A. Geerts, r.o. 2.1-2.2 (IJsselwerf).
In deze paragraaf zal ik alle beschikkingen – vanaf de Bot Bouw-beschikking uit 2000 tot aan de datum van afsluiting van dit onderzoek in (medio) 2019 – waarin de Ondernemingskamer is verzocht om het gelasten van een ‘concerngenotenenquête’ (Vide § 1.4 voor mijn definitie daarvan) en (i) de Ondernemingskamer dat verzoek ten aanzien van de moedermaatschappij en mede (geheel of gedeeltelijk) ten aanzien van haar dochtermaatschappij(en) heeft toegewezen, (ii) de verzoeker(s) daarin, voor zover het gericht is op een of meer van de onderliggende (te enquêteren) vennootschappen, in verband met (kennelijk) het bepaalde in (thans) art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW (geheel of gedeeltelijk) niet-ontvankelijk is (zijn) verklaard of (iii) dat (art. 2:346 BW-)ontvankelijkheidsstation (kennelijk), voor zover het ziet op een of meer (te enquêteren) vennootschappen in wier geplaatste kapitaal de verzoeker(s) zelf geen, of onvoldoende, (certificaten van) aandelen houdt (houden), (voorshands) met succes gepasseerd is maar er (nog) geen onderzoek is bevolen,1 onderzoeken,2 en wel op zes onderdelen, te weten (1) enquêteverzoekers, (2) enquêtesubjecten, (3) percentages (certificaten van) aandelen, (4) personele unies, (5) onmiddellijke voorzieningen en (6) beoordeling enquêtebevoegdheid.
Dit onderzoek heeft een tweeledig karakter, namelijk (a) een inventariserend karakter en (b) een vergelijkend karakter. Het laatstbedoelde houdt in dat ik de bovenbedoelde rechtspraak van de Ondernemingskamer vergelijk met ’s Hogen Raads beschikking inzake Landis.
Een aantal beschikkingen van de Ondernemingskamer zal ik buiten beschouwing laten. Ten eerste betreft dit een groep van beschikkingen waarin geen beroep hoefde te worden gedaan op de Landis-leer, aangezien de (gezamenlijke) verzoekers ten aanzien van alle enquêtesubjecten zich rechtstreeks op art. 2:346 BW konden baseren.3 Voor het bevoegdelijk kunnen doen van een gezamenlijk enquêteverzoek is mijns inziens niet nodig dat alle verzoekers ten aanzien van iedere te enquêteren vennootschap afzonderlijk of gezamenlijk enquêtegerechtigd zijn.4 Waar het om gaat, is dat ten aanzien van alle te enquêteren vennootschappen wordt voldaan aan de vereisten als bedoeld in art. 2:346, eerste lid, BW (en in art. 2:347 BW). Niet van belang is hoe per (te enquêteren) vennootschap, door de verzoekers (van het gezamenlijke verzoek) afzonderlijk of gezamenlijk, en uit welken hoofde,5 daaraan wordt voldaan (e.g. (i) verzoekers X en Y beide of slechts gezamenlijk bevoegd m.b.t. vennootschap A en (ii) verzoeker X alleen bevoegd m.b.t. vennootschap A en verzoeker Y alleen bevoegd m.b.t. vennootschap B). De reden waarom er een gezamenlijk verzoek wordt gedaan, zal er immers juist (mede) in (kunnen) liggen dat een van de verzoekers zelf geen, of onvoldoende, (certificaten van) aandelen in het geplaatste kapitaal van een van de enquêtesubjecten houdt. Naar mijn indruk zit de Ondernemingskamer op de bovenbedoelde lijn.6 Voor het geval zij het gezamenlijke verzoekschrift (wellicht) niet in de hier bedoelde, welwillende, zin leest, zouden de verzoekers, zekerheidshalve, daarin kunnen (laten) aangeven dat het verzoek voor zover gedaan door A (slechts) ertoe strekt een onderzoek te gelasten bij gerekestreerde X en voor zover het gedaan is door B (slechts) ertoe strekt een onderzoek te gelasten bij gerekestreerde Y, of iets in dien aard.7
Voorts laat ik buiten beschouwing de beschikkingen waarin (i) op de voet van art. 2:346, eerste lid, onderdeel a of e, BW (art. 2:346, aanhef en onderdeel a of c, (oud) BW) of art. 2:347 BW de Ondernemingskamer mede is verzocht om het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een of meer met de in de evengenoemde artikelen bedoelde rechtspersonen verbonden rechtspersonen,8 (ii) een verzoeker de Ondernemingskamer heeft verzocht om het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van vennootschap B, waarin hij voldoende aandelen, of certificaten daarvan, houdt, en van de bovenliggende vennootschap A, waarin hij geen (certificaten van) aandelen houdt (een ‘opwaartse concerngenotenenquête’),9 (iii) het verzoek al op het niveau van de vennootschap in wier geplaatste kapitaal de verzoeker (certificaten van) aandelen houdt, op formele of materiële gronden is afgestuit dan wel op het niveau van de daaronder liggende vennootschap(pen) op een andere niet-ontvankelijkheidsgrond dan die verband houdt met het bepaalde in art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW, stuk is gelopen of de ontvankelijkheid (mede) op dat niveau in het midden is gelaten,10 (iv) het verzoek om een onderzoek bij de vennootschap waarvan de verzoeker slechts indirect aandeelhouder is, leeg is in de zin dat daarin (kennelijk) niet is gesteld dat en waarom er (mede) gegronde redenen zijn om aan de juistheid van het beleid en/of de gang van zaken van die vennootschap te twijfelen, een en ander onder aanvoering van (redengevende) feiten of omstandigheden,11 (v) de bevoegdheidsvraag ter zake van de onderliggende vennootschap in de sleutel van het al dan niet hebben van een (eigen) economisch belang is geplaatst,12 (vi) de bovenliggende vennootschap bij haarzelf en bij de onder haar hangende ven- nootschappen heeft verzocht om een onderzoek,13 (vii) onvoldoende, ten behoeve van dit onderzoek van belang zijnde, gegevens zijn opgenomen14 en (viii) overig.15
Het nemen van ’s Ondernemingskamers Bot Bouw-beschikking als vertrekpunt van dit onderzoek behoeft toelichting, en wel aldus. In haar Van Gelder en Van Os-beschikking16 uit 1989 overwoog (r.o. 4.2.4) de Ondernemingskamer – zonder dat zulks werd bestreden door middel van een niet-ontvankelijkheidsverweer – ten aanzien van het verzoek om, kort gezegd, mede een onderzoek te gelasten bij Van Gelder en Van Os Produktie B.V. (verweerster sub 2) en bij Van Gelder en Van Os Verkoop B.V. (verweerster sub 3), twee volle dochtermaatschappijen van Van Gelder en Van Os Beheer B.V. (verweerster sub 1), in wier geplaatste kapitaal de verzoeker 50% van de aandelen hield, dat hoewel het laten uitstrekken van het onderzoek tot de verweersters sub 2 en 3 naar haar oordeel alleszins gerechtvaardigd was, het (verzoek) zich diende te beperken tot het doen instellen van een onderzoek bij verweerster sub 1, aangezien de verzoeker slechts ten aanzien van die verweerster bevoegd was tot het op de voet van art. 2:349 BW (naar de Ondernemingskamer kennelijk bedoelde: art. 2:346, aanhef en onderdeel b, (oud) BW)17 indienen van een verzoekschrift strekkende tot het doen instellen van een onderzoek; hij miste de bevoegdheid de Ondernemingskamer (mede) te kunnen verzoeken om het instellen van een onderzoek bij verweerster sub 2 en 3. Slechts de benoemde onderzoeker, zo vervolgde de Ondernemingskamer, kon haar ingevolge art. 2:351, tweede lid, BW verzoeken18 hem te machtigen tot uitbreiding van het onderzoek tot de dochtermaatschappijen van verweerster sub 1.
Het voormelde versta ik in essentie aldus dat de verzoeker die geen, of onvoldoende, (certificaten van) aandelen in het geplaatste kapitaal van de te enquêteren vennootschappen hield, (in ieder geval)19 niet krachtens art. 2:346, aanhef en onderdeel b, (oud) BW bevoegd was tot het uitlokken van een enquête bij hen, maar de onderzoeker via de weg van art. 2:351, tweede lid, BW, zo lijkt de Ondernemingskamer te suggereren, (min of meer) hetzelfde resultaat kon bereiken, quod non.20 Dat eerste, daar gaat het mij hier om, was tot aan de bovengenoemde beschikking inzake Bot Bouw vaste rechtspraak,21 waarbij opmerking verdient dat zij dat standpunt vóór die uitspraak (kennelijk) ook ambtshalve bleef huldigen.22
Een vreemde eend in de bijt was ’s Ondernemingskamers Sito Distributiecentrum- beschikking23 uit 1999. Daarin werd verzocht om een enquête bij Sito Distributiecentrum B.V. (hierna: Sito Distributiecentrum), Besin B.V. (hierna: Besin), Besin International B.V. (hierna: Besin International) en bij Besin Partitions B.V. (hierna: Besin Partitions). Ook werd er verzocht om onmiddellijke voorzieningen. Deze verzoeken werden separaat behandeld. Het laatstbedoelde verzoek kwam als eerste aan de orde. De verzoekster was een economisch rechthebbende op 25% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van Sito Distributiecentrum. Volgens de Ondernemingskamer was haar positie daarmee gelijk te stellen aan die van een certificaathouder. Nu niet kon worden gezegd dat zij in haar verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Sito Distributiecentrum niet- ontvankelijk zou zijn, ging de Ondernemingskamer er op de evenbedoelde grond van uit dat de verzoekster in haar verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen ontvankelijk was. Zowel bij Sito Distributiecentrum als bij Besin en bij Besin International trof de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen.
Of de verzoekster eveneens ten aanzien van laatstgenoemden in haar enquêteverzoek kon worden ontvangen, liet de Ondernemingskamer evenwel – ten onrechte – in het midden.24 Uit haar beschikking blijkt niet, ook niet impliciet, dat de verzoekster (mede) een (economisch) aandeelhouder, of een certificaathouder, van de andere te enquêteren vennootschappen dan Sito Distributiecentrum was. Evenmin blijkt daaruit dat aan haar bij de statuten van, of bij een overeenkomst met, hen de enquêtebevoegdheid was toegekend (Vide art. 2:346, aanhef en onderdeel c, (oud) BW). Ik ga er daarom veronderstellenderwijs van uit dat de verzoekster geen (certificaten van) aandelen, of een economisch belang daarbij, in het geplaatste kapitaal van Besin, Besin International en Besin Partition hield en dat aan haar ook niet in voege als hiervoor bedoeld de enquêtebevoegdheid was toegekend. Gelet hierop dat de Ondernemingskamer de gezamenlijke gerekestreerde vennootschappen (mede) aanduidde als de ‘Besin-Groep’, alsook in aanmerking nemende dat er bij Sito Distributiecentrum een persoon tot commissaris werd benoemd die belast werd met het toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de Besin-Groep, hetgeen in samenhang moet worden gelezen met de impasse binnen de leiding van die groep, ga ik er (voorts) veronderstellenderwijs van uit dat Sito Distributiecentrum als moedermaatschappij van deze groep fungeerde. Aldus beschouwd was te dezen sprake van een enquêteverzoek zoals dat ook voorkwam in de OK-rechtspraak van vóór de onderhavige beschikking, namelijk dat de verzoek(st)er niet alleen verzoeken op moederniveau deed, maar ook op dochterniveau, dit in weerwil hiervan dat hij (zij) in het geplaatste kapitaal van de dochtermaatschappij geen (certificaten van) aandelen hield en van een geval als bedoeld in art. 2:346, aanhef en onderdeel c, (oud) BW (kennelijk) geen sprake was.
Een beslissing op het verzoek om een onderzoek is er, althans bij mijn weten, niet meer gekomen. Het blijft daarom gissen hoe in de voorliggende uitspraak het oordeel van de Ondernemingskamer op het punt van de art. 2:346 BW-ontvankelijkheid ten aanzien van Besin, Besin International en Besin Partitions zou luiden. Men kan twee kanten op redeneren, waarbij ik er gemakshalve van uitga dat zij niet om de ontvankelijkheidsvraag heen zou schrijven.25 Enerzijds zou men kunnen betogen dat nu blijkens art. 2:349a, tweede lid, BW, waarin, voor zover hier van belang, stond – en staat – dat de Ondernemingskamer op verzoek van ‘de indieners van het in artikel [2:] 345 [BW] bedoelde verzoek’, hetwelk men in samenhang moet lezen met het bepaalde in art. 2:346 BW, onmiddellijke voorzieningen kon – en kan – treffen, het verzoek om onmiddellijke voorzieningen was – en is – gekoppeld aan het – bevoegdelijk gedane – verzoek om een onderzoek, waardoor het eerstbedoelde verzoek niet voor toewijzing in aanmerking kon – en kan – komen indien (voorshands) niet mede het laatstbedoelde verzoek voor toewijzing in aanmerking kon – en kan – komen,26 het, mede in het licht hiervan dat zij verstond dat er gegronde redenen waren om te twijfelen aan de juistheid van het beleid van alle (vier) verweersters, in de rede zou liggen dat de Ondernemingskamer de verzoekster (in ieder geval) ontvankelijk zou verklaren in haar op de eerdergenoemde vennootschappen gerichte enquêteverzoek.27
Anderzijds zou men kunnen betogen dat het níét voor de hand zou liggen dat de verzoekster daarin zou kunnen worden ontvangen, omdat uit haar (bestendige) rechtspraak van vóór de Sito Distributiecentrum-beschikking steevast volgde dat de op, kort gezegd, onderliggende vennootschappen gerichte enquêteverzoeken niet voor toewijzing in aanmerking konden komen. Exemplarisch in dit verband is ’s Ondernemingskamers – vóór Sito Distributiecentrum-beschikking gegeven – beschikking inzake Dintelmond Vastgoed.28 Daarin werd, onder meer, verzocht om het treffen van, kennelijk, onmiddellijke voorzieningen bij Jachtcentrum Dintelmond B.V. (hierna: Jachtcentrum), waarvan Dintelmond Vastgoed B.V., in wier geplaatste kapitaal de verzoekers aandelen hielden, enig aandeelhouder was. De Ondernemingskamer overwoog (Vide r.o. 4.1.1), voor zover hier van belang, dat ten aanzien van Jachtcentrum de verzoekers de bevoegdheid misten een verzoek als het onderhavige in te dienen; zij hielden geen aandelen in (het geplaatste kapitaal van) die vennootschap, laat staan het krachtens art. 2:346 BW vereiste, en niet gebleken was dat hun die bevoegdheid bij de statuten van of bij een overeenkomst met die vennootschap was verleend. De verzoekers konden daarom niet worden ontvangen in hun verzoek voor zover dat ‘(een onmiddellijke voorziening als bedoeld in artikel 2:349a BW ten aanzien van) Jachtcentrum’ betrof. Hierbij voegt zich dat in de periode tussen het geven van haar Sito Distributiecentrum-beschikking en haar Bot Bouw-beschikking de Ondernemingskamer dezelfde koers is blijven varen; in haar beschikkingen inzake Naaykens en Willem III overwoog zij immers dat de verzoekster ten aanzien van een 100%-dochtervennootschap respectievelijk ‘alle met verweersters nauw verbonden rechtspersonen en/of vennootschappen in de zin van artikel 2:351 lid 2 BW’ niet aan de in art. 2:346 BW gestelde eisen voldeed, zodat het enquêteverzoek in zoverre niet voor toewijzing vatbaar was.29
In haar Bot Bouw-beschikking30 veranderde de Ondernemingskamer echter van koers, zij ging om.31 Er werd haar verzocht om het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Bot Bouw Groep, waarvan de verzoekers aandeelhouders waren, en van, voor zover noodzakelijk, de met deze verbonden vennootschappen, waarmee kennelijk werd bedoeld Bot Bouw, Bot Bouw Initiatief, Wormerveer en Stammerdijk o.g. (Vide r.o. 1.1 iuncto r.o. 2.1), haar (kennelijk) 100%-dochtermaatschappijen.32 Ten aanzien van deze wierp Bot Bouw Groep – onder verwijzing naar het bepaalde in art. 2:351, tweede lid, BW, houdende dat, zo lezen wij in de voorliggende beschikking, een verderstrekkend onderzoek dan dat ter zake van het beleid en de gang van zaken van de gerekestreerde vennootschap (dat was, ten onrechte, alleen Bot Bouw Groep) slechts kon worden verleend op verzoek van de door de Ondernemingskamer benoemde personen en op een wijze als in dat artikel bepaald – een op niet-ontvankelijkheid gericht verweer op (Vide r.o. 4.4). Dit verweer werd echter, naar in ’s Ondernemingskamers beschikking besloten ligt (Vide r.o. 4.5-4.7), verworpen. Een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van zowel Bot Bouw Groep als haar hogergenoemde 100%-dochtermaatschappijen werd bevolen. Dat de verzoekers in het geplaatste kapitaal van laatstgenoemden geen aandelen hielden, stond daar kennelijk niet langer (zonder meer) aan in de weg.
Sedertdien werden – en worden – er vaker door aandeel- of certificaathouders bij (mede) vennootschappen in wier geplaatste kapitaal zij geen (certificaten van) aandelen houden, uitgelokte enquêtes toegewezen, althans worden zij in hun daartoe strekkend verzoek, voor zover het hun bevoegdheid betreft, ontvankelijk verklaard, gelijk eerder al gebeurde ter zake van uit hoofde van art. 2:347 BW ingediende enquêteverzoeken zijdens verenigingen van werknemers.33 Vandaar dat in dit onderzoek de hogergenoemde beschikking als vertrekpunt wordt genomen.